Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2901

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
AWB 10/33733
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

MK - artikel 10 Definitierichtlijn - Iran - bekeerden - Algemeen Ambtsbericht Iran oktober 2010

De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat eiser zich heeft bekeerd tot het christendom.

De rechtbank overweegt dat aldus uit het ambtsbericht blijkt dat de ‘nieuwe kerken’ in Iran, de enige kerken waarbij eiser zich als bekeerde christen kan aansluiten, bestaan uit evangeliserende kerken en huiskerken, dat evangeliserende kerken in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, dat sprake is van overheidstoezicht op die kerken en hun bezoekers en dat bijeenkomsten buiten hun kerkgebouw verboden zijn. Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat het in de verslagperiode geregeld voorkwam dat bekeerde christenen werden gearresteerd na een inval in huiskerken en dat sommigen zich nog in detentie bevinden. Voorts komt uit het rapport van CSW van 25 januari 2011 naar voren dat christenen die na een inval in huiskerken zijn gearresteerd pas zijn vrijgelaten nadat zij een verklaring hebben ondertekend dat zij zich zullen onthouden van (huis)kerbezoek.

Het beeld zoals dat blijkt uit voornoemd ambtsbericht ter zake van het risico dat de bekeerde christenen lopen in Iran, wordt, zo overweegt de rechtbank, bevestigd in de door eiser overgelegde recente rapporten en (nieuws)berichten.

De rechtbank is van oordeel dat voormelde informatie het betoog van eiser ondersteunt dat het voor hem als bekeerde christen, vanwege het reële risico op ernstige repercussies van de zijde van de Iraanse overheid, zoals arrestatie, niet mogelijk is om zonder vrees in Iran deel te nemen aan formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer.

Anders dan verweerder heeft betoogd, oordeelt de rechtbank, dat een dergelijke beperking in het recht op het bijwonen van kerkdiensten is aan te merken als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Hieraan doet niet af de verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2011 (LJN BP2541) waarin hij verwijst naar het arrest van 28 februari 2006 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens waaruit kan worden afgeleid dat het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten niet verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat dezen hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragstaat waar om toelating is verzocht. Voornoemd arrest heeft betrekking op de beschermingsomvang van artikel 9 van het EVRM, terwijl eiser (primair) gemotiveerd heeft betoogd dat hij bij terugkeer naar Iran een vervolging vreest door de Iraanse autoriteiten in de zin van het Vluchtelingenverdrag en als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966 7, geldigheid: 2011-11-09
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16-12-1966 8, geldigheid: 2011-11-09
Voorschrift Vreemdelingen 2000 3.37, geldigheid: 2011-11-09
Vreemdelingenwet 2000 29, geldigheid: 2011-11-09
Vreemdelingenwet 2000 28, geldigheid: 2011-11-09
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2011-11-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/33733

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[Eiser], eiser, V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),

en

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Hakvoort).

Procesverloop

Eiser is geboren op [datum] 1966 en bezit de Iraanse nationaliteit. Hij verblijft sinds

1 november 1996 als vreemdeling in Nederland.

Op 12 december 2008 heeft eiser een (herhaalde) aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Bij besluit van 18 december 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit een beroepschrift, evenals een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. Bij uitspraak van 16 januari 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, het verzoek van eiser toegewezen en bepaald dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten, totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van

2 april 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 18 december 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in voormelde uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 13 september 2010 heeft verweerder de aanvraag (wederom) afgewezen.

Bij schrijven van 27 september 2010 heeft eiser tegen dit besluit een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Bij brieven van 27 oktober 2010 en 11 maart 2011 heeft eiser nadere gronden ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 23 maart 2011. Eiser is aldaar in persoon verschenen en is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. J.S.M. Rietveld. Tevens was ter zitting aanwezig, B. Nasspri Raveshei, tolk in de taal Farsi.

Bij beslissing van 15 april 2011 heeft de rechtbank het onderzoek heropend op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb en heeft de rechtbank het beroep op grond van artikel 8:10, tweede lid, van de Awb doorverwezen voor behandeling door een meervoudige kamer.

Bij brief van 22 juli 2011 heeft eiser nadere gronden ingediend.

De openbare meervoudige behandeling van het beroep heeft op 18 augustus 2011 plaatsgevonden . Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig, R. Rahim Ali, tolk in de taal Farsi.

Overwegingen

1 Eiser heeft op 1 november 1996 een eerste asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 24 februari 1997 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Het bezwaar hiertegen is door verweerder bij besluit van 2 mei 1997 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch van 22 juni 1999 is het beroep ongegrond verklaard. Hiermee is de afwijzing onherroepelijk geworden. Met deze uitspraak is in rechte vast komen te staan dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Op 27 mei 2003 heeft eiser een opvolgende aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij besluit van 29 mei 2003 heeft verweerder de aanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden afgewezen. Dat besluit staat na de uitspraak van 19 juni 2003 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, eveneens in rechte vast.

2 Eiser heeft aan zijn opvolgende aanvraag van 12 december 2008 ten grondslag gelegd dat hij in Nederland bekeerd is tot het christendom en dat hij, gelet daarop, gegronde vrees voor vervolging heeft, dan wel een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), indien hij naar Iran moet terugkeren. Eiser dient om die reden een verblijfsvergunning te worden toegekend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Verder heeft eiser een beroep gedaan op artikel 9 van het EVRM, omdat sprake is van zodanig ernstige beperkingen van het recht een godsdienst te belijden dat het leven als gevolg daarvan ernstig wordt belemmerd. Eiser heeft voorts gewezen op artikel 10 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (de Definitierichtlijn) en op artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Antifolterverdrag) en de artikelen

7 en 18 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

3 Verweerder heeft met verwijzing naar het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, de aanvraag inhoudelijk afgewezen.

4 Juridisch kader

Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is de aanvrager gehouden, indien na een afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, die bij de vorige beschikking niet bekend waren en die van zodanige aard zijn dat zij tot een andere beschikking aanleiding kunnen geven. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

Op grond van artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV), dat de implementatie vormt van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Definitierichtlijn, wordt bij de beoordeling van de gronden van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag rekening gehouden met het volgende: het begrip 'godsdienst' omvat met name theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald.

Het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf C2/2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), bepaalt onder meer, dat vervolging om reden van godsdienst zich op verschillende manieren kan voordoen, zoals het totale verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstig discriminerende maatregelen tegen personen van een bepaalde godsdienstige overtuiging. Beperkingen op het recht een godsdienst te belijden moeten dusdanig zijn, dat het leven als gevolg van de overtuiging in het land van herkomst daardoor ernstig wordt belemmerd. Van personen die in het land van herkomst een minderheidsreligie aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden.

5 Niet in geschil is dat eiser zich heeft bekeerd tot het christendom en dat dit - onder verwijzing naar de uitspraak van 2 april 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem - als een nieuw gebleken feit of omstandigheid, als hiervoor bedoeld, moet worden beschouwd. Het geschil is beperkt tot de vraag of verweerder in de omstandigheid dat eiser is bekeerd tot het christendom in redelijkheid geen aanleiding heeft behoeven zien aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000 te verlenen.

6 Eiser heeft zich in beroep en ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de informatie uit algemene bronnen moet worden geconcludeerd dat hij in Iran geen (huis)kerk kan bezoeken, omdat hij daarmee het risico loop te worden gearresteerd.

Met een beroep op artikel 10 van de Definitierichtlijn heeft eiser gesteld dat hij daarmee een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, omdat van hem niet verlangd kan worden geen (huis)kerken te bezoeken voor het bijwonen van erediensten. Voorts is een gedwongen terugkeer naar Iran in strijd met artikel 9 van het EVRM, in samenhang met artikel 3 van het EVRM.

Eiser verwijst ter onderbouwing van de (slechte) positie van christenen in Iran naar:

- twee krantenartikelen van 6 en 28 januari 2011;

- Briefing Iran: Religious Freedom profile van September 2009;

- het ambtsbericht van oktober 2010;

- Briefing Document: Severe intensification of arrests and imprisonment of Christians in Iran van Christian Solidarity Worldwide (CWS) van 25 januari 2011;

- een rapport van US Department of State van 17 november 2010;

- een bericht van CWS van 18 februari 2011

- een bericht van States News Service van 6 januari 2011;

- het reisadvies van de minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot Iran, geraadpleegd op 2 februari 2011;

- een krantenartikel van 7 december 2010, van 27 december 2010, en 21 januari 2011;

- een artikel van International Federation for Human Rights van april 2009;

- een bericht van CSW van 29 maart 2011;

- een bericht van Mohabat news van 18 april 2011; en

- een krantenartikel van de hand van Th. Spijkerboer van 13 april 2011.

7 De rechtbank overweegt het volgende.

7.1 Uit het algemene ambtsbericht over Iran van oktober 2010, pagina 46, blijkt dat de zogenoemde 'oude kerken' in Iran bestaan uit de orthodox Armeense kerk en de Assyrische kerk. In deze kerken kunnen in Iran geboren christenen zonder problemen hun geloof uitoefenen in hun eigen taal, zoals het Armeens. Deze kerken geven uitsluitend aan (etnisch) geboren leden van de gemeenschap doopbewijzen af. Er worden geen nieuwe leden geaccepteerd als die niet van Armeense of Assyrische afkomst zijn. Eiser heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij zich bij terugkeer naar Iran voor het bijwonen van erediensten zal moeten aansluiten bij de zogenoemde 'nieuwe kerken'.

7.2 Over de nieuwe kerken en bekeerde christenen staat in voornoemd ambtsbericht, pagina 47-48, onder meer het volgende vermeld:

"Problemen als gevolg van de actieve bekering van mensen doen zich voor bij 'nieuwe' kerken, zoals de 'Assemblies of God', pinkstergemeenten, evangeliserende groepen en huiskerken. Evangeliserende kerken staan in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten. Er is sprake van overheidstoezicht op kerken en hun bezoekers. [..] Bijeenkomsten buiten kerkgebouwen zijn verboden. Mensen die in Iran aan verboden bijeenkomsten deelnemen, lopen het risico te worden gearresteerd."

"Er zijn in het gehele land huiskerken. Er vindt binnenshuis bijbelstudie plaats en er wordt gebeden en gezongen. Dreiging van een inval door de politie die inzicht wil krijgen in de aard van de bijeenkomst, afluisteren van de telefoon, controle van e-mailberichtgeving en infiltratie door spionnen, is altijd aanwezig. [..]. Gedurende de verslagperiode hielden huiskerken zich 'low profile' uit angst voor repercussies zijdens de overheid. Sinds het aantreden van Ahmadinejad in 2005 zouden veel huiskerken zijn gesloten."

"Bekeringsactiviteiten door niet-sji'ietische moslims zijn verboden in Iran.

Er zijn aanwijzingen dat in de verslagperiode bekeerde christenen en christenen die zich met bekeringsactiviteiten inlaten, werden lastiggevallen en/of geïntimideerd. Er waren gedurende de verslagperiode gevallen bekend van arrestatie van personen wegens conversie. Ook kwam het gedurende de verslagperiode geregeld voor dat bekeerde christenen werden gearresteerd na een inval in huiskerken door de autoriteiten. De meesten van hen zijn na enige tijd op borgtocht vrijgelaten. Anderen bevinden zich nog in detentie. [..]

Indien een tot het christendom bekeerde moslim discreet omgaat met zijn/haar bekering, zal dit volgens een bron over het algemeen niet leiden tot problemen met de autoriteiten. Iraniërs die zich in het buitenland hebben bekeerd en vervolgens terugkeren naar Iran, komen aldaar in dezelfde positie terecht als andere personen die zich tot het christendom hebben bekeerd."

7.3 De rechtbank overweegt dat aldus uit het ambtsbericht blijkt dat de 'nieuwe kerken'

in Iran, de enige kerken waarbij eiser zich als bekeerde christen kan aansluiten, bestaan uit evangeliserende kerken en huiskerken, dat evangeliserende kerken in de negatieve belangstelling staan van de Iraanse autoriteiten, dat sprake is van overheidstoezicht op die kerken en hun bezoekers en dat bijeenkomsten buiten hun kerkgebouw verboden zijn. Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat het in de verslagperiode geregeld voorkwam dat bekeerde christenen werden gearresteerd na een inval in huiskerken en dat sommigen zich nog in detentie bevinden. Voorts komt uit het rapport van CSW van 25 januari 2011 naar voren dat christenen die na een inval in huiskerken zijn gearresteerd pas zijn vrijgelaten nadat zij een verklaring hebben ondertekend dat zij zich zullen onthouden van (huis)kerbezoek.

Het beeld zoals dat blijkt uit voornoemd ambtsbericht ter zake van het risico dat de bekeerde christenen lopen in Iran, wordt, zo overweegt de rechtbank, bevestigd in de door eiser overgelegde recente rapporten en (nieuws)berichten.

7.4 De rechtbank is van oordeel dat voormelde informatie het betoog van eiser ondersteunt dat het voor hem als bekeerde christen, vanwege het reële risico op ernstige repercussies van de zijde van de Iraanse overheid, zoals arrestatie, niet mogelijk is om zonder vrees in Iran deel te nemen aan formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer.

Anders dan verweerder heeft betoogd, oordeelt de rechtbank, dat een dergelijke beperking in het recht op het bijwonen van kerkdiensten is aan te merken als een daad van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

Hieraan doet niet af de verwijzing door verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 januari 2011 (LJN BP2541) waarin hij verwijst naar het arrest van 28 februari 2006 van het Europees Hof van de Rechten van de Mens waaruit kan worden afgeleid dat het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten niet verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat dezen hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragstaat waar om toelating is verzocht. Voornoemd arrest heeft betrekking op de beschermingsomvang van artikel 9 van het EVRM, terwijl eiser (primair) gemotiveerd heeft betoogd dat hij bij terugkeer naar Iran een vervolging vreest door de Iraanse autoriteiten in de zin van het Vluchtelingenverdrag en als bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het VV.

Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft aldus onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

8 Het bestreden besluit van 13 september 2010 is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

9 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak.

10 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.311,-- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 september 2010;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.311,--, die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, voorzitter, mrs. M.M.F. Holtrop en

G.F. van der Linden-Burgers, rechters, in aanwezigheid van mr. M.L.E.H. Niemeijer-van Dongen, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl).

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.