Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1592

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-12-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
382647 - HA ZA 11-14
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strafvorderlijke inbeslagneming van vee dat vervolgens wordt verkocht door de Dienst Regelingen. In de strafzaak wordt eiser gedeeltelijk vrijgesproken en wordt teruggave van het vee gelast. Eiser vordert in deze procedure vergoeding van schade nader op te maken bij staat, waaronder de waarde van de tijdens het beslag geboren kalveren. De verkoopopbrengst van het vee is aan eiser uitgekeerd, maar de schade van eiser zou aanmerkelijk hoger zijn. Inbeslagneming zonder redelijk vermoeden van schuld en/of een disproprtionele maatregel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 382647 / HA ZA 11-14

Vonnis van 21 december 2011

in de zaak van

1.de commanditaire vennootschap LANDBOUWBEDRIJF DE ROOIE HOEVE C.V.,

gevestigd te Rilland, gemeente Reimerswaal,

2.[eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. S.J.O. Dijkstra te Middelharnis, thans mr. A. Buth te Middelharnis,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE, HET MINISTERIE ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.B. Gaasbeek te Den Haag.

Partijen zullen hierna De Rooie Hoeve c.s. en de Staat worden genoemd terwijl eisers - indien afzonderlijke vermelding nodig is - De Rooie Hoeve respectievelijk [eiser sub 2] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 8 december 2010 met producties;

- de akte tot vermindering van eis van 5 januari 2011;

- de conclusie van antwoord van 16 februari 2011 met producties;

- het tussenvonnis van 21 april 2011;

- de ambtshalve beschikking van 21 april 2011 waarbij een comparitie van partijen is bepaald op 21 juli 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 21 juli 2011;

- de brief van mr. V. van Dam namens de Staat van 19 augustus 2011 met producties;

- de brief van mr. A. Buth namens De Rooie Hoeve C.V. c.s. met één productie;

- de brief van mr. R.W. Veldhuis namens de Staat van 5 oktober 2011.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.De Rooie Hoeve is een veehouderijbedrijf, waarvan [eiser sub 2] beherend vennoot is. Het bedrijf legt zich toe op het houden van runderen waaronder die van het ras Blonde d'Aquitane;

2.2.In een proces-verbaal van 19 december 2005, opgemaakt door de Algemene Inspectiedienst van het (toenmalige) Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (verder: AID), hebben de verbalisanten - zakelijk samengevat - onder meer het volgende opgenomen:

Locatie [A te plaats A]

- op 28 november 2005 hebben verbalisanten op de dijk aan de [locatie A te plaats A] 29 runderen waargenomen, die bleken toe te behoren aan De Rooie Hoeve. De toestand van deze runderen was aanleiding voor verbalisanten om een keuringsdierenarts verbonden aan de Voedsel en Waren Autoriteit (verder: Huige) in te schakelen die op 29 november 2005 zich van de toestand van de dieren heeft vergewist. Huige verklaart onder meer dat de voedselvoorziening van de runderen tekort schiet en dat zij sterk vermagerd zijn.

- [eiser sub 2] is door één van verbalisanten op 29 november 2005 gewaarschuwd en hem is een hercontrole aangekondigd. [eiser sub 2] heeft toen onder meer verklaard in te zien dat de verzorging van de runderen tekortschoot (Ik weet dat dat het zo niet moet").

- Op 6 december 2005 hebben verbalisanten voornoemde runderen waargenomen op de [locatie A te plaats A], waar de runderen zich bevonden onder een overkapping met een dak met vele gaten.

- Huige en een collega keuringsdierenarts (Van Helvoort) hebben de runderen op 8 december 2005 onafhankelijk van elkaar geïnspecteerd en geoordeeld dat de runderen gelet op hun vermagerde toestand, de kwaliteit van het verstrekte voedsel en de huisvesting de nodige verzorging werd onthouden.

Locatie [B]

- op 2 december 2005 hebben verbalisanten 65 runderen, toebehorend aan de Rooie Hoeve, waargenomen die naar hun oordeel erg mager waren, welk oordeel in een verklaring van Huige wordt bevestigd ("De conditie van de dieren was slecht. De dieren zijn zeer vermagerd...Gezien het weer (...) is het niet langer verantwoord om de dieren in dit weiland te laten lopen").

Locatie [C te plaats A]

- Op 6 december 2005 hebben verbalisanten aldaar 100 tot 150 runderen waargenomen in een betonnen bak die te klein was om bij slechte weersomstandigheden een schuilplaats te bieden, welke situatie ook door [eiser sub 2] als onacceptabel werd onderkend. Huige en Van Helvoort hebben onafhankelijk van elkaar als hun oordeel uitgesproken dat aan de runderen de nodige verzorging werd onthouden, gelet op fysieke conditie van de runderen en/of gezien hun huisvesting.

2.3.Op 8 december 2005 heeft de AID op bovengoemde locaties in totaal 239 runderen in beslag genomen wegens verdenking van het onthouden van de nodige verzorging als bedoeld in artikel 37 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD), met aanstelling van de Dienst Regelingen te Diemen als bewaarder.

2.4.Op 9 december respectievelijk 12 december 2005 zijn de 239 in beslaggenomen runderen in opdracht van de Officier van Justitie getaxeerd door een beëdigd taxateur op een bedrag van in totaal € 182.700,-.

2.5.[eiser sub 2] heeft tegen de in beslagneming bij de rechtbank Middelburg een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend dat bij beschikking van 17 januari 2006 ongegrond is verklaard. In de beschikking wordt onder meer het volgende overwogen:

"(...)

Uit het onderzoek in raadkamer is niet gebleken dat de inbeslagneming onrechtmatig was dan wel overigens in strijd is gehandeld met daarvoor geldende bepalingen.

De raadsman heeft voorts betoogd dat het niet proportioneel is dat de verbalisanten direct tot inbeslagneming zijn overgegaan.(...) Dat de betrokken verbalisanten direct zijn overgegaan tot inbeslagneming is te verklaren uit het feit dat klager documentatie heeft met betrekking tot het onthouden van de nodige verzorging aan runderen.

(...)

Uit het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit blijkt echter dat de nodige verzorging is onthouden aan de runderen. Op grond van dit proces-verbaal is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later verbeurdverklaring zal bevelen.

(...)".

2.6.De Dienst Regelingen heeft, nadat zij op 20 januari 2006 een machtiging tot vervreemding van de Officier van Justitie had verkregen, op grond van artikel 117 lid 1 Sv de runderen op 7 februari 2006 verkocht aan de hoogst biedende voor € 201.900,- en de runderen vervolgens geleverd.

2.7.Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 8 februari 2008 is De Rooie Hoeve veroordeeld wegens overtreding van in het vonnis nader genoemde artikelen van de Wet Milieubeheer, de bestrijdingsmiddelenwet, de Wet Bodembescherming en de Destructiewet, maar vrijgesproken van overtreding van artikel 37 GWWD en artikel 2 lid 1 Besluit welzijn productiedieren, waartoe de rechtbank het volgende heeft overwogen:

"(...)

Met betrekking tot het onder 10, 11 en 12 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat het Besluit welzijn productiedieren en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren niet uitdrukkelijk voorschrijft dat de dieren een droge ligplaats nodig hebben. De dieren dienen beschermd te zijn tegen slechte weersomstandigheden. Gelet op de tegenstrijdige verklaringen die getuige-deskundigen Huige en Helvoort en de dierenarts Verboom omtrent de vereiste beschutting en omtrent de voedings- en gezondheidstoestand van de runderen hebben afgelegd en mede gelet op de verklaring van de onafhankelijke getuige [A], acht de rechtbank niet onomstotelijk vastgesteld dat de dieren de nodige verzorging is onthouden. Verdachte moet hiervan derhalve worden vrijgesproken.

(...)".

Bij vonnis (eveneens) van 8 februari 2008 van de rechtbank Middelburg is [eiser sub 2] veroordeeld wegens overtreding van de in het vonnis nader genoemde artikelen van de Wet Milieubeheer, de Bestrijdingsmiddelenwet, de Wet Bodemsaneringen en de Destructiewet, doch onder meer vrijgesproken ter zake van overtreding van artikel 37 GWWD en artikel 2 lid 1 Besluit welzijn productiedieren op dezelfde overwegingen die de rechtbank aan de vrijspraak van De Rooie Hoeve ten grondslag heeft gelegd.

2.8.Met betrekking tot de 239 in beslag genomen runderen heeft de rechtbank De Rooie Hoeve als redelijkerwijs rechthebbende aangemerkt en teruggave aan De Rooie Hoeve gelast. De Staat heeft de verkoopopbrengst van de runderen vermeerderd met wettelijke rente (inmiddels) aan De Rooie Hoeve betaald.

3.Het geschil

3.1.De Rooie Hoeve C.V. c.s. vorderen - na vermindering van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar te verklaren bij voorraad,

a.voor recht zal verklaren dat De Staat onrechtmatig heeft gehandeld met de beslaglegging op en de verkoop van de gehele veestapel van De Rooie Hoeve c.s. en onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld;

b.de Staat zal veroordelen tot vergoeding van de schade van De Rooie Hoeve c.s. op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

c.de Staat zal veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.Aan hun vordering leggen De Rooie Hoeve c.s. kort samengevat het volgende ten grondslag.

De inbeslagneming van de 239 runderen is gedaan 1) zonder een redelijk vermoeden van schuld en 2) zo onzorgvuldig en disproportioneel dat ook om die reden de inbeslagneming onrechtmatig is.

De Rooie Hoeve c.s. hebben als gevolg van de inbeslagneming schade geleden waarbij zij de volgende posten onderscheiden: de waarde van de runderen boven de getaxeerde waarde door de kwaliteit van de runderen en omdat 155 dieren drachtig waren; de opbrengstderving voor De Rooie Hoeve c.s. door het tenietgaan van opgebouwde foklijnen; kosten door de beslaglegging zoals advocaatkosten, accountantskosten en dergelijke alsmede inkomensschade van de De Rooie Hoeve. De inkomensschade van De Rooie Hoeve bedraagt € 203.210,- en de kosten verband houdend met het beslag € 74.335,-. [eiser sub 2] heeft daarnaast toeslagrechten gederfd voor een bedrag van € 84.794,69 waarvoor De Rooie Hoeve c.s. verwijzen naar door hen overgelegde berekeningen.

3.3.De Staat voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.beslaglegging onrechtmatig omdat rechtvaardiging ontbrak?

De toepassing van een strafvorderlijk dwangmiddel is jegens de voormalige verdachte onrechtmatig indien van de aanvang af een rechtvaardiging voor dat strafvorderlijk optreden heeft ontbroken doordat dit optreden in strijd was met een publiekrechtelijke rechtsnorm, neergelegd in de wet of in het ongeschreven recht, waaronder het geval dat van de aanvang af een redelijk vermoeden van schuld heeft ontbroken en het geval dat het strafvorderlijk optreden disproportioneel moet worden geacht. De hier aan de orde zijnde beslaglegging op de runderen van De Rooie Hoeve dient, zoals De Rooie Hoeve c.s. terecht aanvoeren, in beginsel aan die norm te worden getoetst.

4.2.Voor die toetsing is echter geen plaats meer indien het strafvorderlijk optreden reeds is beoordeeld door de strafrechter. Dat geval doet zich hier voor nu door [eiser sub 2] tegen de beslaglegging een klaagschrift ex artikel 552a Sv is ingediend tegen de beslaglegging dat geleid heeft tot de onder 2.5 aangehaalde beschikking van de rechtbank Middelburg. Blijkens deze beschikking, waarbij het klaagschrift ongegrond is verklaard, is geoordeeld dat niet is gebleken dat de beslaglegging onrechtmatig is geweest dan wel dat is gehandeld in strijd met de daarvoor geldende bepalingen. In haar oordeel heeft de rechtbank tevens de proportionaliteit van de beslaglegging betrokken. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat het oordeel van de rechtbank, waar geen rechtsmiddel meer tegen open staat, niet langs de weg van een civiele vordering tegen De Staat tot onderwerp van een nieuw geding kan worden gemaakt. Bijzondere omstandigheden die tot een uitzondering op dit uitgangspunt zouden moeten leiden, zijn niet gesteld of gebleken.

4.3.gebleken onschuld na vrijspraak?

Ter comparitie hebben De Rooie Hoeve c.s. als nadere onderbouwing van hun vordering nog aangevoerd dat uit het strafvonnis en uit het strafdossier tevens de onschuld is gebleken van De Rooie Hoeve c.s.. Daartoe wijzen De Rooie Hoeve c.s. op de verklaringen die de getuigen Verboom en [A] - die zijn gehoord door de rechter-commissaris in de strafzaak bij de rechtbank Middelburg tegen De Rooie Hoeve c.s. - hebben afgelegd. De rechtbank overweegt daarover het volgende.

4.4.Van onrechtmatig overheidshandelen tegenover de gewezen verdachte is eveneens sprake indien de strafzaak niet met een bewezenverklaring is geëindigd en uit het vonnis van de strafrechter of anderszins uit de stukken van het strafdossier blijkt van de onschuld van de (voormalige) verdachte en van het ongefundeerd zijn van de verdenking waarop het optreden van politie of justitie berustte. Dat geval doet zich hier niet voor. Afgezien van het feit dat De Rooie Hoeve c.s. slechts van een deel van de hen tenlaste gelegde feiten zijn vrijgesproken (zie onder 2.7), brengt ook de vrijspraak van de overtreding van artikel 37 GWWD en artikel 2 lid 1 Besluit welzijn productiedieren niet mee dat ten aanzien van de overtreding van dat artikel de onschuld van De Rooie Hoeve c.s. is gebleken. Uit het onder 2.7 aangehaalde strafvonnis blijkt immers dat de vrijspraak van De Rooie Hoeve c.s. hierop berust dat het telastegelegde, gelet op de tegenstrijdige getuigenverklaringen, waaronder de hiervoor genoemde "niet onomstotelijk (is) vastgesteld". De rechtbank heeft dus het bewijs onvoldoende geoordeeld maar daarmee is niet voldaan aan het vereiste dat de onschuld van de gewezen verdachte moet zijn gebleken.

4.5.tussenconclusie

Uit het bovenstaande volgt dat de beslaglegging op de veestapel jegens De Rooie Hoeve c.s. niet onrechtmatig is geweest zodat de vordering tot veroordeling van De Staat om daaruit voortvloeiende schade te vergoeden evenmin toewijsbaar is. De vordering van De Rooie Hoeve c.s. richt zich ook op de wijze waarop de inbeslaggenomen veestapel door de Dienst Regelingen is vervreemd. De Rooie Hoeve c.s. zijn van mening dat tijdens het beslag 79 kalfjes moeten zijn geboren, welke kalfjes - althans de verkoopopbrengst daarvan - aan hen behoren te worden afgegeven. Verder voert De Rooie Hoeve c.s. aan dat bij taxatie van de 239 runderen geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat 155 runderen drachtig waren zodat de werkelijke waarde van de runderen veel hoger is dan de getaxeerde waarde. Dit waardeverschil vormt schade, aldus De Rooie Hoeve c.s. De rechtbank begrijpt het standpunt van De Rooie Hoeve c.s. aldus dat op deze punten, ongeacht of het beslag onrechtmatig is geweest, bij de verkoop van de veestapel sprake is van onrechtmatig handelen. De rechtbank zal beide punten achtereenvolgens behandelen.

4.6.tijdens het beslag geboren kalfjes

De Rooie Hoeve c.s. stelt zich terecht op het standpunt dat volgens artikel 11 lid 4 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen de tijdens het beslag geboren kalfjes aan hen behoren te worden afgegeven, althans de verkoopopbrengst daarvan. Volgens De Rooie Hoeve c.s. moeten tijdens het beslag 79 kalfjes zijn geboren, welk aantal De Rooie Hoeve c.s. ontlenen aan een door hen bijgehouden administratie. In verband daarmee heeft De Staat, zoals ter comparitie afgesproken, een lijst overgelegd betrekking hebbende op de gehele in beslag genomen veestapel - zijnde de van overheidswege voorgeschreven registratie volgens het I&R systeem - waarop ook de tijdens het beslag geboren kalveren zijn vermeld, tezamen met een toelichting. In hun reactie daarop erkennen De Rooie Hoeve c.s. alsnog het standpunt van De Staat dat tijdens het beslag 15 kalveren zijn geboren en niet 79, zoals De Rooie Hoeve c.s. uitgaande van een eigen administratie (overgelegd als productie 18 bij dagvaarding), eerst hadden gesteld.

4.7.De Rooie Hoeve c.s. bestrijden echter thans nog dat de waarde van deze 15 kalveren is begrepen in de verkoopopbrengst van de veestapel. Daartoe stellen De Rooie Hoeve c.s. dat de kalveren pas na de taxatiedata - 9 en 12 december 2005, zie onder 2.4 - zijn geboren. Verder maken De Rooie Hoeve c.s. aanspraak op vergoeding van de waarde van 64 ongeboren kalveren, kennelijk omdat De Rooie Hoeve c.s. menen dat het verschil tussen beide genoemde aantallen (79 en 15) moet bestaan uit drachtige runderen (zie daarover onder 4.8 en volgende).

4.8.De rechtbank kan De Rooie Hoeve c.s. in hun standpunt met betrekking tot de 15 tijdens het beslag geboren kalveren niet volgen. De Staat heeft bij herhaling (bij antwoord onder 4.3.3 en ter comparitie) betoogd dat de 15 kalveren zijn meeverkocht bij de verkoop van de veestapel, welke overigens voor de hand liggende gang van zaken door De Rooie Hoeve c.s. niet wordt bestreden. De rechtbank begrijpt het standpunt van De Rooie Hoeve aldus dat de verkoopprijs van de veestapel te laag is geweest omdat de waarde van de 15 geboren kalveren daarin niet is verwerkt. De Rooie Hoeve c.s. leiden dat kennelijk af uit het feit dat in de taxaties van de veestapel de kalveren niet waren begrepen, die toen nog niet waren geboren.

Zoals tussen partijen vast staat is de veestapel in zijn geheel verkocht voor € 201.900,- dus inclusief de inmiddels geboren kalveren. Dat de toen nog ongeboren kalveren niet in de taxaties zijn opgenomen, doet daar niet aan af. De verkoop van de veestapel tegen genoemde prijs zou jegens De Rooie Hoeve c.s. eerst onrechtmatig kunnen zijn indien de gerealiseerde prijs in verhouding tot de waarde zodanig laag was dat de Dienst Regelingen de belangen van De Rooie Hoeve c.s. heeft veronachtzaamd door de veestapel, nu daartoe ook 15 kalveren behoorden, tegen die prijs te verkopen. Dat hebben De Rooie Hoeve c.s. echter niet althans onvoldoende onderbouwd.

4.9.155 drachtige koeien?

De stelling dat 155 van de 239 runderen drachtig waren baseren De Rooie Hoeve c.s. eveneens op de hiervoor genoemde eigen administratie. Vervolgens verwijten De Rooie Hoeve c.s. de Staat dat bij de taxatie van de veestapel op 9 en 12 december 2005 met de drachtigheid van deze runderen geen rekening is gehouden. Deze 155 runderen vertegenwoordigden een waarde van € 376.805,- uitgaande van een geïnvesteerd vermogen van € 2.431,- per rund, aldus De Rooie Hoeve c.s.. De Rooie Hoeve c.s. verwijzen in dit verband nog naar de Hoeve c.s. verwijzen Hhoeve c.s. verwijzen in dit verband nog naar de door hen bij brief van 16 september 2011 overgelegde verklaring van hun veearts Verboom van 10 september 2011 onder meer inhoudend dat hij ieder jaar, in de maanden maart/april een drachtigheidsonderzoek verricht op verzoek van [eiser sub 2] bij zijn vrouwelijk vee, die verder nog het volgende verklaart:

"(...) Het rundvee van [eiser sub 2] heeft altijd een goede vruchtbaarheid gehad en heeft dat nog, de vruchtbaarheidspercentages lagen ruim boven het landelijk gemiddelde van 85%.

(...)".

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

4.10.Het standpunt van De Rooie Hoeve c.s. is innerlijk tegenstrijdig. Enerzijds komen De Rooie Hoeve c.s. tot de conclusie dat tijdens het beslag sprake is geweest van 64 ongeboren kalveren (dus evenzoveel drachtige runderen), nu in die periode niet 79 maar slechts 15 kalveren blijken te zijn geboren, terwijl anderzijds wordt gesteld dat er 155 drachtige runderen zijn geweest. De verklaring van veearts Verboom biedt geen uitsluitsel op dit punt daar uit zijn verklaring niets valt af te leiden met betrekking tot de toestand van de veestapel in de hier relevante periode van het beslag. Ook de door De Rooie Hoeve c.s. overgelegde administratie kan niet worden gevolgd, daar het hier - naar de Staat onweersproken heeft gesteld - achteraf opgestelde lijsten betreft, die bovendien ongeloofwaardig zijn gelet op het aantal geboren kalveren dat, in afwijking van deze administratie niet 79 maar 15 blijkt te zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om De Rooie Hoeve c.s. tot bewijs op dit punt toe te laten, in verband met het volgende.

4.11. Zoals reeds overwogen, is de veestapel in februari 2006 in zijn geheel verkocht aan de hoogstbiedende voor € 201.900,-. Volgens de in december 2005 uitgevoerde taxaties (zie onder 2.4) bedroeg de waarde van de veestapel € 182.700,-. Daargelaten dat de runderen blijkens de taxatielijsten individueel zijn getaxeerd en de schattingen per rund aanmerkelijk verschillen zodat aannemelijk is dat eventuele drachtigheid daarin is betrokken, gaan De Rooie Hoeve c.s. voorbij aan de vraag waar het ook hier om gaat: heeft de Dienst Regelingen door de verkoop van de veestapel aan de hoogste bieder voor evengenoemde prijs de belangen van De Rooie Hoeve c.s. zodanig veronachtzaamd dat de Dienst Regelingen daardoor jegens De Rooie Hoeve c.s. onrechtmatig heeft gehandeld. Dat is niet reeds het geval, zoals De Rooie Hoeve c.s. kennelijk menen, indien de veestapel zou zijn verkocht voor een bedrag dat lager ligt dan de op het tijdstip van verkoop geldende waarde. Of dit het geval is geweest en wel in zodanige mate dat van onrechtmatig handelen sprake is, valt uit de stellingen van De Rooie Hoeve c.s. echter niet op te maken. Afgezien van de tegenstrijdige stellingen van De Rooie Hoeve c.s. ten aanzien van het aantal drachtige runderen, is uit de stellingen van De Rooie Hoeve c.s. ook niet op te maken welke waarde aan de drachtige runderen moet worden toegekend. Het door de Rooie Hoeve c.s. genoemde bedrag van € 4.125,- voor een drachtig rund is in dit verband zonder betekenis daar dit bedrag niet de dagwaarde vertegenwoordigt maar het per rund geïnvesteerde vermogen. Ook de verklaring van veearts Verboom bevat in dit opzicht niets ter zake dienends.

4.12.Het bovenstaande leidt tot afwijzing van de vorderingen van De Rooie Hoeve c.s. De Rooie Hoeve c.s. zullen daarom in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.wijst de vordering van De Rooie Hoeve c.s. af.

5.2.veroordeelt de Rooie Hoeve c.s. in de kosten van de procedure die tot op heden worden begroot op € 1.582 aan salaris advocaat en € 568,- aan verschotten, vermeerderd met € 131,- aan nakosten dan wel € 199,- indien betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en voorts vermeerderd met wettelijke rente over voormelde vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2011.