Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1972

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
AWB 11/2918 ABP
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

militaire ambtenarenzaak

militair invaliditeitspensioen

PTSS Protocol

1 Verweerder heeft terecht het bezwaar van eiser, dat onderdeel uitmaakt van een collectief bezwaar, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij ministeriële regeling van 27 juni 2008, nr. P/200801173 (hierna: de Regeling), zijn, gelet op artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen en op artikel 13, tweede lid van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen, drie verzekeringsgeneeskundige protocollen geformaliseerd. Niet in geschil is dat de Regeling is te beschouwen als een algemeen verbindend voorschrift. Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. Hieruit volgt dat evenmin bezwaar kan worden gemaakt tegen een dergelijk besluit.

2 Verweerder heeft bij het bestreden besluit alsnog oorzakelijk dienstverband aanvaard voor een PTSS met depressieve klachten. De mate van invaliditeit wordt vastgesteld op 30%.

De rechtbank overweegt dat bij de vaststelling van de mate van invaliditeit sedert 1 januari 1953 binnen de krijgsmacht gebruik wordt gemaakt van de WPC-schaal.

In de brief van de minister van Defensie van 25 juni 2010 is medegedeeld dat het (specifieke) PTSS Protocol moet worden gezien als een aanvulling op het (algemene) WIA/IP Protocol. De protocollen worden per 1 juli 2008 toegepast.

Ter zitting heeft verweerder ten slotte verklaard dat het PTSS Protocol in de plaats is gekomen van Hoofdstuk VII van de WPC-schaal en dat geen sprake is van een aanvulling op de WPC-schaal. Het PTSS Protocol is een op zichzelf staande regeling. Hoewel hoofdstuk VII van de WPC-schaal ziet op diverse psyschische stoornissen, wordt het PTSS Protocol ook toegepast bij andere psychische aandoeningen dan PTSS.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 1 van de Regeling volgt dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen worden gehanteerd ter nadere invulling van de WPC-schaal. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van vervanging van (onderdelen) van de WPC-schaal en dat de WPC-schaal nog onverkort geldt. Het enkele feit dat in de Toelichting en thans door verweerder ter zitting wordt gesproken over vervanging kan hier niet aan afdoen. De rechtbank laat in het midden of toepassing van het PTSS Protocol bij beoordeling van invaliditeit op grond van andere psychische aandoeningen dan PTSS de rechterlijke toetsing zou kunnen doorstaan. Bij eiser is de diagnose PTSS gesteld. Nu zijn verzoek is ingediend na inwerkingtreding van Regeling, dient de vaststelling van zijn mate van invaliditeit te geschieden met behulp van de WPC-schaal, zoals nader ingevuld met het PTSS Protocol.

De rechtbank is van oordeel dat indeling van diverse aspecten in een bepaalde klasse niet in redelijkheid had mogen plaatsvinden.

Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2918 ABP

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van 14 december 2011 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. M. Smid),

en

de staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde mr. M.H.J. Geldof van Doorn).

Procesverloop

Eiser heeft bij brief van 28 maart 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 15 februari 2011.

Verweerder heeft de stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 21 september 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bij gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiser, gewezen marinier 1 algemeen bij het Korps Mariniers, tevens chauffeur, is op 13 maart 1989 in dienst getreden als dienstplichtig schepeling. Hij is met ingang van

11 juni 1990 aangesteld bij het beroepspersoneel voor bepaalde tijd (BBT).

Eiser is in de periode [datum] 1992 tot [datum] 1993 uitgezonden naar Cambodja, waar hij deel uitmaakte van de [afdeling]. Aan eiser is met ingang van 30 september 2005 eervol ontslag verleend.

1.2 Bij brief van 29 juni 2009, ontvangen bij verweerder op 2 juli 2009, heeft eiser verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen met terugwerkende kracht van één jaar. Eiser geeft aan dat hij last heeft van een posttraumatische stress-stoornis (PTSS) en dat de klachten het gevolg zijn van zijn uitzending naar [land].

1.3 Eiser is onderworpen aan een verzekeringsgeneeskundig onderzoek invaliditeits-pensioen, waarna op 12 januari 2009 (lees: 2010) door verzekeringsarts R. Bhaggoe een rapportage is uitgebracht. Hierin is overwogen dat een PTSS niet multidisciplinair is komen vast te staan, maar dat wel aannemelijk is geworden dat eiser lijdende is aan een andere psychische aandoening, te weten een aanpassingsstoornis, waarbij de uitoefening van de militaire dienst niet heeft bijgedragen tot het ontstaan, tot uiting komen of blijvend verergeren van deze aandoening. Oorzakelijk dan wel verergerend dienstverband is niet aannemelijk geacht.

1.4 Bij besluit van 21 januari 2010 heeft verweerder het verzoek afgewezen omdat ten aanzien van de psychische aandoening geen verband met de uitoefening van de militaire dienst wordt aanvaard.

1.5 Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 maart 2010 bezwaar gemaakt.

Voorts is namens een aantal leden van de bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO), onder wie eiser, bij brief van 23 maart 2010 collectief bezwaar gemaakt tegen omtrent hen genomen beschikkingen, waaraan een beoordeling met toepassing van het PTSS-protocol ten grondslag ligt.

Bij brief van 25 juni 2010 heeft de Stichting pensioenfonds Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp), namens de minister van defensie, een nadere reactie gegeven op het collectief bezwaar.

1.6 Op 6 januari 2011 is door drs. I.M. Ensing, psycholoog, en drs. M. van den Heuvel, psychiater, beiden verbonden aan de HSK-groep (hierna: de HSK), omtrent eiser een rapportage uitgebracht. Op grond hiervan heeft verzekeringsarts H.W. Kharagjitsing de beperkingen van eiser vastgesteld.

Bij brief van 4 februari 2011 heeft verzekeringsarts Kharagjitsing verweerder medegedeeld dat bij nader onderzoek thans een oorzakelijk dienstverband aannemelijk wordt geacht voor een PTSS (waaronder depressieve klachten), voorheen geduid als een aanpassingsstoornis waarvoor generlei dienstverband aannemelijk werd geacht. De invaliditeit wordt geschat op 30% per 2 juli 2009 en redelijkerwijs vanaf 2 juli 2008. Er is geen sprake van een eindtoestand.

1.7 Bij besluit van 15 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser van

23 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen het besluit van 21 januari 2010 gegrond verklaard en alsnog oorzakelijk dienstverband aanvaard voor een PTSS met depressieve klachten. De mate van invaliditeit wordt vastgesteld op 30% per 2 juli 2009 en per

2 juli 2008. Er is geen sprake van een medische eindtoestand, verbetering wordt nog verwacht. De termijn voor de nieuwe beoordeling is vastgesteld op 2 juli 2011.

Aan eiser wordt per 2 juli 2008 een militair invaliditeitspensioen toegekend, berekend naar een mate van invaliditeit van 30%.

Voorts is aan eiser een vergoeding van proceskosten toegekend, bestaande uit € 437,-- voor het indienen van een bezwaarschrift en de kosten van de door eiser ingeschakelde deskundige volgens de hiervoor geldende tarieven na overlegging van de declaratie.

Eiser heeft bij brief van 28 maart 2011 beroep ingesteld tegen het besluit van

15 februari 2011.

2 Eiser heeft primair verwezen naar het gestelde in het collectief bezwaar onder punt B in samenhang met punt A, inhoudende dat:

- bij een eerste aanvraag op basis van PTSS een aanmerkelijk lager percentage wordt toegekend dan voorheen, vóór en zonder toepassing van het PTSS Protocol. De aanspraken komen onder het niveau van de War Pensions Committee (WPC)-schaal te liggen;

- het protocol is een aanvulling op bestaande wet en regelgeving, zoals de Kaderwet, en mag daarmee niet in strijd zijn, de WPC-schaal dient als uitgangspunt te gelden. Dit is ook af te leiden uit het WIA/IP Protocol;

- beperkingen op het gebied van arbeid worden in het protocol expliciet uitgesloten, hetgeen niet strookt met de definitie van 'invaliditeit'; en

- er wordt gehandeld in strijd met de doelstelling van het protocol, te weten het vergroten van de reproduceerbaarheid en betrouwbaarheid van de uitkomsten.

Subsidiair is aangevoerd dat de wijze waarop het invaliditeitspercentage is vastgesteld op grond van de rubriekscorelijst onvoldoende is gemotiveerd en niet in overeenstemming is met de beperkingen die de HSK heeft aangegeven. Eiser meent dat de volgende scores gegeven moeten worden:

- mobiliteit klasse 4 in plaats van geen beperkingen;

- slapen klasse 4;

- seksualiteit klasse 4 in plaats van geen beperkingen;

- basale communicatie klasse 1 in plaats van geen beperkingen;

- communicatieve en emotionele vaardigheden klasse 4 in plaats van klasse 2; en

- huiselijke activiteiten klasse 1 in plaats van geen beperkingen.

De door eiser ingeschakelde psychiater R.V. Schwarz komt op 50% invaliditeit, exclusief arbeidsgerelateerde beperkingen. Eiser stelt dat daarnaast voor de arbeidsgerelateerde beperkingen een percentage van 20 dient te worden aanvaard en dienen de diverse pijnen in de mate van invaliditeit te worden verdisconteerd. Derhalve is 70% invaliditeit op peildatum 2 juli 2008 gerechtvaardigd.

3 De rechtbank overweegt dat bij de vaststelling van de mate van invaliditeit sedert

1 januari 1953 binnen de krijgsmacht gebruik wordt gemaakt van de WPC-schaal. Deze schaal is in 1952 in het kader van het Pact van Brussel opgesteld door de Oorlogspensioenencommissie (the War Pensions Committee).

In artikel 13, eerste lid, van het het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen (Stb. 1997, 67) is neergelegd dat bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband wordt uitgegaan van de WPC-schaal. Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan de minister van Defensie in bepaalde gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

De PTSS wordt als aandoening in de WPC-schaal niet genoemd. Bij een dergelijke diagnose wordt toepassing gegeven aan WPC-nummer 0712 betreffende psychoneurosen en wordt aansluiting gezocht bij andere WPC-nummers. Volgens de beschrijving van het in hier geldende WPC-nummer 0712 is het niet raadzaam gebleken een schaal te vermelden op basis waarvan de invaliditeit wegens de psychische aandoeningen waarop dit nummer betrekking heeft, vastgesteld kan worden. Ieder geval is met zijn individuele factoren als afzonderlijk probleem te beschouwen en moet als zodanig beoordeeld worden.

In een dergelijk geval is - zoals de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) al vaker heeft overwogen - van belang het onderdeel 2 van het voorwoord van de WPC-schaal, inhoudende dat de invaliditeit wordt gewaardeerd door het vermogen tot het volbrengen van de normale levensfuncties van de invalide te vergelijken met dat van een niet-invalide. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Raad van 10 december 1998,

LJN AA8785.

Op 10 juni 2003 heeft de staatssecretaris van Defensie een commissie met (onafhankelijke) deskundigen (de Commissie WPC-schaal) ingesteld, met als opdracht het proces van de psychische invaliditeitsbeoordelingen meer inzichtelijk, meer toetsbaar en transparanter te maken.

Bij ministeriële regeling van 27 juni 2008, nr. P/200801173 (hierna: de Regeling), zijn, gelet op artikel 2, zesde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen en op artikel 13, tweede lid van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen, drie verzekeringsgeneeskundige protocollen geformaliseerd.

4 Niet in geschil is dat de Regeling is te beschouwen als een algemeen verbindend voorschrift. Ingevolge artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. Hieruit volgt dat evenmin bezwaar kan worden gemaakt tegen een dergelijk besluit.

Verweerder heeft derhalve het bezwaar van eiser van 23 maart 2010 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5 In deze procedure staat de vraag centraal of verweerder op goede gronden de mate van invaliditeit veroorzaakt door eisers psychische problematiek, waarvoor dienstverband wordt aanvaard, heeft bepaald op 30%.

6.1 Artikel 1 van de Regeling luidt als volgt:

"Bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen worden ter nadere invulling van de WPC-schaal de volgende protocollen gehanteerd:

a. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen (WIA/IP Protocol) gevoegd als bijlage 1;

b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stress-stoornis (PTSS Protocol), gevoegd als

bijlage 2;

c. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met medical unexplained physical symptoms/lichamelijk onverklaarde chronische klachten na uitzending (MUPS/LOK Protocol), gevoegd als bijlage 3."

Artikel 2 van de Regeling luidt als volgt:

"1. De vaststelling van de mate van invaliditeit bij verzoeken ingediend voor de inwerkingtreding van deze regeling geschiedt aan de hand van de WPC-schaal.

2. Indien de toepassing van de in artikel 1 genoemde protocollen bij een herkeuring na de datum van inwerkingtreding van deze regeling leidt tot een lager invaliditeitspercentage blijft het oorspronkelijk vastgestelde invaliditeitspercentage van kracht.

3. Het gestelde in het tweede lid blijft buiten toepassing indien het een herkeuring betreft van een voorlopig vastgesteld invaliditeitspercentage."

In de Toelichting bij de Regeling is verwoord dat het PTSS Protocol hoofdstuk VII van de WPC-schaal vervangt. Voor het PTSS-protocol en het MUPS/LOK Protocol geldt het WIA/IP Protocol als uitgangspunt."

6.2 In de brief van de minister van Defensie van 25 juni 2010 is medegedeeld dat het (specifieke) PTSS Protocol moet worden gezien als een aanvulling op het (algemene) WIA/IP Protocol. De protocollen worden per 1 juli 2008 toegepast.

Ter zitting heeft verweerder ten slotte verklaard dat het PTSS Protocol in de plaats is gekomen van Hoofdstuk VII van de WPC-schaal en dat geen sprake is van een aanvulling op de WPC-schaal. Het PTSS Protocol is een op zichzelf staande regeling. Hoewel hoofdstuk VII van de WPC-schaal ziet op diverse psyschische stoornissen, wordt het PTSS Protocol ook toegepast bij andere psychische aandoeningen dan PTSS.

6.3 De rechtbank overweegt dat uit artikel 1 van de Regeling volgt dat de verzekeringsgeneeskundige protocollen worden gehanteerd ter nadere invulling van de WPC-schaal. Dit betekent dat geen sprake kan zijn van vervanging van (onderdelen) van de WPC-schaal en dat de WPC-schaal nog onverkort geldt. Het enkele feit dat in de Toelichting en thans door verweerder ter zitting wordt gesproken over vervanging kan hier niet aan afdoen. De rechtbank laat in het midden of toepassing van het PTSS Protocol bij beoordeling van invaliditeit op grond van andere psychische aandoeningen dan PTSS de rechterlijke toetsing zou kunnen doorstaan. Bij eiser is de diagnose PTSS gesteld. Nu zijn verzoek is ingediend op 2 juli 2009, derhalve na inwerkingtreding van Regeling, dient de vaststelling van zijn mate van invaliditeit te geschieden met behulp van de WPC-schaal, zoals nader ingevuld met het PTSS Protocol.

7.1 Eiser heeft in bezwaar de rapportage van psychiater dr. R.V. Schwarz (hierna: Schwarz) van 2 juni 2010 overgelegd. Schwarz heeft eiser op 26 mei 2010 onderzocht en concludeert dat eiser lijdt en op de peildata leed aan een PTSS als gevolg van de uitzending naar [land], zonder duidelijke karakterpathologie. Van somatische afwijkingen is geen sprake. Schwarz heeft in zijn beoordelingslijst psychische beperkingen aangegeven dat beperkingen bestaan ter zake van de activiteiten in het dagelijks leven, het sociaal functioneren, het aspect concentratie, volharding en tempo en ten slotte ter zake van de adaptatie aan stressvolle gebeurtenissen. Hij acht arbeidsgerelateerde beperkingen die in verband staan met de dienstverbandaandoening aanwezig. Gelet op deze beperkingen adviseert hij de mate van invaliditeit te bepalen op 50%.

7.2 De rechtbank overweegt allereerst dat de HSK in de rapportage van

6 januari 2011 heeft aangegeven dat geen reden bestaat om aan de betrouwbaarheid van het verhaal van eiser en de resultaten uit het testonderzoek te twijfelen. Wel zijn de vragenlijsten mogelijk onbetrouwbaar ingevuld door spannings- en concentratieproblemen bij eiser. Het klachtverhaal is voldoende gedetailleerd en voldoende coherent. Dit sluit, evenals de klachtpresentatie, voldoende aan bij de beschikbare psychiatrische kennis over ziekteprocessen.

Schwarz heeft ter zake van het aspect mobiliteit klasse 4 aangegeven, met de motivering dat eiser zich niet zelfstandig buitenshuis kan bewegen.

De HSK acht eiser niet in staat zich vrijelijk buitenshuis te begeven. De HSK heeft dit evenwel beoordeeld naar datum onderzoek. Uit het geneeskundig gedeelte, behorend bij het rapport van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek invaliditeitspensioen van

12 januari 2010, blijkt dat het lopen in de eigen omgeving wel gaat. Fietsen is heel zwaar. Autorijden gaat wel, maar geen lange stukken in verband met het vasthouden van de concentratie. In 2008 is eiser met de auto in Frankrijk geweest. Gelet hierop kan de indeling in klasse 0 (bijvoorbeeld het zelfstandig met auto of fiets kunnen deelnemen in de eigen omgeving) door de verzekeringsarts worden onderschreven.

Ter zake van slapen heeft Schwarz klasse 4 aangegeven omdat eiser vrijwel elke nacht nachtmerries heeft. In het geneeskundig gedeelte is vermeld dat eiser slaapmedicatie gebruikt, zwetend wakker wordt en in toenemende mate nachtmerries heeft. Zijn partner heeft bij het betreffende onderzoek medegedeeld dat eiser erg onrustig is in zijn slaap en dat hij haar sinds oktober 2008 twee keer naar haar keel heeft gegrepen tijdens zijn slaap. Voorts heeft zij medegedeeld dat hij praat in zijn slaap en korte abrupte bewegingen maakt alsof er spiertrekkingen of krampen zijn. De HSK heeft vermeld dat eiser slecht slaapt en nachtelijke herbelevingen heeft. Volgens bijlage 1 (beoordelingslijst vastleggen psychische beperkingen) bij het PTSS Protocol is de frequentie van nachtmerries van belang voor de klasse-indeling. De verzekeringsgeneeskundige heeft bij zijn onderzoek niet gevraagd naar de frequentie van nachtmerries. Niet gebleken is voorts dat de HSK rekening heeft gehouden met de slaapmedicatie en het verhaal van de partner. Gelet op het gepresenteerde klachtverhaal overweegt de rechtbank dat het aspect slapen niet in redelijkheid ingedeeld had kunnen worden in klasse 3.

Schwarz heeft ter zake van de seksuele functie klasse 4 aangegeven met de vermelding dat geen sprake is van lustbeleving of masturbatie. In het geneeskundig gedeelte is alleen vermeld dat een derde kind op komst is.

Uit bijlage 1 bij het PTSS Protocol blijkt dat het verwekken van een kind onvoldoende motivering is voor de conclusie dat er geen beperkingen zijn. Niet gebleken is dat eiser vragen zijn gesteld op dit punt. Ook in het HSK-rapport is geen overweging opgenomen met betrekking tot de seksuele functie. Gelet op het gepresenteerde klachtenverhaal overweegt de rechtbank dat het aspect seksualiteit niet in redelijkheid ingedeeld had kunnen worden in klasse 0.

Ter zake van basale communicatie heeft Schwarz klasse 1 vermeld, omdat eiser soms moeite heeft zich duidelijk begrijpbaar te maken. HSK heeft overwogen dat het klachtverhaal voldoende gedetailleerd en coherent is. De rechtbank overweegt dat dit aspect met klasse 0 niet is onderschat.

Ter zake van communicatieve- en emotionele vaardigheden heeft Schwarz klasse 4 vermeld, omdat eiser niet in staat is tot een betekenisvolle relatie. De verzekeringsgeneeskundige heeft dit aspect met klasse 2 gewaardeerd. In het geneeskundig gedeelte is vermeld dat de verstandhouding met zijn partner, schoonouders en kennissen goed is. Wel trekt hij zich terug uit sociaal contact omdat hij niet van het openbaar vervoer gebruik durft te maken door de angst en paniek. Eiser speelt routinematig met zijn dochter en haalt haar op van de opvang. In de avond kijkt hij televisie met het gezin.

De rechtbank overweegt dat de gewenste klasse 4 voor dit aspect ziet op het zich nauwelijks bemoeien met de opvoeding, het nauwelijks hebben van intimiteit, het zich isoleren ten aanzien van het gezin, de partner of de familie alsmede het niet nemen van enkele verantwoordelijkheid. Een dergelijke situatie blijkt niet uit het gepresenteerde klachten-verhaal. De rechtbank overweegt dat dit aspect met klasse 2 niet is onderschat.

Schwarz heeft ter zake van huiselijke activiteiten klasse 1 vermeld. In het geneeskundig gedeelte is vermeld dat eiser zich bezig houdt met stofzuigen (behorend bij afgebakende taken die hij moet verrichten in opdracht van zijn psycholoog), eventueel de was ophangt en de kleine boodschappen doet. Het huishouden doet hij niet want hij let niet op. De HSK heeft vermeld dat eisers dagstructuur matig is. Hij brengt zijn oudste dochter weg en haalt haar op en hij zorgt voor het jongste kind. Tot andere activiteiten komt hij bijna niet. Op goede dagen doet hij iets in het huishouden of loopt hij naar de winkel.

De rechtbank overweegt dat klasse 1 hier in de rede zou hebben gelegen.

8 Het vorenoverwogene betekent dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb is genomen. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd.

Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

9 De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb, te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1) aan kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verweerder heeft ter zake van het bezwaar reeds een proceskostenvergoeding toegekend, waarin teven de declaratie van Schwarz is begrepen. Ter zake van de gemaakte kosten in bezwaar bestaat derhalve geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling, zoals door eiser is verzocht.

Wel dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage

1 verklaart het beroep ongegrond voor zover het bestreden besluit van 15 februari 2011 ziet op het bezwaar van 23 maart 2010;

2 verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de vaststelling van het invaliditeitspercentage;

3 vernietigt het bestreden besluit van 15 februari 2011 in zoverre;

4 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,--, aan eiser te voldoen;

6 bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, mr. A.H. Bergman en M.P. Celie, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.