Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1155

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
18-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/9080 & AWB 11/9077
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inschrijving gemeenschapsonderdaan, Richtlijn 2004/38/EG, middelen van bestaan

Eiseres 1, een minderjarig kind met de Duitse nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend tot inschrijving als gemeenschapsonderdaan. Haar moeder (eiseres 2) heeft verzocht om afgifte van een art. 9 Vw-document. De rechtbank stelt vast dat verweerder, hoewel in het bestreden besluit niet aan een concreet bedrag wordt gerefereerd, bij de beoordeling of eiseres 1 over voldoende middelen van bestaan beschikt is uitgegaan van het normbedrag voor alleenstaande ouders ingevolge de Wwb. Door enkel uit te gaan van voornoemd normbedrag, zonder daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van eisers, heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8, vierde lid, van de richtlijn.

Het standpunt van verweerder, dat de alimentatiebedragen die onderdeel uitmaken van het totaal van € 600,- waarvan eiseres 2 (moeder van eiseres 1)stelt rond te komen, haar twee andere kinderen betreffen, waardoor deze bedragen bezwaarlijk als middelen van bestaan ten behoeve van eiseres 1 kunnen worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Deze bedragen kunnen redelijkerwijs niet worden afgescheiden van het totaalbedrag van € 600,- dat eiseres 2 heeft te besteden. Het staat eiseres 2 vrij om alle bedragen die zij ontvangt te besteden aan haar drie kinderen. Daar komt bij dat eiseres 2 feitelijk al ruim twee jaar van de ontvangen bedragen rond komt met haar gezin en zij in die periode nimmer een beroep op de publieke middelen heeft hoeven doen. Gelet op overweging 47 van het Hof in het arrest Commissie tegen België, is de rechtbank van oordeel dat het verlies van toereikende bestaansmiddelen altijd een latent risico blijft en dat het standpunt van verweerder, dat de middelen die eiseres 2 ontvangt juridisch niet afdwingbaar zijn, evenmin doorslaggevend kan zijn voor het oordeel dat eiseres 1 niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. Beroepen gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/132
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 11/9080 (eiseres 1)

AWB 11/9077 (eiseres 2)

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 december 2011

in de zaak van:

[naam eiseres 1],

eiseres 1,

geboren op [geboortedatum], van Duitse nationaliteit,

en,

[naam eiseres 2],

geboren op [geboortedatum], van Ghanese nationaliteit,

eiseres 2,

gemachtigde: mr. I.M. Hagg, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

Eiseres 1

1.1 Eiseres heeft op 8 november 2010 een aanvraag ingediend tot inschrijving als gemeenschapsonderdaan. Verweerder heeft deze aanvraag op 8 november 2010 mondeling geweigerd. Eiseres heeft op 3 december 2010 tegen deze feitelijke handeling bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep (AWB 11/9080) ingesteld.

Eiseres 2

1.2 Eiseres heeft op 24 juni 2010 verzocht om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 30 november 2010 afgewezen. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift van 28 december 2010 heeft verweerder bij besluit van 18 februari 2011 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen dit besluit op 16 maart 2011 beroep ingesteld (AWB 11/9077) en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen is aangevangen op 15 juni 2011. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats, bij mondelinge uitspraak (AWB 11/9079), het verzoek om de voorlopige voorziening inzake eiseres 2 toegewezen en verweerder verboden om eiseres uit Nederland te (doen) verwijderen tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter heeft ter zitting voorts de behandeling van de beroepen aangehouden en de zaken verwezen naar een meervoudige kamer.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 22 september 2011. Eiseres 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Gemachtigde van verweerder is bijgestaan door de heer H. Verbaten, stafmedewerker bij de IND.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.

Eiseres 2 is de moeder van eiseres 1 ([naam eiseres 1]). [naam eiseres 1], geboren op [geboortedatum], heeft de Duitse nationaliteit. Sinds de geboorte van [naam eiseres 1] hebben eiseres en [naam eiseres 1] rechtmatig verblijf gehad in Duitsland. Naast [naam eiseres 1] heeft eiseres twee kinderen in Nederland met de Nederlandse nationaliteit, te weten [naam kind 1], geboren op [geboortedatum] en [naam kind 2], geboren op [geboortedatum]. Alle kinderen hebben sinds 16 april 2010 hun hoofdverblijf bij eiseres in Nederland. Eiseressen zijn beide in het bezit van een Duitse ziektekostenverzekering.

Naar aanleiding van de aanvraag van eiseres 2 op 24 juni 2010 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, Vw, waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, is aan eiseres een verblijfssticker verstrekt met de aantekening ‘arbeid niet toegestaan’. Eiseres heeft op 13 juli 2010 bezwaar gemaakt tegen de verstrekking van de verblijfsaantekening, in het bijzonder het niet verstrekken van een verblijfsaantekening ‘arbeid toegestaan’. Verweerder heeft het door eiseres hiertegen ingediende bezwaar bij besluit van 7 oktober 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 juni 2011 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het hiertegen door eiseres ingediende beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen (AWB 10/38080).

Standpunt verweerder ten aanzien van eiseres 1 ([naam eiseres 1])

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, samengevat, op het standpunt gesteld dat eiseres 1 niet in aanmerking komt voor afgifte van een verklaring waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Hiertoe heeft verweerder gesteld dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor verblijf als zogenoemde economisch niet actieve gemeenschapsonderdaan, omdat – kort gezegd – niet wordt voldaan aan het inkomensvereiste dat gesteld wordt voor een dergelijk verblijf. Het beroep van eiseres 1 op het arrest van 19 oktober 2004 inzake Zu en Chen (C-200/02, JV 2004/446) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) faalt, nu de moeder van eiseres 1, anders dan in het arrest Zu en Chen, geen inkomen uit arbeid tot haar beschikking heeft. Haar moeder krijgt op haar rekening steeds verschillende geldbedragen gestort. Nog daargelaten dat zij niet elke maand het normbedrag voor alleenstaande ouders tot haar beschikking had, wordt opgemerkt dat het bevreemding wekt dat de moeder van eiseres 1 na ontvangst van de geldbedragen dezelfde bedragen weer opneemt van haar rekening. De mensen die de moeder van eiseres 1 financieel steunen, hebben daarnaast geen onderhoudsverplichting tegenover eiseres 1 en haar moeder. Deze giften en leningen kunnen dan ook elk moment worden stopgezet. De alimentatie die de moeder van eiseres 1 ontvangt van haar ex-partners, betreffen de twee andere kinderen van eiseres 2 zodat deze bedragen evenmin als middelen van bestaan ten behoeve van eiseres 1 kunnen worden aangemerkt. Daarnaast faalt het beroep van eiseres 1 op het vertrouwensbeginsel.

Gronden van beroep ten aanzien van eiseres 1

2.3 Eisers hebben ten eerste gezamenlijk, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres 1 niet zou beschikken over voldoende middelen van bestaan aangezien zij valt onder artikel 2, tweede lid, onder c, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 (PbEU L158 en L229), die betrekking heeft op het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: de Richtlijn). Daarnaast is artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) op eiseres 1 van toepassing en doen zich volgens haar geen weigeringsgronden voor in het kader van artikel 8.8 Vb. Er moet bij het vaststellen van het bedrag van de bestaansmiddelen, volgens de richtlijn rekening worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene. De weigering eiseres 1 te registreren is in strijd met considerans 1, 11 en 14 van de richtlijn.

In beroep is voorts aangevoerd dat rekening gehouden dient te worden met het feit dat de dochter van eiseres 2 minderjarig is. Verwezen is naar het vereiste zoals dit is geformuleerd in het arrest Zu en Chen van het Hof. Het feit dat verweerder aan een minderjarige dezelfde eisen stelt als aan een volwassen EU-burger is in strijd met de richtlijn en het arrest Zu en Chen. Eiseres 2 heeft middels verklaringen van derden en bankafschriften aangetoond dat zij noch eiseres 1 ten laste komen van de openbare kas. Daarbij komt dat eiseres 2 niet in staat wordt gesteld te werken, waardoor haar situatie nimmer gelijk zou kunnen worden gesteld aan die in de zaak Zu en Chen. Verder is een beroep gedaan op een vergelijkbare zaak, waarin inkomsten uit een lening van een zwager wel als voldoende werden aangemerkt door verweerder.

2.4 Ter uitvoering van artikel 17 en artikel 18 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag), welke bepalingen thans zijn neergelegd in de artikelen 20 en 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), is -onder meer- de hiervoor aangehaalde richtlijn 2004/38/EG vastgesteld. Deze richtlijn is in werking getreden op 1 mei 2006.

2.5 Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de richtlijn wordt onder burger van de Unie verstaan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.

2.6 In het eerste lid van artikel 3 van de richtlijn is bepaald dat deze richtlijn van toepassing is ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, die hem begeleiden of zich bij hem voegen.

2.7 Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn heeft iedere burger van de Unie het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven, indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt.

2.8 In artikel 8, vierde lid, van de richtlijn is bepaald dat de lidstaten niet het bedrag van de bestaansmiddelen mogen vaststellen dat zij als toereikend beschouwen, maar dat ze rekening moeten houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Dit bedrag mag in geen geval hoger liggen dan het minimumbedrag waaronder onderdanen van het gastland in aanmerking komen voor sociale bijstand, of, indien dit criterium niet voorhanden is, dan het minimale socialezekerheidspensioen dat het gastland uitkeert.

2.9 Paragraaf 2, afdeling 2, van het Vb ziet op regelgeving betreffende EG/EER.

Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, Vb is deze paragraaf van toepassing op onder meer vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het EG-verdrag en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

In artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder b, Vb, is bepaald dat de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland heeft, indien hij voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt.

In het derde lid van voormeld artikel is bepaald dat voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, de vreemdeling met een inkomen ter hoogte van het normbedrag dat ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) voor de desbetreffende categorie is vastgesteld, in ieder geval beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In het vierde lid van voormeld artikel is bepaald dat de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, zich uiterlijk binnen een maand na afloop van de in artikel 8.11, eerste lid, bedoelde periode aanmeldt bij Onze Minister ter inschrijving in de vreemdelingenadministratie in geval hij beoogt langer dan drie maanden in Nederland te verblijven.

2.10 Volgens onderdeel B10/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is voor verweerder het uitgangspunt dat degenen die verblijfsrecht genieten als economisch niet-actieven geen onredelijke belasting mogen vormen voor de publieke middelen van het gastland. Blijkens onderdeel B10/4.1 Vc komen economisch niet-actieve EU/EER-onderdanen en dito Zwitserse onderdanen voor verblijf als gemeenschapsonderdaan in aanmerking, indien en zolang zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen. Tevens geldt dat zij voor zichzelf en – voor zover van toepassing – hun familieleden moeten beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico’s in Nederland dekt.

2.11 In onderdeel B10/4.1.1 Vc is voorts bepaald dat onder voldoende bestaansmiddelen wordt verstaan: voldoende hoog, dat wil zeggen tenminste het netto normbedrag voor de desbetreffende categorie (alleenstaande, echtparen/gezinnen), zijnde de bedragen waaronder ingevolge de Wwb aan eigen onderdanen bijstand wordt verleend. De bron waaruit deze middelen komen (bijvoorbeeld erfenis, alimentatie, onroerend goed, arbeid buiten Nederland, een uitkering, pensioen) is niet van belang, mits de gemeenschapsonderdaan de vrije beschikking heeft over de middelen of het recht op (periodieke) uitkering ervan.

De betrokken EU-EER-onderdaan of Zwitserse onderdaan dient aan te tonen over voldoende middelen te kunnen beschikken. De betrokkene is daarbij vrij in de keuze van de bewijsmiddelen.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.12 Niet in geschil is dat eiseres 1 als gemeenschapsonderdaan valt onder het bepaalde in artikel 8.7, eerste lid, Vb zoals hiervoor is weergegeven en dat eiseres 1 voor een periode van meer dan drie maanden na haar inreis in Nederland wil verblijven.

2.13 Uit het dossier blijkt de rechtbank het volgende.

Op 24 juni 2010 en 8 november 2010 heeft eiseres 2, als haar wettelijk vertegenwoordiger, getracht eiseres 1, [naam eiseres 1], in te schrijven in de vreemdelingenadministratie, conform het bepaalde in artikel 8.12, vierde lid, Vb. Beide aanvragen zijn mondeling afgewezen aan het loket van de IND waarbij is meegedeeld dat niet is aangetoond dat [naam eiseres 1] duurzaam de beschikking heeft over voldoende middelen van bestaan. Bij de aanvraag tot inschrijving van [naam eiseres 1] als burger van de Unie op 24 juni 2010 zijn overgelegd:

- een verklaring van [naam 1] van 25 mei 2010 dat hij of zij eiseres 2 maandelijks ondersteunt met een bedrag van € 400,--,

- een verklaring van [naam nicht], een nicht van eiseres 2, van 29 mei 2010 dat zij heeft besloten om eiseres 2 te steunen met een maandelijks bedrag van € 300,-- gedurende het verblijf van eiseres 2 in Nederland, - een verklaring van [naam 3] van 24 mei 2010 dat zij eiseres 2 in haar financiële situatie steunt met een bedrag van € 300,-- per maand, opdat eiseres 2 kan voorzien in haar dagelijkse behoeften, - twee vaststellingsovereenkomsten, beiden van 8 april 2010, waarin staat dat de vaders van de andere twee kinderen van eiseres 2 per maand elk een bedrag van

€ 150,-- aan kinderalimentatie zullen betalen.

2.14 Uit het verslag van de hoorzitting, gehouden op 27 januari 2011, blijkt dat eiseres 2 heeft verklaard dat zij nimmer heeft gesteld dat de bedragen die zij van [naam 1], [naam 2 van nicht] en [naam 3] ontving leningen waren, maar dat het geld dat zij overgemaakt krijgt, giften betreffen. Zij hoeft deze niet terug te betalen. Zij ontvangt dit geld tot het moment dat zij zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien. Zij ontvangt geld van haar twee ex-partners en van familieleden, onder andere haar oom. Alle kinderen hebben een ziektekostenverzekering evenals eiseres 2. Zij heeft diverse bankafschriften overgelegd, waaruit het volgende blijkt:

- 13 september 2010: storting € 400;

- 6 oktober 2010: storting € 300,- door [naam 3];

- 13 oktober 2010: storting € 300,- door [naam 2 van nicht];

- 15 oktober 2010: storting € 400,- door [naam 4];

- 18 november 2010: storting € 400,- door [naam 4]i;

- 6 december 2010: storting € 300,- door [naam 3];

- 6 december 2010: storting € 150,- door [naam 5];

- 27 december 2010: storting € 150,- door [naam 6].

2.15 In het bestreden besluit heeft verweerder zich, samengevat, op het standpunt gesteld dat eiseres 2 in de periode van september 2010 tot en met januari 2011 niet elke maand beschikte over tenminste het normbedrag voor alleenstaande ouders. Daarnaast zijn de bedragen die eiseres 2 ontvangt van derden niet juridisch afdwingbaar, nu de personen die eiseres 2 financieel steunen ten aanzien van haar en eiseres 1 geen enkele onderhoudsverplichting hebben. Gelet hierop heeft verweerder geconcludeerd dat eiseres 2 niet de vrije beschikking heeft over voldoende bestaansmiddelen om te voorkomen dat zij en daarmee eveneens eiseres 1 tijdens hun verblijf ten laste komen van de publieke middelen.

2.16 De rechtbank stelt vast dat verweerder, hoewel in het bestreden besluit niet aan een concreet bedrag wordt gerefereerd, bij de beoordeling of eiseres 1 over voldoende middelen van bestaan beschikt is uitgegaan van het normbedrag voor alleenstaande ouders ingevolge de Wwb. Ten tijde van de onderhavige aanvraag van eiseres 1 (8 november 2010) bedroeg deze norm € 867,41 (exclusief vakantietoeslag). Door enkel uit te gaan van voornoemd normbedrag, zonder daarbij rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres 1, heeft verweerder niet conform de richtlijn gehandeld. De rechtbank acht in dit verband, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 12 november 2009, nr. 200900969/1/V1 (JV 2010, 32), het volgende redengevend.

2.17 Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 8, derde lid, aanhef en tweede streepje van de richtlijn, volgt dat een burger van de Unie dient te bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht als economisch niet-actieve burger.

Uit richtlijn 2004/38/EG, waarvan de bepalingen niet restrictief mogen worden uitgelegd en aan welke bepalingen evenmin hun effectiviteit mag worden ontnomen, kan niet worden afgeleid dat de bewijsmiddelen om aan te tonen dat er voldoende bestaansmiddelen zijn mogen worden beperkt. Ook uit hetgeen het Hof in punt 44 tot en met 46 van het arrest van 25 mei 2000 in zaak nr. C-424/98 (Jurispr. 2000, blz. I -4033 en blz. I-4034; Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Italiaanse Republiek) heeft overwogen volgt dat deze bewijsmiddelen in beginsel niet mogen worden beperkt.

2.18 Uit artikel 8, vierde lid, van de richtlijn volgt, voor zover thans van belang, dat dit gastland niet het bedrag van de bestaansmiddelen mag vaststellen dat zij als toereikend beschouwt, maar rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden. Uit jurisprudentie van het Hof (onder meer het arrest Eind van 11 december 1997, C-291/05, JV 2008/1) volgt dat verweerder de voorwaarden in de zin van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn, zelfstandig dient te beoordelen.

2.19 In de punten 82 en 84 van het arrest van 25 juli 2008 in zaak nr. C-127/08 (JV 2008/291; Metock) heeft het Hof overwogen dat de Richtlijn blijkens de punten 1, 4 en 11 van de considerans tot doel heeft, de uitoefening van het fundamenteel en persoonlijk recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, dat door het Verdrag rechtstreeks aan alle burgers van de Unie wordt verleend, te vergemakkelijken en mogen de bepalingen van die richtlijn, gelet op de context en de doelstellingen, niet restrictief worden uitgelegd en mag deze in geen geval hun effectiviteit worden ontnomen.

In punt 94 van het arrest van 17 september 2002 in zaak nr. C-413/99 (Jurispr. 2002, blz. I-7169; JV 2002/466; Baumbast) heeft het Hof, voor zover thans van belang, overwogen dat aan de uitoefening van het verblijfsrecht ingevolge artikel 18, eerste lid, van het EG-verdrag de in deze bepaling bedoelde voorwaarden kunnen worden gesteld, doch dat de bevoegde autoriteiten, en in voorkomend geval de nationale rechterlijke instanties ervoor moeten waken dat die voorwaarden worden toegepast met inachtneming van de algemene gemeenschapsrechtelijke beginselen, in het bijzonder het evenredigheidsbeginsel.

Persoonlijke omstandigheden moeten worden beoordeeld met inachtneming van het doel van de richtlijn en het evenredigheidsbeginsel.

2.20 De rechtbank stelt vast, gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven onder rechtsoverwegingen 2.13 en 2.14, dat de bedragen die eiseres 2 ontvangt in hoogte fluctueren. Ter zitting heeft eiseres 2 toegelicht dat er thans sprake is van een vast groepje bestaande uit twee à drie personen (buiten de twee vaders die maandelijks alimentatie betalen) die per persoon maandelijks een bedrag van € 150,- aan eiseres betalen. Voorts heeft eiseres 2 ter zitting toegelicht dat haar huur € 300,- per maand bedraagt, maar dat ze geen huur betaalt omdat ze het huis waarin zij met haar kinderen verblijft, schoonmaakt en daarmee de verhuurder tegemoet komt. De vaders van haar twee andere kinderen voorzien, naast hun maandelijkse betaling van kinderalimentatie, ook in de kosten voor de school van hun twee kinderen en van eiseres 1. Daarnaast worden vanuit de kerk voedselpakketten en kleren voor de kinderen aan eiseres 2 verstrekt. Eiseres 2 heeft verklaard dat zij op deze manier maandelijks circa € 600,- te besteden heeft en, gelet op haar kosten, geen beroep doet en hoeft te doen op de openbare kas.

2.21 De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met de hiervoor weergegeven persoonlijke omstandigheden van eisers. Verweerder is slechts uitgegaan van de hiervoor genoemde bijstandsnorm voor alleenstaande ouders. Afgezien daarvan geldt dat verzoekster stelt maandelijks een bedrag van € 600,- te besteden te hebben. Als de in het normbedrag van € 867,41 begrepen huurcomponent daar op in mindering wordt gebracht omdat eiseres 2 geen huur betaalt, blijft er een bedrag van € 567,41 over. Hiermee wordt aan de toepasselijke norm voldaan.

Het standpunt van verweerder, dat de alimentatiebedragen die onderdeel uitmaken van het totaal van € 600,- waarvan eiseres 2 stelt rond te komen, haar twee andere kinderen betreffen, waardoor deze bedragen bezwaarlijk als middelen van bestaan ten behoeve van eiseres 1 kunnen worden aangemerkt, volgt de rechtbank niet. Deze bedragen kunnen redelijkerwijs niet worden afgescheiden van het totaalbedrag van € 600,- dat eiseres 2 heeft te besteden. Het staat eiseres 2 vrij om alle bedragen die zij ontvangt te besteden aan haar drie kinderen. Daar komt bij dat eiseres 2 feitelijk al ruim twee jaar van de ontvangen bedragen rond komt met haar gezin en zij in die periode nimmer een beroep op de publieke middelen heeft hoeven doen. Gelet op het voorgaande kan het door verweerder ingenomen standpunt, dat eiseres 1, reeds gelet op de hoogte ervan, niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, niet gevolgd worden.

2.22 Het standpunt van verweerder dat voornoemde middelen van bestaan ook overigens als onvoldoende dienen te worden aangemerkt, omdat ze juridisch niet afdwingbaar zijn en elk moment kunnen worden stopgezet, volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen het Hof heeft overwogen in de het arrest Commissie tegen België van 23 maart 2006 (C-408/03, NJ 2006, 475), rechtsoverweging 47:

“Het verlies van toereikende bestaansmiddelen blijft een latent risico, ongeacht of die middelen persoonlijk dan wel van een derde afkomstig zijn, zelfs indien die derde zich ertoe heeft verbonden om de houder van het verblijfsrecht financieel te ondersteunen. De herkomst van die bestaansmiddelen heeft dus niet automatisch invloed op het risico dat een dergelijk verlies zich voordoet, daar het intreden van dit risico van de omstandigheden afhangt.”

2.23 In de rechtsoverwegingen 48 tot en met 50 van voornoemd arrest overweegt het Hof voorts dat richtlijn 90/364 de Raad van 28 juni 1990 betreffende het verblijfsrecht (PB L 180) bepalingen bevat op grond waarvan de lidstaat kan optreden indien de financiële middelen wegvallen, om te voorkomen dat de houder van het verblijfsrecht financieel ten laste van die staat komt. Zo bepaalt artikel 3 van richtlijn 90/364 dat het verblijfsrecht blijft bestaan zolang degenen die dit recht genieten, voldoen aan de in artikel 1 van die richtlijn gestelde voorwaarde. Op grond van artikel 3 kan de lidstaat van ontvangst controleren of de burgers van de Unie die het verblijfsrecht genieten, hun hele verblijf lang voldoen aan de dienaangaande door richtlijn 90/364 gestelde voorwaarden.

2.24 Het bepaalde in artikel 3 van richtlijn 90/364, welke richtlijn is ingetrokken bij de inwerkingtreding van richtlijn 2004/38, is thans neergelegd in artikel 14 van richtlijn 2004/38, zodat de overwegingen van het Hof voor de uitleg van de bepalingen van richtlijn 2004/38 en daarmee voor de onderhavige zaak hun betekenis hebben behouden.

2.25 Gelet op voornoemde overweging van het Hof in het arrest Commissie tegen België, is de rechtbank dan ook van oordeel dat het verlies van toereikende bestaansmiddelen altijd een latent risico blijft en dat het standpunt van verweerder, dat de middelen die eiseres 2 ontvangt juridisch niet afdwingbaar zijn, evenmin doorslaggevend kan zijn voor het oordeel dat eiseres 1 niet over voldoende middelen van bestaan beschikt.

2.26 Reeds omdat verweerder ten onrechte de norm voor alleenstaande ouders als uitgangspunt heeft genomen voor de vraag of sprake is van voldoende middelen van bestaan en daarbij geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eisers, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 8, vierde lid, van de Richtlijn. Verder heeft verweerder, zoals uit het voorgaande blijkt, ook overigens onvoldoende gemotiveerd dat eiseres 1 niet over voldoende middelen van bestaan beschikt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder derhalve de inschrijving van eiseres 1 als gemeenschapsonderdaan ten onrechte heeft geweigerd. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit van 18 februari 2011 dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 8, vierde lid, van de Richtlijn en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het door eiseres 1 ingediende bezwaarschrift. De overige beroepsgronden behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

2.27 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiseres 1 heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

2.28 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

Het beroep van eiseres 2

2.29 Verweerder heeft het bestreden besluit ten aanzien van eiseres 2 gebaseerd op de in bezwaar gehandhaafde weigering om eiseres 1 als gemeenschapsonderdaan in te schrijven in de vreemdelingenadministratie wegens het niet voldoen aan de voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt.

2.30 Nu de rechtbank het besluit van verweerder ten aanzien van eiseres 1 heeft vernietigd, kan het besluit van verweerder ten aanzien van eiseres 2 evenmin stand houden.

2.31 Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit van 18 februari 2011 te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het door eiseres 2 ingediende bezwaarschrift. De overige beroepsgronden behoeven, gelet op het voorgaande, geen bespreking meer.

2.32 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiseres 1 heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

2.33 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

In de zaak van eiseres 1 (AWB 11/9080):

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 18 februari 2011;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 3 december 2010 met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres;

3.5 draagt verweerder op € 152,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep.

In de zaak van eiseres 2:

3.6 verklaart het beroep gegrond;

3.7 vernietigt het bestreden besluit van 18 februari 2011;

3.8 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 28 december 2010 met in achtneming van deze uitspraak;

3.9 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres;

3.10 draagt verweerder op € 152,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzitter, en mrs. E.B. de Vries-van den Heuvel en A.J. Medze, leden van de meervoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

14 december 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.