Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2870

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/4289
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Aftrek van voorbelasting. Proceskosten.

Eiseres houdt zich onder meer bezig met het ontwerpen en bouwen van pleziervaartuigen, de in- en verkoop daarvan en het uitvoeren van marketingactiviteiten voor derden. Enig aandeelhoudster van eiseres is A BV. In 2009 verkrijgt eiseres een belang in B BV van 33 1/3 procent. Eerder, in 2007, was A BV met B BV overeengekomen dat B BV een luxe snelvarend motorjacht zou bouwen en leveren. De uit deze overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen werden vervolgens overgedragen aan eiseres waarbij werd afgesproken dat eiseres het jacht de eerste twee jaar na de levering voor promotiedoeleinden in onderling overleg ter beschikking zou stellen aan B BV. Het jacht is in april 2008 opgeleverd. De bouwkosten bedroegen € 555.471, inclusief € 86.688 omzetbelasting. Eiseres heeft deze omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. Na een onderzoek stelt verweerder dat dit niet terecht was en legt hij eiseres een naheffingsaanslag op.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en of eiseres in aanmerking komt voor vergoeding van de werkelijke proceskosten.

De rechtbank oordeelt dat de aftrek van voorbelasting terecht is als eiseres, ten tijde van het in aftrek brengen, het voornemen had om met de exploitatie van het jacht zelfstandig economische activiteiten uit te oefenen en in verband daarmee (voorbereidende) werkzaamheden heeft verricht die zijn gericht op het duurzaam deelnemen aan het economische verkeer. Naar het oordeel van de rechtbank was dit het geval, omdat eiseres het jacht voor promotiedoeleinden om niet ter beschikking heeft gesteld aan B BV, het jacht nooit voor privédoeleinden is gebruikt en als prototype is tentoongesteld op beurzen en watersportevenementen. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat voor een integrale proceskostenvergoeding geen aanleiding is omdat geen sprake is van een situatie dat verweerder tegen beter weten in heeft beslist zoals hij heeft gedaan of in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0700
V-N Vandaag 2012/622
V-N 2012/18.17.10

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4289

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2011 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008. De naheffingsaanslag is groot € 87.491 en bij het opleggen van de naheffingsaanslag is bij beschikking € 2.949 heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2011 de naheffingsaanslag en de heffingsrente verminderd tot respectievelijk € 79.561 en € 2.681.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 11 mei 2001, ontvangen bij de rechtbank op 13 mei 2011, beroep ingesteld. Per faxbericht van 13 juli 2011 heeft eiseres het beroep gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft schriftelijk gerepliceerd. Verweerder heeft aan de rechtbank en eiseres bij brief van 4 oktober 2011 een pleitnota toegestuurd, die als ter zitting voorgedragen is beschouwd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2011 te Den Haag.

Namens eiseres is [A] verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder is [C] verschenen, bijgestaan door [D]. Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan aan de rechtbank en verweerder overgelegd.

Overwegingen

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

1. Eiseres is opgericht op 15 november 2007. De bedrijfsomschrijving van eiseres in het handelsregister van de Kamers van Koophandel luidt: Exploitatie handels- en productiebedrijf op nautisch gebied. Het ontwerpen en bouwen van (plezier)vaartuigen. De in- en verkoop van (plezier)vaartuigen. Het uitvoeren van marketing en PR-activiteiten voor derden". Enig aandeelhoudster van eiseres is [E] B.V. te [F]. Enig aandeelhouder van [E B.V.] is [G].

2. Bij overeenkomst van 20 september 2007 heeft [E B.V.] opdracht gegeven aan [H] B.V. te [I] voor het bouwen en leveren van een luxe snelvarend motorjacht van het type [type] met een lengte van ongeveer elf meter (hierna: het jacht). Op 31 december 2007 zijn de uit genoemde overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen overgedragen aan eiseres. Tot die overgedragen rechten en verplichtingen behoort de afspraak dat eiseres het jacht de eerste twee jaar na de levering voor promotiedoeleinden in onderling overleg ter beschikking zal stellen aan [H B.V.]. Het jacht is in april 2008 opgeleverd. De bouwkosten bedroegen € 555.471, inclusief € 86.688 omzetbelasting.

3. Op 14 januari 2009 hebben eiseres en [H B.V.] een samenwerkingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst van dienstverlening en het daarbij behorende addendum is

- kort samengevat - neergelegd dat [H B.V.] een beroep doet op de medewerking van eiseres voor de marketing en de verkoop van haar volledige productfolio. Eiseres verkrijgt hiertoe het exclusieve verkooprecht van het product- en dienstenaanbod van [H B.V.] en het mandaat voor het zelfstandig nemen van beslissingen ter bevordering van de verkoop. De overeenkomst bepaalt als startdatum van deze samenwerkingsovereenkomst 1 januari 2008. Op 10 april 2009 heeft eiseres een belang in [H B.V.] verkregen van 33 1/3 procent.

4. Eiseres heeft de ter zake van de bouw van het jacht in rekening gebrachte omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. Op 28 oktober 2008 is verweerder gestart met een onderzoek bij eiseres waarvan hij op 26 november 2009 het controlerapport heeft uitgebracht. Doel van dat onderzoek was onder meer het controleren van de juistheid van de in aftrek gebrachte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 30 september 2009. In het controlerapport, dat in kopie tot de gedingstukken behoort, is onder meer het volgende vermeld:

"2.5 Voorbelasting

Door [eiseres] is een overeenkomst met [H B.V.] aangegaan om een luxe plezierjacht te kopen. Op voet van artikel 15, lid 1 van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan uitsluitend een teruggaaf worden verleend, indien de aanschaf/investering toeziet op belastbare handelingen. Die belastbare activiteiten heeft [G] niet duidelijk kunnen maken.

Nu er geen belaste prestaties in de zin van de omzetbelasting met het motorjacht hebben plaatsgevonden, kwalificeert [eiseres] zich niet als ondernemer voor de omzetbelasting. Het directe gevolg is, dat er geen recht bestaat op de aftrek van voorbelasting. De geclaimde en terugontvangen voorbelasting zal als gevolg daarvan worden nageheven. Dat geldt zowel voor de omzetbelasting die drukt op de aanschaf van de boot als van de gemaakte kosten.

(...).

3

Correcties/Boete/Samenvatting

Correcties omzetbelasting

De naheffing over de gecontroleerde tijdvakken in de jaren 2008 en 2009 bedragen:

2008 € 87.492,--

2009 € 8.203,--"

5. Naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek heeft verweerder eiseres de onderhavige naheffingsaanslag met heffingsrente opgelegd. De naheffingsaanslag is gedagtekend 24 december 2009. Na daartegen door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerder de aanslag en de heffingsrente verminderd tot respectievelijk € 79.561 en € 2.681.

Geschil

6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of eiseres de omzetbelasting die haar in rekening is gebracht ter zake van de aankoop van het jacht (hierna: de investeringsbelasting) als voorbelasting in aftrek kan brengen. Verder is in geschil of eiseres in aanmerking komt voor een integrale vergoeding van proceskosten.

7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij de investeringsbelasting terecht als voorbelasting in aftrek heeft gebracht en dat de naheffingsaanslag daarom ten onrechte is opgelegd. Eiseres heeft daarvoor - kort weergegeven - aangevoerd dat het jacht is gebruikt in het kader van haar economische activiteiten, namelijk het drijven van een nautische onderneming, gericht op de ontwikkeling en verkoop van snelvarende jachten. Het jacht is een prototype van een nieuw model en is aangekocht om het als zodanig te presenteren op watersportevenementen en voor het maken van proefvaarten met potentiële kopers.

8. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente.

9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat eiseres geen recht heeft op aftrek van de investeringsbelasting. Verweerder heeft daarvoor - kort weergegeven - aangevoerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat met het jacht activiteiten zijn verricht waarmee een economisch belang gemoeid is. Eiseres trad niet naar buiten toe op als verkoopster van het jacht want zij heeft het jacht om niet ter beschikking gesteld aan [H B.V.]. De activiteiten die met het jacht zijn uitgevoerd waren ook voor rekening en risico van [H B.V.].

10. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

11. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) is ondernemer ieder die een bedrijf zelfstandig uitoefent. De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn arrest van 15 december 2006, nr. 42 506, LJN: AZ4418, geoordeeld dat de Nederlandse wetgever aan het in artikel 7 van de Wet OB gebezigde begrip bedrijf geen andere betekenis heeft willen toekennen dan toekomt aan het begrip economische activiteit zoals gehanteerd in artikel 4 van de Zesde richtlijn, thans artikel 9 van de BTW-richtlijn. Volgens het tweede lid van laatstgenoemd artikel omvat het begrip economische activiteit alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter. Daaronder zijn begrepen (voorbereidende) werkzaamheden die zijn gericht op een duurzaam deelnemen aan het economische verkeer dan wel werkzaamheden die worden verricht ter zake van de beëindiging van een onderneming. De (winst-)doelstelling of de resultaten van de handelingen of werkzaamheden als zodanig zijn niet relevant voor het aanmerken als belastingplichtige.

12. Met inachtneming van wat is overwogen in 11 kan de investeringsbelasting als voorbelasting in aftrek worden gebracht indien het jacht is aangeschaft in het kader van de uitoefening van een onderneming, oftewel voor het ontplooien van economische activiteiten. Daarvan is sprake, indien door objectieve gegevens wordt ondersteund dat eiseres, ten tijde van het in aftrek brengen van de investeringsbelasting, het voornemen had om met de exploitatie van het jacht zelfstandig economische activiteiten uit te oefenen en in verband daarmee (voorbereidende) werkzaamheden heeft verricht die zijn gericht op het duurzaam deelnemen aan het economische verkeer.

13. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de activiteiten zoals die zijn omschreven in de bedrijfsomschrijving van eiseres aan te merken als commerciële activiteiten, oftewel als ondernemingsactiviteiten, in de zin van en de Zesde richtlijn en de Wet OB. Voor de vraag in hoeverre eiseres met de aanschaf en exploitatie van het jacht die activiteiten ook daadwerkelijk heeft uitgevoerd overweegt de rechtbank het volgende.

Eiseres heeft aangevoerd dat het jacht nooit voor privédoeleinden is gebruikt. Eiseres heeft deze stelling gestaafd met een kopie van een logboek dat zij van het gebruik van het jacht heeft bijgehouden. Verder heeft eiseres kopieën van reclamemateriaal overgelegd waarin de technische kwaliteiten en de luxueuze uitvoering van het jacht worden benadrukt en in beeld gebracht. Ter onderbouwing van haar stelling dat het jacht een prototype is en als zodanig is tentoongesteld op beurzen en watersportevenementen, heeft eiseres aangevoerd dat zij het jacht met korting op de aanschaffingsprijs heeft gekocht en dat zij het jacht in het kader van haar bemiddelingsactiviteiten voor [H B.V.] voor promotiedoeleinden om niet ter beschikking heeft gesteld aan [H B.V.]. Naar aanleiding van opmerkingen van bezoekers van de beurzen en watersportevenementen en potentiële kopers hebben aanpassingen van het interieur van het jacht plaatsgevonden. Verder heeft eiseres een kopie overgelegd van een nota waarmee zij aan [H B.V.] verkoopprovisie in rekening heeft gebracht inzake de verkoop van een boot van hetzelfde type als het jacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met het voorgaande aannemelijk gemaakt dat het jacht is aangeschaft en gebruikt met het oog op de verkoop van soortgelijke jachten en het verlenen van daartoe strekkende bemiddelingsdiensten, welke activiteiten zijn aan te merken als werkzaamheden van een dienstverrichter en als voorbereidende werkzaamheden die zijn gericht op een duurzaam deelnemen aan het economische verkeer. Dat, zoals uit de gedingstukken naar voren komt, de activiteiten tot op heden niet erg succesvol zijn, maakt dit niet anders, omdat de resultaten van de handelingen of werkzaamheden als zodanig niet relevant zijn voor het aanmerken als belastingplichtige. Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres als ondernemer in de zin van de Wet OB moet worden aangemerkt en de investeringsbelasting terecht als voorbelasting in aftrek heeft gebracht. De naheffingsaanslag is daarom ten onrechte opgelegd.

14. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

15. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten voor de bezwaarfase komen niet voor vergoeding in aanmerking, nu daarom in de bezwaarfase niet is verzocht. Voor een integrale kostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een situatie dat verweerder tegen beter weten in heeft beslist zoals hij heeft gedaan en is evenmin sprake van een situatie dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. De rechtbank stelt de kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, op forfaitaire wijze vast op € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, een half punt voor de conclusie van repliek, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder de proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 302 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Obbink-Reijngoud, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.