Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1548

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-10-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
394120 / HA RK 11-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op LJN: BU3478. Letselschade, deelgeschil. Verjaring tijdig gestuit: brief valt aan te merken als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW. Werkgever aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW voor de schade die werknemer heeft opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. Begroting en veroordeling van de kosten ex artikel 1019aa Rv.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0068
JA 2012/70
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie Delft

zaaknummer / rekestnummer: 394120 / HA RK 11-284

Beschikking van 26 oktober 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat: mr. P. Meijer te Rotterdam,

tegen

de maatschap van besloten vennootschappen

PKF WALLAST,

gevestigd te Delft,

verweerster,

advocaat: mr. K. Weijers te Rotterdam.

Partijen zullen hierna (wederom) [verzoeker] en PKF Wallast worden genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de tussenbeschikking van 9 augustus 2011 en de daarin genoemde processtukken;

- de brief van de zijde van [verzoeker] van 14 september 2011, met producties;

- de brief van de zijde van [verzoeker] van 23 augustus 2011, met producties;

- de brief van de zijde van PKF Wallast van 12 oktober 2011, met producties.

1.2.Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.De kantonrechter blijft bij hetgeen zij in de tussenbeschikking van 9 augustus 2011 heeft overwogen en beslist.

2.2.In voornoemde beschikking heeft de kantonrechter na te hebben geoordeeld dat aan de formaliteiten van artikel 1019x lid 3 Rv is voldaan, dat de zaak zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, dat nog onvoldoende stukken zijn overgelegd om te kunnen beslissen over het geschilpunt omtrent verjaring en dat het beroep van PKF Wallast op artikel 6:89 BW niet slaagt, geoordeeld dat [verzoeker] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor PKF Wallast RSI-klachten heeft opgelopen en hij daardoor schade heeft geleden. Tevens is geoordeeld dat PKF Wallast tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgverplichting. De conclusie die is getrokken is dat, indien het verweer van PKF Wallast met betrekking tot verjaring niet slaagt, geoordeeld moet worden dat PKF Wallast op grond van artikel 7:658 BW jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast heeft opgelopen en het verzoek van [verzoeker] te dien aanzien dient te worden toegewezen. Indien het verweer van PKF Wallast ten aanzien van verjaring slaagt, dient het desbetreffende verzoek van [verzoeker] te worden afgewezen, zo is in bedoelde beschikking ook geconcludeerd.

2.3.De kantonrechter heeft ter beoordeling van het geschilpunt aangaande verjaring [verzoeker] in de gelegenheid gesteld het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek en de daarop volgende beschikking van de kantonrechter van 30 juli 2009 over te leggen, alsmede de correspondentie tussen partijen in de periode tussen 2 juli 2005 en 2 juli 2010.

2.4.Tussen partijen staat vast dat de verjaring in ieder geval bij brief van 1 juli 2005 namens [verzoeker] (tijdig) is gestuit. Beoordeeld moet worden of er nadien (en vóór 2 juli 2010) nogmaals een rechtsgeldige stuitingshandeling door [verzoeker] is verricht. Is dit het geval, dan is de schadevergoedingsvordering van [verzoeker] niet verjaard.

2.5.[verzoeker] heeft bij brief van 23 augustus 2011 het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek, het verweerschrift en de drie hierop volgende beschikkingen van de kantonrechter (kennelijk zijn er drie beschikkingen geweest) overgelegd. [verzoeker] betoogt dat PKF Wallast uit (de indiening van) het verzoekschrift heeft moeten afleiden dat zij, althans haar aansprakelijksverzekeraar, rekening moest houden met de vordering van [verzoeker]. De verjaring is door indiening van het verzoekschrift dan ook, tijdig gestuit, aldus [verzoeker].

2.6.PKF Wallast heeft vervolgens bij brief van 12 oktober 2011 gemotiveerd betwist dat de indiening van het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek, mede gezien de bijzondere omstandigheden van dit geval, kan worden aangemerkt als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW.

2.7.Bij brief van 14 september 2011 heeft [verzoeker] de kantonrechter bericht dat er van de zijde van [verzoeker] diverse brieven zijn verzonden naar (de advocaat van) PKF Wallast. Bij brief van 29 november 2006 heeft mr. Meijer mr. Weijers - onder meer - als volgt bericht:

"Mocht uwerzijds de aansprakelijkheid niet worden erkend én niet akkoord worden gegaan met inschakeling van een deskundige dan zal ik een verzoekschrift indienen tot het houden van een voorlopig deskundigenbericht."

2.8.Op 11 januari 2007 heeft mr. Meijer aan mr. Weijers het volgende schriftelijk medegedeeld:

"Mocht uwerzijds op geen enkele wijze constructief worden gereageerd dan ga ik ervan uit dat het voorlopig deskundigenbericht dan maar moet plaatsvinden."

2.9.Bij brief van 31 oktober 2008 heeft mr. Meijer onder meer het volgende medegedeeld aan mr. Weijers:

"Mocht u geen van deze expertiserend artsen willen inschakelen dan denk ik dat wij er minnelijk niet meer uitkomen. Ik zal dan ofwel een nieuw deskundigenbericht starten ofwel een eenzijdige expertise laten verrichten waarna ik een bodemprocedure zal starten."

2.10.Uit deze laatste passage blijkt volgens [verzoeker], naar de kantonrechter begrijpt, ondubbelzinnig dat [verzoeker] zich een recht op nakoming heeft voorbehouden. Ook hierdoor is de verjaring volgens [verzoeker] dus (tijdig) gestuit.

2.11.Ook de brief van 31 oktober 2008 kan volgens PKF Wallast, zo blijkt uit haar brief van 12 oktober 2011, in het licht van alle (daarna nog plaatsgevonden hebbende) omstandigheden niet gelden als een stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW. De dagvaarding werd namelijk - ondanks de zoveelste aankondiging van een procedure - wederom niet daadwerkelijk uitgebracht, zo stelt PKF Wallast. PKF Wallast kon en mocht er aldus vanuit gaan dat [verzoeker] geen moment meer serieus overwoog om zijn mogelijke vorderingen jegens PKF Wallast in rechte af te dwingen. Voorts kan uit het feit dat [verzoeker] in zijn brief van 1 juli 2005 wel uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn recht op nakoming heeft voorbehouden met verwijzing naar artikel 3:317 BW worden afgeleid dat hij zich bewust was van de wijze waarop de verjaring normaliter dient te worden gestuit. Dit kleurt de context waarin de correspondentie dient te worden beoordeeld, aldus PKF Wallast.

2.12.De kantonechter overweegt nogmaals dat de verjaring op grond van artikel 3:317 BW wordt gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Er moet sprake zijn van een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog ingestelde rechtsvordering behoorlijk kan verweren. Daarbij dient te worden beoordeeld of de wederpartij had behoren te begrijpen dat verzoeker zich ondubbelzinnig zijn recht voorbehoudt (HR 13 februari 1997, NJ 1997, 244 en meer recent HR 21 april 2006, NJ 2006, 270).

2.13.Daargelaten of het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek als zodanig kan worden beschouwd, is de kantonrechter, in tegenstelling tot PKF Wallast, van oordeel de dat de brief van [verzoeker] aan PKF Wallast van 31 oktober 2008 als stuitingshandeling in de zin van artikel 3:317 BW moet worden aangemerkt. PKF Wallast had door de mededeling als geciteerd onder 2.9 immers behoren te begrijpen dat [verzoeker] het voornemen had PKF Wallast in rechte te betrekken. Dat de verjaring bij brief van 1 juli 2005 namens [verzoeker] - zelf advocaat - op een wellicht meer gebruikelijke wijze is gestuit maakt niet dat PKF Wallast alleen dergelijke mededelingen als in de brief van 1 juli 2005 als stuitingshandeling behoefde op te vatten en niet had behoren te begrijpen dat [verzoeker] zich in de brief van 31 oktober 2008 ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehield. Voorts heeft PKF Wallast onvoldoende onderbouwd waarom PKF Wallast, gezien alle omstandigheden van dit geval, de aankondiging van [verzoeker] van 31 oktober 2008 om PKF Wallast in rechte te betrekken niet serieus behoefde te nemen. PKF Wallast voert te dien aanzien aan dat [verzoeker] aan de vele aan de mededeling van 31 oktober 2008 voorafgaande aankondigingen van procedures geen gevolg heeft gegeven. Uit de door partijen weergegeven citaten uit de tussen hen gevoerde correspondentie blijkt echter dat [verzoeker] voorafgaand aan de brief van 31 oktober 2008 slechts tweemaal, te weten bij brieven van 29 november 2006 en 11 januari 2007, heeft aangegeven dat hij wellicht een procedure zou starten. In deze brieven heeft [verzoeker] echter gewezen op de mogelijkheid tot het verzoeken om het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek, welke procedure [verzoeker] later ook daadwerkelijk is gestart. PKF Wallast heeft de hiervoor aangehaalde passage in de brief van 31 oktober 2008 bovendien ook daadwerkelijk opgevat als een voornemen van [verzoeker] om PKF Wallast in rechte te betrekken, hetgeen blijkt uit de reactie die mr. Weijers op 31 oktober 2008 naar [verzoeker] heeft verzonden:

"Ik zal de thans door u voorgestelde deskundige weer aan mijn medisch adviseur voorleggen. Mochten ook die deskundigen weer als "RSI partijdig" te boek staan, dan zijn wat mij betreft de mogelijkheden uitgeput en is het aan u om verdere actie te ondernemen. Ik kan mij voorstellen dat uw cliënt zijn geloofwaardigheid niet geheel wil verliezen en dan ook overgaat tot het uitbrengen van een dagvaarding. Er zijn immers nog genoeg andere punten waarover partijen in rechte kunnen debatteren. In die procedure komt dan te gelegener tijd wellicht vanzelf wel weer het moment waarop een deskundige dient te worden benoemd. Laten wij het debat dan op dat moment verder voeren."

2.14.De conclusie moet dus zijn, mede nu in ieder geval sinds 1 november 2008 nog geen 5 jaar zijn verstreken, dat de vordering van [verzoeker] tot schadevergoeding uit hoofde van artikel 7:658 BW (althans de artikelen 7:611 en 6:162 BW) niet is verjaard. Het verzoek van [verzoeker] om te bepalen dat PKF Wallast op grond van artikel 7:658 BW jegens [verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die hij tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast heeft opgelopen, zal dan ook worden toegewezen.

Kosten

2.15.[verzoeker] verzoekt PKF Wallast te veroordelen in de kosten van deze procedure op de voet van artikel 1019aa Rv juncto artikel 6:96 BW. [verzoeker] begroot zijn kosten van rechtsbijstand in totaal op € 8.062,-- (27,48 uur à € 290,--, exclusief 6% kantoorkosten en BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht.

2.16.PKF Wallast voert in de eerste plaats aan dat deze procedure volstrekt onnodig en/of onterecht is aangebracht, waardoor geen plaats is voor een aan [verzoeker] toekomende vergoeding van kosten, althans dat deze kosten dienen te worden begroot op nihil. Subsidiair voert PKF Wallast aan dat het door mr. Meijer in rekening gebrachte uurtarief onredelijk is. PKF Wallast acht een uurtarief van € 200,-- redelijk.

2.17.De kantonrechter overweegt dat artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Dit is alleen anders indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Nu [verzoeker] in het gelijk is gesteld kan hier geen sprake van zijn, zodat het verweer te dien aanzien zal worden verworpen. Nu de kantonrechter de kosten van deze procedure dient te begroten, dient blijkens artikel 6:96 lid 2 BW te worden beoordeeld of deze kosten voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. PKF Wallast heeft verweer gevoerd tegen het door mr. Meijer gehanteerde uurtarief. De onderhavige zaak betreft echter een zaak waarvoor naar het oordeel van de kantonrechter een gespecialiseerde advocaat moet worden ingeschakeld, hetgeen in principe een bovengemiddeld uurtarief rechtvaardigt. Nu het uurtarief van mr. Meijer, zoals hij zelf ook aangeeft, conform het advies van de Vereniging van Advocaten voor Slachtoffers van Personenschade is, acht de kantonrechter het door mr. Meijer in rekening gebrachte uurtarief redelijk.

2.18.Nu PKF Wallast geen verweer heeft gevoerd tegen de door mr. Meijer in rekening gebrachte uren, zal de kantonrechter de kosten van deze procedure begroten op € 8.062,-- (exclusief kantoorkosten en BTW) vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 258,--. Aangezien, zoals hierboven is overwogen, PKF Wallast aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast heeft opgelopen, zal PKF Wallast in deze kosten worden veroordeeld.

3.De beslissing

De kantonrechter:

3.1.bepaalt dat PKF Wallast op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] heeft opgelopen tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden bij PKF Wallast;

3.2.begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op € 8.062,-- (exclusief kantoorkosten en BTW), te vermeerderen met het griffierecht van € 258,--, en veroordeelt PKF Wallast tot betaling van deze kosten;

3.3.wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.E. Bierling en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2011, in tegenwoordigheid van de griffier.