Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/2010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1D Vluchtelingenverdrag, UNRWA, UNHCR-note.

De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 19 mei 2005 (LJN: AT6829) overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het door verweerder gevoerde beleid zich niet verdraagt met de uitleg van artikel 1(D) van het Verdrag, bij welk oordeel de Afdeling de “Note on the applicability of article 1 D of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees to Palestinian refugees” van de UNHCR van oktober 2002 betrokken heeft. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Afdeling te komen. Ook de in beroep overgelegde “Revised Note on the applicability of article 1 D of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees to Palestinian refugees” van de UNHCR van oktober 2009 leidt daar niet toe. De inhoud van dit stuk is immers niet wezenlijk anders dan de eerdere conclusies van de UNHCR in de Note van 2002. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door eiser is betoogd, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 12a van de Richtlijn 2004/83/EG, welke bepaling hetzelfde luidt als artikel 1(D) van het Verdrag. Eiser komt derhalve niet reeds omdat hij zich niet langer in het UNRWA-gebied bevindt in aanmerking voor een verblijfsvergunning op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

Vervolgens is aan de orde of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren, omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het relaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Gelet hierop is niet aannemelijk geworden dat eiser in het mandaatgebied gegronde vrees heeft voor vervolging. Evenmin heeft eiser aannemelijk kunnen maken dat in Libanon sprake is van wijdverspreide en systematische discriminatie van Palestijnen van dien aard, dat eiser reeds daarom als vluchteling moet worden aangemerkt. Eiser heeft zijn stellingen op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/2010

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1981], naar gesteld staatloos, eiser,

gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Gunster, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 november 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 18 januari 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 14 juni 2011. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer ter verdere behandeling. Op 11 oktober 2011 heeft de meervoudige kamer het onderzoek ter zitting hervat. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Asielrelaas

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft in Libanon problemen gehad met Hezbollah. Hij is naar Tal Alabyad geweest waar hij op 8 februari 2006 ontvoerd is. Eiser is naar een onbekende locatie overgebracht waar hij vijftien dagen heeft vastgezeten. Hij is toen mishandeld en gemarteld. Hij is uiteindelijk vrijgelaten, waarbij het hem verboden is om te praten over de ontvoering en de mishandeling. Een andere reden voor zijn vlucht was de oorlog van Tamuz. Eisers vader is in 1982 omgekomen tijdens de Israëlische invasie in Libanon. Daarna is de situatie voor eiser ondraaglijk geweest. Zijn zieke moeder heeft hij bij zijn oom achtergelaten. Voorts is eiser gevlucht omdat de situatie van Palestijnen in Libanon erg slecht is.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van

belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

1.2. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

1.3. Indien zich een van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Vw 2000 voordoet, zal ingevolge het ter zake geldende beleid, zoals opgenomen in paragraaf C14/3.4 van de Vc 2000, van het relaas een positieve overtuigingskracht uit moeten gaan willen de verklaringen alsnog als aannemelijk worden beschouwd.

1.4. Ingevolge artikel 1(D) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Verdrag) is dit Verdrag niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.

1.5. Volgens paragraaf C2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is artikel 1(D) van het Verdrag van toepassing op staatloze Palestijnen die onder het mandaat vallen van de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA). Het feit dat een Palestijn zich niet meer in het mandaatgebied van de UNRWA bevindt, betekent niet dat automatisch een verblijfsvergunning asiel zou moeten worden verleend. Betrokkene kan zich volgens die passage immers weer naar dat mandaatgebied begeven, teneinde opnieuw de bescherming van de UNRWA in te roepen. Dit is alleen anders, indien de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren, omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Aan de vreemdeling kan in dat geval op de voet van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Indien geen verblijfsvergunning op grond van deze bepaling wordt verleend, wordt volgens die passage ook getoetst aan de overige verleningsgronden van artikel 29 van de Vw 2000.

2.1. Tussen partijen is allereerst in geschil of het hiervoor genoemde beleid zich verdraagt met de uitleg van artikel 1(D) van het Verdrag.

2.2. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij niet langer de bescherming geniet van de UNRWA en derhalve niet meer onder artikel 1(D) van het Verdrag valt, omdat hij het mandaatgebied van de UNRWA heeft verlaten. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem, zonder dat wordt toegekomen aan een nadere inhoudelijke beoordeling, een verblijfsvergunning moet verlenen op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

2.3. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in zijn uitspraak van 19 mei 2005 (LJN: AT6829) heeft overwogen dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het door verweerder gevoerde beleid zich niet verdraagt met de uitleg van artikel 1(D) van het Verdrag, bij welk oordeel de Afdeling de “Note on the applicability of article 1 D of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees to Palestinian refugees” van de UNHCR van oktober 2002 betrokken heeft. De rechtbank ziet thans geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de Afdeling te komen. Ook de in beroep overgelegde “Revised Note on the applicability of article 1 D of the 1951 Convention relating to the Status of Refugees to Palestinian refugees” van de UNHCR van oktober 2009 leidt daar niet toe. De inhoud van dit stuk is immers niet wezenlijk anders dan de eerdere conclusies van de UNHCR in de Note van 2002.

2.4. Anders dan door eiser is betoogd is er dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het door verweerder gevoerde beleid zich niet verdraagt met de uitleg van artikel 1(D) van het Verdrag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om, zoals door eiser is betoogd, prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van artikel 12a van de Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming, welke bepaling hetzelfde luidt als artikel 1(D) van het Verdrag.

2.5. De conclusie is dan ook dat verweerder op goede gronden het eerder genoemde beleid heeft toegepast. Eiser komt derhalve niet reeds omdat hij zich niet langer in het UNRWA-gebied bevindt in aanmerking voor een verblijfsvergunning op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000. Hij kan zich immers in beginsel weer naar het mandaatgebied begeven om opnieuw de bescherming van de UNRWA in te roepen.

3.1. Vervolgens is aan de orde of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren, omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder in redelijkheid eisers relaas ongeloofwaardig heeft kunnen achten. Verweerder heeft zich

- zakelijk weergegeven - op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser niet geloofwaardig is, nu hij toerekenbaar niet beschikt over documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en voorts van zijn asielverklaringen geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

3.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid de omstandigheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser kunnen tegenwerpen. Eiser beschikt immers niet over documenten ter staving van zijn reisroute. Eiser heeft de documenten die hij heeft gebruikt tijdens zijn reis van Beiroet naar een Afrikaans land afgegeven aan de reisagent. Bovendien heeft hij het valse paspoort waarmee hij vanuit dat Afrikaanse land naar Nederland is gereisd, verscheurd in het vliegtuig. Het ontbreken van deze documenten is eiser dan ook toe te rekenen. Daarnaast heeft eiser ook geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen afgelegd omtrent de afgelegde reisroute.

3.3. Gelet op het hierboven weergegeven toetsingskader is vervolgens aan de orde of van het relaas van eiser positieve overtuigingskracht uitgaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit niet het geval is. Daarbij heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan de tegenstrijdige verklaringen die eiser heeft afgelegd omtrent zijn ontvoering, onder meer wat betreft het aantal mensen waardoor hij ontvoerd is en wat hij aan het doen was op het moment dat de ontvoering plaatsvond. Ook heeft verweerder in dit kader belang kunnen hechten aan de tegenstrijdige verklaringen over zijn geboortedatum en het bevreemdend kunnen achten dat eiser niets over de ontvoering zou hebben verteld aan zijn moeder.

3.4. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het relaas in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten en is dan ook niet aannemelijk geworden dat eiser in het mandaatgebied gegronde vrees heeft voor vervolging. Evenmin heeft eiser aannemelijk kunnen maken dat in Libanon sprake is van wijdverspreide en systematische discriminatie van Palestijnen van dien aard, dat eiser reeds daarom als vluchteling moet worden aangemerkt. Eiser heeft zijn stellingen op dit onderdeel onvoldoende onderbouwd. Dit leidt tot de conclusie dat verweerder in redelijkheid het standpunt kon innemen, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij binnen het UNRWA- gebied gegronde vrees voor vervolging heeft en om die reden daarheen niet zou kunnen terugkeren en dat eiser dan ook niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op de a-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

4. Nu verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers relaas ongeloofwaardig is, heeft verweerder eveneens kunnen afzien van verlening van een verblijfsvergunning op de b-grond of de c-grond van artikel 29 van de Vw 2000.

5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/2010,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, voorzitter, en mrs. A.J.R.M. Vermolen en J.J.P. Bosman, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.