Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2711

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-01-2011
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
AWB 10/6825 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing bewonersparkeervergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/6825 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[eiser], wonende te [plaats], eiser,

gemachtigde mr. M.E. Jendsen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 12 april 2010 heeft verweerder eisers aanvraag om een bewonersparkeervergunning voor het belanghebbendenparkeergebied “[gebied]” afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 23 april 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 september 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 14 december 2010 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. M.E. Jendsen.

Verweerder is niet verschenen.

II OVERWEGINGEN

1 Ingevolge artikel 1.4 van de Beleidsregels Parkeervergunningen is het aantal te verlenen bewonersvergunningen gelijk aan het aantal voertuigen waarvan de aanvrager eigenaar of houder is, met dien verstande dat het aantal te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein.

Ingevolge artikel 7.1. van de beleidsregels wordt onder een parkeerplaats op eigen terrein (POET) verstaan een parkeerplaats (op een eigen terrein of in een garage):

1. waarover de aanvrager kan beschikken (op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving en dergelijke), of

2. welke de aanvrager kan huren in een garage of op een open perceel grond welke (volgens een raadsbesluit, een bouwvergunning, een erfpachts- of splitsingsakte, of een huur- of koopovereenkomst) bestemd is voor de woning van de aanvrager, of

3. die vermeld staat in het namens burgemeester en wethouders door het hoofd Parkeren vastgestelde overzicht van POET-plaatsen dat ter inzage ligt bij de afdeling Parkeren.

2 Verweerder heeft de aanvraag om een parkeervergunning geweigerd omdat eiser kan beschikken over een parkeerplaats in de parkeergarage op locatie [a-laan]. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de weigering op deze grond gehandhaafd.

3 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij niet beschikt over een parkeerplaats op eigen terrein, nu niet in een bouwvergunning, huur- of koopovereenkomst of erfpachtvoorwaarden is vastgelegd dat een parkeerplaats in een complex is bedoeld voor zijn adres.

Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Niet valt in te zien waarom de bewoners van de [straat] [nummer], [nummer], [nummer], [nummer] en [nummer] wel een bewonersparkeervergunning is verleend.

Eiser stelt voorts dat hij de maandelijkse kosten voor de parkeergarage niet kan betalen en dat hij om moet rijden om de garage te bereiken, hetgeen hem veel tijd en benzine kost. Tenslotte heeft eiser van de bewoners die in de garage hun auto parkeren gehoord dat aldaar geparkeerde auto’s vaak worden vernield.

4 De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval dient te worden beoordeeld of eiser een parkeerplaats kan huren in een garage die voor zijn woning bestemd is.

Eiser woont in de [straat] op nummer [nummer] en uit de stukken komt naar voren dat achter zijn woning een parkeergarage is gelegen, waarvan de ingang zich bevindt in de

[a-laan]. Hoewel vergunning is verleend voor deze parkeergarage en 42 woningen, waaronder die van eiser, in dezelfde bouwvergunning, blijkt hieruit niet dat deze garage uitsluitend of bij voorkeur is bestemd voor de bewoners van de in die vergunning genoemde woningen. Het enkele feit dat er één bouwvergunning is afgegeven voor de woningen en de garage tezamen is onvoldoende voor een dergelijke conclusie. Door verweerder is niet aannemelijk gemaakt dat de bewoners van deze woningen bijzondere aanspraken kunnen doen gelden op een plaats in de parkeergarage. Eiser heeft in dit verband ter zitting aangegeven dat er meer woningen zijn gebouwd dan dat er parkeerplaatsen zijn en dat ook anderen een parkeerplaats kunnen huren.

Het bestreden besluit berust in dit verband niet op een deugdelijke motivering.

Ten aanzien van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt de rechtbank het volgende. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen valt inderdaad niet in te zien waarom sommige overburen van eiser - die zelfs dichter bij bedoelde parkeergarage wonen dan eiser - wél een parkeervergunning hebben (waarmee zij parkeren aan de straatkant waar eiser woont). Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt.

5 Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 26 augustus 2010;

3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen;

4 bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten

€ 150,-, vergoedt;

5 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van

€ 874,-, welke kosten verweerder aan eiser dient te vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. J.D.G.J. Dop, in tegenwoordigheid van de griffier

C.A.Y. Morison-Libourel.

Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.