Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1877

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
09/900517-09 11/2339
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Schadevergoedingsverzoek. Rekenen van dagen of nachten. Een wijze van berekenen die leidt tot structurele overcompensatie - rekenen van de dagen - komt in strijd met de bedoeling van de wetgever. Een systeem waarbij de bandbreedte van over- en ondercompensatie beperkt is en over- en ondercompensatie redelijk gelijk verdeeld zijn - rekenen van de nachten - lijkt daarmee juist in lijn. Art. 89 Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Parketnummer: 09/900517-09

Kenmerk RK: 11/2339

Beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het verzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

Verzoeker,

geboren op [datum] te [plaats],

wonende te [woonplaats, adres]

te dezer zake domicilie kiezende te 's-Gravenhage,

(2596 HX) 't Hoenstraat 5, ten kantore van advocaat mr. Th.J. Kelder,

ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 24 juni 2011, strekkende tot een schadevergoeding ten laste van de Staat voor de dagen door verzoeker in verzekering doorgebracht tot een bedrag van in totaal € 420,=.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft op 16 augustus 2011 dit verzoek in raadkamer behandeld. Verzoeker is - hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen - niet in raadkamer verschenen; wel aanwezig was zijn raadsman, mr. Kelder.

De officier van justitie heeft in raadkamer geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek tot het bedrag van in totaal € 315,=.

Beoordeling van het verzoekschrift.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het verzoek. De strafzaak tegen verzoeker is geëindigd door een inmiddels onherroepelijk vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 22 maart 2011, waarbij verzoeker is vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Het verzoek is tijdig ingekomen.

Verzoeker is in deze zaak op 12 juni 2010 in verzekering gesteld en op 15 juni 2010 in vrijheid gesteld.

Standpunten

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker in aanmerking komt voor een schadevergoeding voor zowel de dag waarop verzoeker in verzekering is gesteld, als de dag waarop verzoeker in vrijheid is gesteld. Deze laatste dag gesteld dient te worden vergoed, omdat verzoeker ook op die dag is geconfronteerd geweest met vrijheidsbeneming. Aan verzoeker dient derhalve een vergoeding te worden toegekend voor vier dagen voorlopige hechtenis, aldus de raadsman.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker op grond van de door de Landelijke Commissie voor Straftoemeting opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting (LOVS-oriëntatiepunten) niet in aanmerking komt voor vergoeding van dag waarop verzoeker in vrijheid is gesteld. Aan verzoeker dient een vergoeding voor drie dagen voorlopige hechtenis te worden toegekend, aldus de officier van justitie.

De rechtbank overweegt het volgende.

Wet

Op grond van artikel 89, eerste lid, Sv kan aan een gewezen verdachte, wiens strafzaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel, een vergoeding worden toegekend "voor de schade welke hij tengevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden".

In artikel 90, eerste lid, Sv is bepaald dat de toekenning van een schadevergoeding steeds plaats heeft indien en voorzover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij dient volgens het tweede lid ook rekening te worden gehouden met de levensomstan-digheden van de gewezen verdachte.

De tekst van de wet noch de parlementaire geschiedenis1 geeft nadere maatstaven of aanknopingspunten voor de wijze van berekening van deze schade.

Wijze van schadeberekening

De hoogte van schadevergoeding kan worden bepaald door middel van een concrete schadeberekening. Bij die wijze van schadeberekening wordt van elke verzoeker gevergd dat hij over zijn schade voldoende stelt en alle onderdelen van zijn schade dusdanig onderbouwt dat de rechter tot een deugdelijke vaststelling van de schade kan komen. Alleen al vanwege de praktische problemen die dit bij veel verzoekers zou opleveren is deze wijze van schadeberekening in de praktijk niet het meest geschikt.

De rechtspraktijk hanteert derhalve een meer abstracte methode voor berekening van bedoelde schade.

Aanknopingspunten bij schadeberekening

In de memorie van toelichting uit 19132, behorende bij het wetsvoorstel betreffende invoering van artikel 89 Sv, wordt gesproken over een tegemoetkoming. Voorts wordt ten aanzien van het bedrag van schadevergoeding overwogen:

"Wat het bedrag van schadevergoeding betreft, moge nog worden opgemerkt, dat het denkbeeld om c.q. steeds de geheele schade te doen vergoeden op practische gronden niet is aanvaard. De geldelijke last zou, door het nieuwe instituut op den Staat op te leggen, alsdan te zwaar worden. Aan de gewezen verdachte zal derhalve c.q. een tegemoetkoming - welke intussen in bepaalde gevallen ook een algeheele tegemoetkoming kan zijn - worden verleend. Ook de vaststelling van het bedrag van tegemoetkoming zal op de grondslag der billijkheid hebben te geschieden."

In de memorie van toelichting uit 19723, behorende bij het wetsvoorstel betreffende wijziging van artikel 89 Sv, wordt gesproken over een schadevergoeding. Voorts wordt ten aanzien van het bedrag overwogen:

"Toekenning van een recht op vergoeding aan de betrokkene zou tot onaanvaardbare consequenties leiden. Een recht veronderstelt immers dat iemand, indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, aanspraak kan maken op vergoeding. Het zou echter te ver gaan iedere verdachte die niet wordt veroordeeld zulk een aanspraak toe te kennen. Een dergelijk automatisme zou een onjuiste en ongerechtvaardigde aansprakelijkheid van de overheid betekenen."

Zoals hiervoor overwogen worden in de parlementaire geschiedenis geen aanknopings-punten gevonden voor de wijze van schadebepaling. Ook wordt daarin geen keuze gemaakt voor daarbij te hanteren tijdseenheden of over de 'dagen/nachten'-vraag.

In deze zaak is niet in geschil dat de schade dient te worden berekend aan de hand van 'dageenheden'. Ook ziet de rechtbank geen reden daar ambtshalve anders over te oordelen. Bij het berekenen van schade die geleden is door inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis ligt het rekenen in eenheden van uren, de rigiditeit daarvan nog daargelaten, al om praktische redenen niet voor de hand. Waar de tijd van aanvang inverzekeringstelling bekend zal zijn, blijkt het uur waarop de voorlopige hechtenis is geëindigd meestal niet uit het dossier, maar is enkel de dag van invrijheidstelling bekend.

De vraag die voorligt is of zowel de eerste dag als de laatste dag van de vrijheidsbeneming moeten worden gerekend - 'het rekenen van de dagen' - of alleen de eerste en niet de laatste dag - 'het rekenen van de nachten' -.

In artikel 136, eerste lid, Sv is bepaald dat onder een dag wordt verstaan een tijd van vierentwintig uren.

In artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) is over de verrekening van inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis met de opgelegde gevangenisstraf bepaald dat bij het berekenen van de in mindering te brengen tijd geldt de eerste dag van de verzekering als een volle dag en blijft de dag waarop zij is geëindigd buiten beschouwing.

Voor zover in jurisprudentie wordt verwezen naar wettelijke bepalingen, wordt verwezen naar bovenstaande bepalingen. Daarbij moet worden opgemerkt dat geen van deze bepalingen geschreven zijn met het oog op de berekening van de schade van artikel 89 Sv. Ze zijn dan ook niet een-op-een toe te passen op die berekening, maar vormen wel de enige in de wet te vinden handvatten. Toepassing van die bepalingen leidt in de jurisprudentie tot

het 'rekenen van de nachten'.

Voorbeeldberekening.

Een voorbeeldberekening, uitgaand van aanvang inverzekeringstelling om 10.00 uur of 22.00 uur op dag 1 en een invrijheidstelling om 10.00 of 22.00 uur op dag 4:

a. bij aanvang om 22.00 uur (dag 1) en invrijheidstelling om 10.00 uur (dag 4) is verzoeker 60 uren van zijn vrijheid beroofd geweest;

b. bij aanvang om 10.00 uur (dag 1) en invrijheidstelling om 10.00 uur (dag 4) is verzoeker 72 uren van zijn vrijheid beroofd geweest;

c. bij aanvang om 10.00 uur (dag 1) en invrijheidstelling om 22.00 uur (dag 4) is verzoeker 84 uren van zijn vrijheid beroofd geweest.

In dit voorbeeld wordt bij het rekenen van de nachten in alle gevallen 3 dageenheden en dus 72 uur vergoed, bij het rekenen van de dagen 4 dageenheden, 96 uur.

Uit voorgaand voorbeeld volgt dat bij het rekenen van de nachten soms sprake is van enige overcompensatie, soms de gezeten tijd nagenoeg precies gecompenseerd wordt en soms van enige ondercompensatie sprake is. Die beperkte compensatie zal in de praktijk niet veel meer zijn dan een halve dag (geval c.) en ook in theorie de daggrens nooit kunnen overschrijden.

Bij het rekenen van de dagen zal echter in alle denkbare situaties sprake zijn van overcompensatie, die zelfs kan oplopen anderhalve dag (geval a.) of meer.

Een wijze van berekenen die leidt tot structurele overcompensatie komt in strijd met de bedoeling van de wetgever, zoals te vinden in de aangehaalde gedeelten uit de parlementaire geschiedenis. Een systeem waarbij de bandbreedte van over- en ondercompensatie beperkt is en over- en ondercompensatie redelijk gelijk verdeeld zijn lijkt daarmee juist in lijn.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op al het voorgaande, de nachten moeten worden gerekend of, anders gezegd, dat de laatste dag van de vrijheidsbeneming niet voor vergoeding in aanmerking komt.

Oriëntatiepunten

Ook de Landelijke Commissie voor Straftoemeting neemt in de opgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting de berekening in nachten als uitgangspunt. De raadsman heeft met juistheid aangevoerd dat die oriëntatiepunten geen recht zijn in de zin van art. 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) reeds omdat de bedoelde LOVS-afspraken niet afkomstig zijn van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte.4 De rechtbank weet zich echter, wat daar verder ook van zij, door die orïentatiepunten gesteund in haar oordeel. Overigens zij opgemerkt dat de door LOVS in die oriëntatiepunten geformuleerde forfaitaire bedragen door deze verzoeker en ook in de bredere praktijk wél onbetwist blijven.

Brief Sterk

De raadsman heeft een beroep gedaan op de door hem overgelegde brief van mr Sterk, voormalig plaatsvervangend sectorvoorzitter van de strafsector van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, d.d. 11 juli 2008.

De brief van een plaatsvervangend sectorvoorzitter van een gerechtshof is, gelet op de eerderbedoelde arresten van de Hoge Raad, evenmin recht in de zin van art. 79 RO en ontbeert dan ook voldoende juridische basis.

De rechtbank ziet daarin derhalve geen grond om tot een ander oordeel te komen, nog daargelaten de vraag hoe een dergelijke brief zich verhoudt tot de jurisprudentie van het Haagse gerechtshof en tot de eerderbedoelde LOVS-oriëntatiepunten.

In de zaak van verzoeker

Uit het bovenstaande volgt dat verzoeker voor een totaal bedrag van € 315,= aan schadevergoeding in aanmerking komt, zijnde een vergoeding van de drie dagen door verdachte in verzekering doorgebracht. Het verzoek om de dag van invrijheidstelling te vergoeden zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing.

De rechtbank kent aan verzoeker toe ten laste van de Staat een bedrag van in totaal € 315,= (zegge: DRIEHONDERDVIJFTIEN EURO) en wijst af het anders of meer verzochte.

Aldus gedaan te 's-Gravenhage door mr. G.H.M. Smelt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P. Kuipers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 4 oktober 2011.

1 Kamerstukken II 1913-1914, 286; kamerstukken II 1973-1974, 12132.

2 Kamerstukken II 1913 - 1914, 286, nr. 3, p. 88

3 Kamerstukken II 1973 - 1974, 12132, nr. 6, p. 2

4 HR 3 december 2002, NJ 2003, 570, recentelijk herhaald bij HR 29-03-2011, LJN BO6702