Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV2190

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-12-2011
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
10/24828
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op de informatie in het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van januari 2010, de UNHCR Eligibility Guidelines van april 2009 en het rapport van Human Rights Watch van augustus 2009 kan verweerder zonder nadere motivering niet worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak vanwege zijn seksuele geaardheid voor vervolging te vrezen heeft dan wel dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Uit het vorenstaande volgt dat eiser alleen maar veilig naar Irak kan terugkeren als hij zijn homoseksuele geaardheid verborgen houdt. Naar het oordeel van de rechtbank kan van niemand verlangd worden dat hij zijn seksuele geaardheid, een wezenlijk onderdeel van iemands identiteit, verborgen houdt. Overigens is dit ook in verweerders beleid in C2/2.10.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) opgenomen.

Verweerders standpunt ter zitting, dat eiser als homoseksueel weliswaar tot een risicogroep behoort, maar hij met bijkomende individuele kenmerken aannemelijk dient te maken dat hij bij terugkeer voor vervolging te vrezen heeft dan wel een risico loopt op een behandeling als verboden in artikel 3 EVRM, volgt de rechtbank niet. Verwezen wordt naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (AB 2007, 76) van 28 februari 2008 in zaak nr. 37201/06, Saadi tegen Italie (JV 2008/131) en van 17 juli 2008 in zaak nr 25904/07, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329). Uit die jurisprudentie volgt onder meer dat aan het deel uitmaken van een groep, waarvan de leden systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling, doorslaggevende betekenis kan toekomen. Uit de hierboven weergegeven informatie blijkt dat homoseksuelen in een dermate kwetsbare positie verkeren dat degenen die tot die groep behoren enkel vanwege hun seksuele geaardheid doelwit zijn van ernstige mensenrechtenschendingen en dat zij daartegen geen bescherming kunnen krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 24828

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 december 2010

in de zaak van:

[eiser]

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. T. Pondaag, advocaat te Wageningen,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Belevska, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 26 januari 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 juni 2010, verzonden op 15 juni 2010, afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 12 juli 2010 beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 november 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Hij is afkomstig uit [plaatsnaam] en heeft zijn land verlaten vanwege problemen die voortvloeien uit zijn homoseksualiteit. Eiser vreest bij terugkeer naar Irak te worden gedood of levenslang te worden opgesloten door de islamitische partij. Voorts is eiser in het leger werkzaam geweest voor de Amerikanen.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden.

Eiser heeft onjuiste en onvolledige informatie verstrekt over zijn directe leefomgeving in Irak. Vanwege het aantal vragen omtrent zijn herkomst die eiser niet correct wist te beantwoorden is ervoor gekozen een taalanalyse te laten uitvoeren. Hieruit is gebleken dat eiser niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen [plaatsnaam]. Daarnaast is gebleken dat eiser niet het Arabisch van [plaatsnaam] spreekt. De uitkomst van de door eiser opgestarte contra-expertise komt overeen met de taalanalyse op het punt dat eiser niet te herleiden is tot [plaatsnaam]. Er bestaat geen bewijs dat eiser afkomstig is uit de regio [plaatsnaam]. Voorts wordt gesteld dat eiser geen van de specifieke kenmerken van het [dialect] dialect in zijn spraak vertoont. Eiser is weliswaar in het bezit van een echt bevonden nationale identiteitskaart en nationaliteitsverklaring -waarop is aangegeven dat eiser geboren is in [plaatsnaam]-, maar uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Irak van januari 2010 (hierna: het ambtsbericht) blijkt dat op eenvoudige wijze illegaal Iraakse documenten verkregen kunnen worden. Het is niet geloofwaardig dat eiser afkomstig is uit [plaatsnaam] en daar zijn hele leven heeft verbleven. Dientengevolge is het niet aannemelijk dat eiser de gestelde problemen in [plaatsnaam] heeft ondervonden. Deze worden ongeloofwaardig geacht. De enkele omstandigheid dat eiser homoseksueel is in Irak, is onvoldoende om in aanmerking te komen voor het vluchtelingenschap.

Eiser behoort tot een kwetsbare minderheidgroep in Irak, maar hij heeft, gelet op het ongeloofwaardig bevonden relaas, niet aannemelijk gemaakt dat hij een risico loopt als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.3 In beroep voert eiser hier in de eerste plaats tegen aan dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd nu niet inzichtelijk wat eiser onjuist heeft verklaard over zijn woon- en leefomgeving dan wel waarom de door eiser verstrekte informatie onvolledig is.

2.4 De rechtbank volgt eiser hierin. In het bestreden besluit heeft verweerder volstaan met de stelling dat eiser onjuiste verklaringen over de woon- en leefomgeving heeft afgelegd zonder aan te geven welke vragen onjuist dan wel onvolledig beantwoord zijn. Dit ontneemt eiser de mogelijkheid zich daartegen te verweren.

2.5 Het vorenstaande is echter onvoldoende om het bestreden besluit wegens een motiveringsgebrek te vernietigen. Het laat immers onverlet dat er kennelijk bij verweerder twijfels waren gerezen over de herkomst van eiser, waardoor het in de rede lag, gelet op het gevoerde beleid, van eiser een taalanalyse af te laten nemen.

2.6 Eiser is vervolgens onderworpen aan een taalanalyse, welke op 12 maart 2009 door het Bureau Land en Taal is uitgevoerd. In het rapport van Bureau Land en Taal is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Centraal-Irak, regio [plaatsnaam]. In het rapport is voorts opgemerkt dat op grond van zijn Arabische spraak is aan te nemen dat niet Arabisch, maar een vorm van Koerdisch eisers eerste en dominante taal is. Het is daarom niet aannemelijk dat de vreemdeling van Arabische afkomst is. Voorts is in het rapport van taalanalyse opgemerkt dat op grond van de gestelde herkomst en achtergrond van de vreemdeling redelijkerwijs mag worden verwacht dat hij in staat is het Arabisch van [plaatsnaam] te spreken, het zogenaamde [dialect]. Hij spreekt echter niet het Arabisch van [plaatsnaam], maar het zogenaamde “Bagdad-Arabisch”.

2.7 Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak met nummer 200709106/1) komt verweerder, in het geval aan de gestelde identiteit en nationaliteit twijfel is gerezen, door een taalanalyse te laten uitvoeren de desbetreffende vreemdeling tegemoet bij de voldoening aan de op hem rustende verplichting om hetgeen aan zijn aanvraag ten grondslag is gelegd aannemelijk te maken. Wanneer de taalanalyse deze twijfel niet wegneemt, kan de desbetreffende vreemdeling deze door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Het enkele plaatsen van kritische kanttekeningen is onvoldoende om aan de juistheid en volledigheid van de analyse van het Bureau Land en Taal, dat wordt aangemerkt als een deskundigenbericht, te twijfelen.

2.8 Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat de conclusie uit de taalanalyse, dat eiser op grond van zijn Arabisch niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen [plaatsnaam] in Irak, te vergaand is. Verwezen is naar het rapport van contra-expertise, waar volgens eiser uit volgt dat het waar kan zijn dat hij is opgegroeid in een gemengd Arabisch/Koerdisch gezin in een subwijk van [plaatsnaam]. Er kan weliswaar worden geconcludeerd dat eiser niet behoort tot de autochtone [dialect] sprekers, maar dat sluit niet uit dat eiser geboren en getogen is in [plaatsnaam].

2.9 De rechtbank is van oordeel dat eiser met het door hem overgelegde rapport van contra-expertise geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen voor twijfel aan de juistheid van het rapport van Bureau Land en Taal, voor zover daarin is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Centraal-Irak, regio [plaatsnaam]. De conclusie van de contra-expert van de Taalstudio luidt dat eiser zeker uit Irak komt, maar er geen bewijs is voor zijn herkomst uit [plaatsnaam]. Hoewel de contra-expert niet de conclusie deelt van de taalanalist van Bureau Land en Taal dat eisers eerste taal het Koerdisch is, kan hij zich verder in de conclusies van die taalanalist vinden. Dat de contra-expert niet uitsluit dat eiser is opgegroeid in een gemengd Arabisch-Koerdische familie in een buitenwijk van [plaatsnaam], is onvoldoende om aan de eindconclusie van Bureau Land en Taal af te doen. Hetzelfde geldt voor de door eiser overgelegde documenten, waaronder een woonregistratiekaart. Verweerder heeft in dit verband kunnen verwijzen naar het ambtsbericht van januari 2010, waaruit blijkt dat het betrekkelijk eenvoudig is illegaal documenten te verkrijgen.

2.10 Eiser heeft naar het oordeel wel met het rapport van contra-expertise een concreet aanknopingspunt voor twijfel aangedragen voor de juistheid van de opmerking in het rapport van de taalanalist van Bureau Land en Taal, dat op grond van zijn Arabische spraak is aan te nemen dat niet Arabisch, maar een vorm van Koerdisch eisers eerste en dominante taal is. Door de contra-expert is in diens rapport onder het kopje: “Evaluation of the language analysis report” uiteengezet en toegelicht dat hij het niet eens is met de conclusie van de taalanalist dat het Koerdisch de eerste taal van eiser is, enerzijds omdat het Arabisch van eiser “native or near-native” is en anderzijds heel weinig gegevens met betrekking tot het Koerdisch voorliggen om de mate van eisers vaardigheid in het Koerdisch te kunnen beoordelen. Door Bureau Land en Taal is dit in de reactie op de contra-expertise van 25 november 2009 niet weersproken.

2.11 Dit laatste neemt niet weg dat verweerder, gelet op hetgeen onder 2.9 is overwogen, mocht uitgaan van de conclusie van de taalanalyse en daarom eisers relaas, voor zover samenhangend met zijn gestelde afkomst uit [plaatsnaam], ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

2.12 Eiser heeft in beroep verder gesteld dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling verboden bij artikel 3 EVRM. Hij heeft daarbij verwezen naar de UNHCR Eligibility Guidelines van 27 april 2009 en het ambtsbericht van 29 januari 2010. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser nog verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo, van 6 november 2009 (AWB 09/38377 en AWB 09/38375) en naar een uitspraak van het Supreme Court van het Verenigd Koninkrijk van 7 juli 2010. Eiser stelt dat verweerder hierop onvoldoende is ingegaan.

2.13 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, zoals toegelicht ter zitting, op het standpunt gesteld dat eiser als homoseksueel weliswaar behoort tot een risicogroep, maar dat het ambtsbericht van januari 2010 en de UNHCR Eligibility Guidelines, waarnaar eiser heeft verwezen, niet tot de conclusie kunnen leiden dat hij enkel vanwege zijn seksuele geaardheid voor vervolging te vrezen heeft dan wel een reëel risico loopt op een bij artikel 3 EVRM verboden behandeling. Eiser heeft dat niet met bijkomende individuele kenmerken aannemelijk gemaakt. Zijn asielrelaas is immers ongeloofwaardig bevonden.

2.14 In het ambtsbericht van januari 2010 is met betrekking tot de positie van homoseksuele mannen en vrouwen het volgende opgenomen:

Er rust een sociaal taboe op homoseksualiteit in Irak. Over het algemeen wordt homoseksualiteit verborgen gehouden voor de omgeving, aangezien de eer van de familie bij openbaarmaking zou worden aangetast. Men staat over het algemeen afwijzend tegenover homoseksualiteit, indien men er openlijk mee wordt geconfronteerd. Het is mogelijk dat, daar waar homoseksuele geaardheid wordt vermoed, de betrokkene in een sociaal isolement geraakt, bijvoorbeeld doordat deze beschimpt, vernederd of gemeden wordt. Homoseksuelen hebben net als andere groepen ernstig te lijden onder de gebrekkige veiligheidssituatie, relatieve straffeloosheid en lokaal toenemende invloed van conservatieve islamitische stromingen in Irak. Er was gedurende de verslagperiode ook sprake van gerichte discriminatie en geweldplegingen jegens personen vanwege hun (vermeende) seksuele geaardheid. Het betrof hier zowel eergerelateerd geweld door directe familieleden als geweldplegingen door fundamentalistische gewapende groeperingen, die gericht homoseksuelen opsporen en aanvallen, mishandelen en in sommige gevallen vermoorden. Er kan vanuit worden gegaan dat overheidsinstanties noch derden bescherming bieden aan homoseksuelen die slachtoffer van eerwraak of ander geweld zijn geworden of dreigen te worden.

2.15 In de UNHCR Eligibility Guidelines van april 2009 is onder het kopje “Sexual orientation”het volgende opgenomen:

While homosexuality is not prohibited by Iraqi law, it is a strict taboo and considered to be against Islam. Since 2003, Iraq’s largely marginalized and vulnerable lesbian, gay, bi-sexual and transgender (LGBT) community has frequently been targeted for attacks in an environment of impunity. In the Central and Southern Governorates, LGBT Iraqis continue to face threats, torture and extra-judicial killings at the hands of “state and non-state actors,” including their own families, which consider them as violating the family’s “honour”. Iraqi LGBT, an Iraqi NGO based in London, accounted for more than 480 Iraqi gay men killed by Shi’ite militias since 2003, among them 17 LGBT activists. The latest killing reportedly took place in Baghdad’s [naam] on 2 April 2009, when two gays were allegedly killed by relatives in order to cleanse the family’s “honour” .Also, Iraqi Police said that on 25 March 2009, they had found the dead bodies of four more gays in [naam], each bearing a sign reading “pervert” or “puppies” in Arabic on their chests, both derogatory words used to refer to homosexuals. Reportedly, Shi’ite clerics in [naam] had recently urged a crackdown on the perceived spread of homosexuality. Also reported in the media was the 25 September 2008 killing of a leading gay activist in a barber shop in Baghdad. He was one of the organizers of safe houses for gays and lesbians in Baghdad and co-ordinator of Iraqi LGBT. Reports speak about“ a systematic campaign of sexual cleansing”. Iraqi LGBT currently runs two safe houses in Baghdad to provide a level of physical protection to a limited number of LGBT Iraqis; however, the men and women lack any prospects as mediation with their families is generally impossible and protection by the Iraqi authorities is not available.334. The Iraqi Government does not consider the killings of LGBT Iraqis a priority and a Ministry of Justice judge interviewed by Newsweek told the reporter not to waste time on an issue that he considered being “very rare”. Generally, there is little tolerance towards homosexuality in Iraqi society and many Iraqis, including high-level officials, deny that homosexuality even exists in Iraq. Accordingly, those who commit acts of violence against homosexuals and others often do so with impunity.

2.16 In noot 304 bij het ambtsbericht van januari 2010 is verwezen naar het rapport van Human Rights Watch van augustus 2009, getiteld “They want us exterminated”. Murder, Torture, Sexual Orientation and Gender in Iraq. Ook eiser heeft hier ter zitting op gewezen. In voornoemd rapport beschrijft HRW de wijdverspreide campagne van buitengerechtelijke executies, ontvoeringen en mishandelingen van homoseksuele mannen. De moorden zijn begonnen in de wijk [naam] in Bagdad, maar vinden ook plaats in veel andere steden van Irak. De woordvoerders van het Al-Mahdi leger bevorderen de angst voor de “derde sekse”en de “vervrouwelijking”van Iraakse mannen en hebben opgeroepen de acties van de milities te beschouwen als een oplossing. HRW heeft vernomen dat de Iraakse veiligheidsdiensten zouden samenspannen en deelnemen aan de moorden. In dit rapport is onder meer vermeld:

A killing campaign moved across Iraq in the early months of 2009. While the country remains a dangerous place for many if not most of its citizens, death squads started specifically singling out men whom they considered not "manly" enough, or whom they suspected of homosexual conduct. The most trivial details of appearance-the length of a man's hair, the fit of his clothes-could determine whether he lived or died. At this writing, in July 2009, the campaign remains at its most intense in Baghdad, but it has left bloody tracks in other cities as well; men have been targeted, threatened or tortured in Kirkuk, Najaf, Basra. Murders are committed with impunity, admonitory in intent, with corpses dumped in garbage or hung as warnings on the street. The killers invade the privacy of homes, abducting sons or brothers, leaving their mutilated bodies in the neighbourhood the next day. They interrogate and brutalize men to extract names of other people suspected of homosexual conduct. They specialize in grotesque and appalling tortures: several doctors told Human Rights Watch about men executed by injecting glue up their anuses. Their bodies have appeared by the dozens in hospitals and morgues. How many have been killed will likely never be known: the failure of authorities to investigate compounds the fear and shame of families to ensure that reliable figures are unattainable. A well-informed official at the United Nations Assistance Mission for Iraq (UNAMI) told Human Rights Watch in April that the dead probably already numbered "in the hundreds."

2.17 Gelet op het vorenstaande kan verweerder zonder nadere motivering niet worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Irak vanwege zijn seksuele geaardheid voor vervolging te vrezen heeft dan wel dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Uit het vorenstaande volgt dat eiser alleen maar veilig naar Irak kan terugkeren als hij zijn homoseksuele geaardheid verborgen houdt. Naar het oordeel van de rechtbank kan van niemand verlangd worden dat hij zijn seksuele geaardheid, een wezenlijk onderdeel van iemands identiteit, verborgen houdt. Overigens is dit ook in verweerders beleid in C2/2.10.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) opgenomen.

2.18 Verweerders standpunt ter zitting, dat eiser als homoseksueel weliswaar tot een risicogroep behoort, maar hij met bijkomende individuele kenmerken aannemelijk dient te maken dat hij bij terugkeer voor vervolging te vrezen heeft dan wel een risico loopt op een behandeling als verboden in artikel 3 EVRM, volgt de rechtbank niet. Verwezen wordt naar de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 januari 2007 in zaak nr. 1948/04, Salah Sheekh tegen Nederland (AB 2007, 76) van 28 februari 2008 in zaak nr. 37201/06, Saadi tegen Italie (JV 2008/131) en van 17 juli 2008 in zaak nr 25904/07, NA tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2008/329). Zo heeft het EHRM in laatstgenoemd arrest overwogen:

“Exceptionally, however, in cases where an applicant alleges that he or she is a member of a group systematically exposed to a practice of illtreatment, the Court has considered that the protection of Article 3 of the Convention enters into play when the applicant establishes that there are serious reasons to believe in the existence of the practice in question and his or her membership of the group concerned (see Saadi v. Italy, cited above, § 132). In those circumstances, the Court will not then insist that the applicant show the existence of further special distinguishing features if to do so would render illusory the protection offered by Article 3. This will be determined in light of the applicant's account and the information on the situation in the country of destination in respect of the group in question (see Salah Sheekh, cited above, § 148). The Court's findings in that case as to the treatment of the Ashraf clan in certain parts of Somalia, and the fact that the applicant's membership of the Ashraf clan was not disputed, were sufficient for the Court to conclude that his expulsion would be in violation of Article 3.” (r.o. 116)

2.19 In navolging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 3 juli 2008 (nummers 200701486/1 en 200706386/1) en van 8 juni 2009 (nummer 200900007/v2) leidt de rechtbank uit de jurisprudentie van het EHRM af dat, indien een vreemdeling deel uitmaakt van een groep die doelwit is van ernstige mensenrechtenschendingen, informatie over de situatie van die groep en de mate waarin die groep bescherming kan vinden tegen zodanige mensenrechtenschendingen, uitdrukkelijk meegewogen moet worden bij de beantwoording van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM en die informatie een groter gewicht moet krijgen naarmate bedoelde situatie ernstiger is gebleken, bijvoorbeeld indien hieruit blijkt dat leden van die groep systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval kan aan het deel uitmaken van de desbetreffende groep dan doorslaggevende betekenis toekomen. Uit de hierboven weergegeven informatie blijkt dat homoseksuelen in een dermate kwetsbare positie verkeren dat degenen die tot die groep behoren enkel vanwege hun seksuele geaardheid doelwit zijn van ernstige mensenrechtenschendingen en dat zij daartegen geen bescherming kunnen krijgen.

2.20 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en daarom wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

2.21 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.22 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2010.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.