Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2011
Datum publicatie
02-02-2012
Zaaknummer
383535 - JE RK 10-3602
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing. De machtiging wordt verleend, maar niet voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bureau Jeugdzorg en de hulpverleners van de vader staan lijnrecht tegenover elkaar wat betreft de mogelijkheden of de minderjarige nog teruggeplaatst kan worden naar de ouders. De rechtbank hecht de meeste waarde aan de bevindingen van de hulpverleners van de vader. Daarbij wordt overwogen dat deze hulpverleners het meeste contact hebben (gehad) met de ouders. Daarnaast werkt De Waag en dus ook de getuige-deskundige van De Waag op basis van een wetenschappelijk onderbouwd model, het zogenaamde signs of safety-model. Van belang ook is dat door De Waag is gewerkt met een interdisciplinair team, en dit betekent dat verschillende specialisten met elkaar hebben samengewerkt en uiteindelijk hebben geconcludeerd dat terugplaatsing naar de ouders op termijn mogelijk moet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer

Rekestnummer: JE RK 10-3602

Zaaknummer: 383535

Datum beschikking: 21 februari 2011

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 22 december 2010 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging [vestiging]

(verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats];

kind uit het huwelijk van:

[vader],

de vader,

en

[moeder],

de moeder,

beiden wonende te [adres],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

In deze procedure wordt tevens als belanghebbende aangemerkt:

[pleegvader] (verder: de pleegvader), wonende op een geheim adres.

De minderjarige verblijft feitelijk bij de pleegvader.

Procedure

Bij tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 21 januari 2011 is de ondertoezichtstelling van de minderjarige verlengd van 10 februari 2011 tot 10 februari 2012 en is de machtiging uithuisplaatsing verlengd van 10 februari 2011 tot 8 maart 2011 en is dit verzoek voor het overige aangehouden. De kinderrechter heeft hierbij overwogen, voorzover relevant:

(...) De minderjarige is twee jaren geleden uit huis geplaatst wegens een serieuze verdenking dat zij is mishandeld. De vader heeft in maart 2010 hierover een bekennende verklaring afgelegd. In het afgelopen jaar is gewerkt aan het vergroten van de pedagogische vaardigheden van de ouders en is verder gekeken naar hoe de omgang verloopt. Op dit moment vindt er nog geen onbegeleide omgang plaats. Een onmiddellijke terugplaatsing van de minderjarige naar de ouders acht de kinderrechter daarom geen reële mogelijkheid. De machtiging zal dan ook worden verleend.(...)

Er is een verschil van mening tussen Bureau Jeugdzorg enerzijds en de begeleider van de vader van de Waag anderzijds of terugplaatsing van de minderjarige nog aan de orde is. Ook de reclasseringsbegeleider van de vader is positief over de vader. De kinderrechter is van oordeel dat dit verschil in inzichten nader onderzocht moet worden. De behandeling van het verzoek zal dan ook worden aangehouden en de begeleider van de Waag zal voor de volgende zitting worden uitgenodigd om zijn standpunt nader toe te lichten. (...)

Ter bevordering van de zorgvuldigheid, vanwege de complexiteit van de zaak en gezien de eventuele verstrekkende beslissingen die genomen kunnen worden, ziet de kinderrechter aanleiding de zaak te verwijzen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft (wederom) kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:

- een brief, met als bijlagen producties 9 en 10 van de advocaat d.d. 11 februari 2011;

- een faxbericht, met bijlagen, van Bureau Jeugdzorg d.d. 16 februari 2011.

Op 17 februari 2011 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw [oude gezinsvoogd] (de oude gezinsvoogd), mevrouw [huidige gezinsvoogd] (de huidige gezinsvoogd) en mevrouw [gedragswetenschapper] (de gedragswetenschapper), namens Bureau Jeugdzorg;

- mevrouw [pleegzorgbegeleider], de pleegzorgbegeleider, namens de Stichting Jeugdformaat;

- de ouders, bijgestaan door hun advocaat, mr. A.A.M. Zeeman;

- de pleegvader;

- de heer [getuige-deskundige], namens De Waag, als getuige-deskundige;

- mevrouw [getuige-deskundige], namens Reclassering Nederland, als getuige-deskundige.

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Beoordeling

Het standpunt van Bureau Jeugdzorg

Mevrouw [oude gezinsvoogd] heeft naar de vorige beschikking verwezen voor het uitgebreide standpunt van Bureau Jeugdzorg. Voorts heeft zij opgemerkt dat de ouders te weinig pedagogische vaardigheden hebben, te weinig leerbaar zijn gebleken ondanks de vele en intensieve begeleiding die zij sinds februari 2008 hebben gekregen. Ook bagatelliseren de ouders de problemen die er zijn. Zij heeft daarnaast aangegeven dat het ontbreekt aan een goede samenwerking met de ouders en dat in het psychologisch onderzoek van 6 juli 2010 over de vader zorgelijke conclusies zijn getrokken met betrekking tot zijn persoonlijkheid. Tevens zijn er zorgen over hoe de ouders optreden in bijzijn van de minderjarige en over hoe de minderjarige zich gedraagt. Mevrouw [oude gezinsvoogd] is ook van mening dat het netwerk geen stabiele factor is waar rekening gehouden mee kan worden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat tot voor kort er grote spanningen waren met de grootouders, dat familieleden eerst niet bereid waren de ouders te ondersteunen en dat de vraag is of familieleden zorgen over de ouders en de minderjarige bij de hulpverlening zullen melden. Over het verschil in inzicht tussen Bureau Jeugdzorg en De Waag heeft mevrouw [oude gezinsvoogd] verklaard dat De Waag vooral op de ontwikkeling van de ouders let, terwijl Bureau Jeugdzorg vooral kijkt naar hoe de minderjarige op de ouders reageert. Daarbij is Bureau Jeugdzorg van mening, anders dan De Waag, dat de ouders onvoldoende leerbaar zijn gebleken. Dat is ook de grootste zorg die Bureau Jeugdzorg heeft. Wel acht Bureau Jeugdzorg de moeder wellicht in de toekomst, met de juiste begeleiding, in staat om voor de minderjarige te zorgen. Risico is dat de moeder niet (tijdig) aangeeft als de vader weer de fout in zou gaan met betrekking tot de verzorging van de minderjarige.

Mevrouw [gedragswetenschapper] heeft naar voren gebracht dat zij, als gedragswetenschapper, vooral kijkt naar hoe de minderjarige zich ontwikkelt. De minderjarige wordt bijna drie jaar en komt dus in de koppigheidsfase. Dit betekent dat de minderjarige een groot beroep zal doen op het begrip, het inlevingsvermogen en de sensitiviteit van de ouders. Bureau Jeugdzorg heeft dit te weinig gezien bij de ouders. De ouders hebben te weinig inzicht en de vraag rijst dan ook hoe zij zullen reageren indien de minderjarige onverwacht gedrag vertoont.

Het standpunt van de ouders

De vader heeft aangegeven dat hij is veroordeeld voor de mishandeling van de minderjarige tot een werkstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarde dat hij moet luisteren naar de aanwijzingen van de Reclassering en zich moet laten behandelen door De Waag. Hij wordt nu al 2 jaren door De Waag behandeld en gaat daar één maal per week naar toe met de moeder. Over de omgangsmomenten met de minderjarige heeft de vader meegedeeld dat tijdens de bezoeken de ouders veel moeten laten zien omdat verschillende hulpverleners/begeleiders verschillende vaardigheden willen zien. Tevens is hij van mening dat de minderjarige steeds meer naar hem toetrekt en dat zij goed op hem reageert.

De moeder heeft verklaard dat zij zeker in staat is de hulpverlening in te schakelen indien er iets mis gaat tussen de minderjarige en de vader. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de vader erg veranderd is en dat zij nu veel meer met elkaar praten. Zij vindt het vervelend dat steeds wordt teruggegrepen naar de mishandeling door de vader. De moeder wil er garant voor staan dat zij hulp zal inschakelen indien het verkeerd loopt tussen de vader en de minderjarige. De beide families kunnen daarbij ook helpen. Voorts heeft de moeder opgemerkt dat zij niet in de gaten heeft gehad dat de minderjarige breuken had. Ook achteraf gezien heeft zij geen signalen gemist die daarop wezen. Daarnaast hebben anderen evenmin blauwe plekken gezien bij de minderjarige. De moeder heeft ook aangegeven dat De Waag niet slechts naar de belangen van de ouders kijkt, maar ook naar die van de minderjarige. De ouders filmen de bezoeken die zij hebben met de minderjarige en bespreken de bezoeken vervolgens met De Waag. Er wordt niet geknipt in de film. Het is niet zo vreemd dat de ouders - zoals de gedragswetenschapper zegt - enkele vaardigheden missen. De minderjarige is immers al snel uit huis geplaatst. Zij proberen de vaardigheden zich eigen te maken door boeken te lezen, op internet te kijken en te praten met familie, aldus de moeder.

De advocaat heeft aangegeven dat het hoofddoel van een machtiging uithuisplaatsing, terugplaatsing naar huis is. Zij vindt het niet relevant waarom de moeder blauwe plekken en breuken niet heeft gezien. Ook het consultatiebureau heeft deze niet opgemerkt. Het gaat erom hoe het nu met de minderjarige gaat. Ondanks dat de ouders hard hebben gewerkt om terugplaatsing voor elkaar te krijgen, heeft Bureau Jeugdzorg twijfels over de ouders. Deze zijn vooral gebaseerd op het rapport van Bullens, dat evenwel dateert van de zomer van 2010. Sindsdien is er veel begeleiding geweest en is veel veranderd, aldus de advocaat. Zij heeft voorts aangevoerd dat volgens [getuige-deskundige van De Waag] de ouders niet snel, maar wel voldoende leren om voor de minderjarige te kunnen zorgen. Hij kent de ouders het beste. Bureau Jeugdzorg en Jeugdformaat niet, omdat zij weinig contact hebben met de ouders en ook regelmatig andere hulpverleners sturen. Daarnaast is de vader open naar de Reclassering toe, zijn de families bereid om te helpen en willen de ouders verdere hulpverlening aanvaarden. De ouders begrijpen dat de minderjarige niet ogenblikkelijk terug kan worden geplaatst, maar er dient aan terugplaatsing te worden gewerkt.

Het standpunt van de pleegvader

De pleegvader heeft verklaard dat na de laatste bezoeken van de ouders de minderjarige een halve dag opstandig is geweest. Hij merkt dat de minderjarige last begint te krijgen van wat er momenteel speelt. Zij vraagt heel veel aandacht.

Het standpunt van de getuige-deskundigen

De heer [getuige-deskundige van De Waag] heeft medegedeeld dat de vader sinds 2 jaar bij hem in de behandeling is. Er wordt gewerkt met het signs of safety-model, dat uit Verenigde Staten afkomstig is en evidence based. Omdat er sprake is van kindermishandeling wordt er gekeken naar zowel de vader als de minderjarige, waarbij wordt bekeken wat het gevaar in het verleden was, maar ook wat er thans goed gaat. Hij is van mening dat de ouders voldoende vaardigheden hebben om de minderjarige langzaam terug te gaan plaatsen. Instellingen en anderen in de buurt kunnen de ontwikkeling van de minderjarige in de gaten houden en eventueel ingrijpen. Ook heeft de heer [getuige-deskundige van De Waag] zich op het standpunt gesteld dat de kans op recidive van de vader aanvaardbaar laag is omdat de vader zich vaardigheden eigen heeft gemaakt om met frustratie om te gaan. Hij verwacht dat de behandeling nog een jaar zal duren. Over het bekijken van de films van contactmomenten tussen de ouders en de minderjarige heeft hij opgemerkt dat hij niet alles heeft gezien, maar ongeveer een kwartier van de twee uur dat een omgangsmoment duurt. Daarbij wordt soms de film gewoon aangezet en soms wordt er een bepaald fragment opgezocht. De heer [getuige-deskundige van De Waag] heeft nooit een contactmoment in persoon geobserveerd.

Mevrouw [getuige-deskundige Reclassering] heeft verklaard dat zij sinds april 2010 de reclasseringsbegeleider van de vader is. Onderdeel van de begeleiding is dat wordt gekeken naar het recidivegevaar. Zij is van mening dat de vader veel opener is geworden. Hij praat veel over zijn gevoel en als hij met zaken zit dan vertelt hij dat of stelt hij vragen. Hierdoor - en gelet op hetgeen [getuige-deskundige van De Waag] heeft aangegeven - is zij van mening dat het recidivegevaar is verkleind. Voorts heeft zij verklaard dat, indien de minderjarige wordt teruggeplaatst, de Reclassering een andere behandeling zal inzetten. Gezien de verstandelijke beperking van de vader zal hulpverlening van de Stichting MEE en van de Compaan worden ingezet.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing nog aanwezig zijn. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Twee jaar geleden is de minderjarige uit huis geplaatst omdat er een verdenking was dat zij was mishandeld. De vader heeft begin 2010 een bekennende verklaring afgelegd en is recent door de strafrechter hiervoor veroordeeld. De vader heeft - eerst in het kader van de schorsende voorwaarden van de voorlopige hechtenis, thans als bijzondere voorwaarde bij zijn voorwaardelijke straf - hulpverlening opgelegd gekregen om zo het recidivegevaar tegen te gaan. Ook hebben de ouders ambulante hulverlening gekregen van Bureau Jeugdzorg om hun pedagogische kwaliteiten te vergroten. Daarnaast zijn er diverse omgangsmomenten geweest tussen de ouders en de minderjarige. Onbegeleide omgang is stop gezet zodat momenteel er alleen begeleide omgang is. Wat bij de vorige zitting gold, geldt nu nog steeds: nu er geen onbegeleide omgang is, is ogenblikkelijke terugplaatsing van de minderjarige naar de ouders niet aan de orde. De machtiging zal dan ook worden verleend.

De machtiging zal echter niet worden verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling. De rechtbank overweegt hierover dat Bureau Jeugdzorg en de hulpverleners van de vader lijnrecht tegenover elkaar staan wat betreft de mogelijkheden of de minderjarige nog teruggeplaatst kan worden naar de ouders. Bureau Jeugdzorg is van mening dat de ouders te weinig leerbaar zijn gebleken; zij maken zich de opvoedvaardigheden onvoldoende eigen ondanks de langdurige hulpverlening. [getuige-deskundige van De Waag] - en De Waag met hem - stelt zich op het standpunt dat de ouders weliswaar langzamer zijn dan gemiddeld bij het aanleren van de vaardigheden, maar dat zij voldoende pedagogische kwaliteiten hebben om op termijn - met passende hulpverlening - voor de minderjarige te gaan zorgen. Tevens schat [getuige-deskundige van De Waag] de kans op recidive van de vader aanvaardbaar laag. [getuige-deskundige Reclassering] heeft verklaard dat de vader veel opener is dan voorheen en dat zij hierdoor, mede lettende op wat [getuige-deskundige van De Waag] heeft verklaard, het recidivegevaar verkleind acht.

De rechtbank hecht de meeste waarde aan de bevindingen van [getuige-deskundige van De Waag], welke worden gedragen door [getuige-deskundige Reclassering]. Daarbij wordt overwogen dat deze hulpverleners het meeste contact hebben (gehad) met de ouders. Daarnaast werkt De Waag en dus ook [getuige-deskundige van De Waag] op basis van een wetenschappelijk onderbouwd model, het zogenaamde signs of safety-model. Van belang ook is dat door De Waag is gewerkt met een interdisciplinair team, en dit betekent dat verschillende specialisten met elkaar hebben samengewerkt en uiteindelijk hebben geconcludeerd dat terugplaatsing naar de ouders op termijn mogelijk moet zijn.

De komende maanden dient teruggewerkt te worden aan terugplaatsing van de minderjarige door middel van uitbreiding van de omgangsmomenten, waarbij ook weer onbegeleid contact moet plaatsvinden en waarbij de minderjarige natuurlijke contactmomenten met de ouders, zoals maaltijden, moet hebben. Ook is het de bedoeling dat de minderjarige uiteindelijk bij de ouders zal gaan slapen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden verleende machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 8 maart 2011 tot 8 december 2011, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 20 december 2011;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Dam, voorzitter, H.A.G. Nijman

en H. Dragtsma, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2011,

in tegenwoordigheid van mr. Y.D. David als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te 's-Gravenhage.