Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0937

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
AWB 11-19748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Paspoortvereiste. In Nederland geboren kind. Vader vrijgesteld van het paspoortvereiste, moeder niet.

In aanmerking genomen dat de moeder niet is vrijgesteld van het paspoortvereiste, dat de moeder de Guinese nationaliteit heeft en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt die nationaliteit niet te hebben dan wel die niet te kunnen verkrijgen, dat de moeder beschikt over een Guinees paspoort en de moeder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bij eiser in Nederland verbleef, bestaat geen grond voor het oordeel dat het stellen van het paspoortvereiste aan eiser in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel. Niet immers valt in te zien waarom van eiser en zijn ouders onder deze omstandigheden niet gevergd kan worden zich te wenden tot de Guinese autoriteiten (ambassade) om ten behoeve van eiser een paspoort te verkrijgen dan wel hem te laten bijschrijven in het paspoort van zijn moeder. Nu eiser en zijn ouders zich niet tot die autoriteiten hebben gewend, hebben eiser en zijn ouders niet aangetoond dat eiser niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/19748

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 december 2011

inzake

[eiser]

geboren op [...] 2010,

nationaliteit onbekend,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde mr. W.A. Venema,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. F.S. Schoot

Procesverloop

Bij besluit van 10 januari 2011, heeft verweerder de aanvraag van eiser, tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verband houdend met gezinshereniging bij ouder [vader] (hierna: vader) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 5 oktober 2011. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen en verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens was aanwezig de vader van eiser.

Overwegingen

1. Aan de orde is of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

3. Eiser is geboren op [...] 2010 te [plaats]. De nationaliteit van eiser is onbekend.

4. [moeder] geboren op [...] 1987, is de moeder (hierna: moeder) van eiser. Zij heeft de Guinese nationaliteit. Zij is in het bezit van een Guinees paspoort.

5. De vader is geboren op [...] 1984. Hij heeft de Sierraleoonse nationaliteit.

6. De vader en de moeder hebben een relatie.

7. De moeder heeft op 20 april 2006 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 5 juni 2009 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 27 november 2009 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

8. De moeder heeft op 3 december 2009 een nieuwe asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 9 december 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 8 april 2010 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 april 2010 heeft de Afdeling deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

9. De moeder heeft op 7 juli 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf bij partner (zijnde de vader van eiser). Bij besluit van 17 augustus 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Tegen dit besluit heeft de moeder bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 december 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 juli 2011 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

10. De vader heeft op 17 maart 2002 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 6 september 2002 heeft verweerder de vader een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Bij besluit van 25 september 2008 heeft verweerder de vader met ingang van 17 maart 2005 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd verleend. De vader is vrijgesteld van het paspoortvereiste.

11. Uit de relatie tussen de vader en de moeder zijn tevens geboren [kind 1] geboren op 16 februari 2007, en [kind 2] geboren op [...] 2008. Zij hebben op 12 november 2008 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier met als doel gezinshereniging bij de vader. Bij besluiten van 14 november 2008 heeft verweerder deze kinderen met ingang van 12 november 2008 een verblijfsvergunning regulier verleend.

12. Verweerder handhaaft in het bestreden besluit zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder heeft hiertoe – zakelijk weergegeven – uiteengezet dat eiser niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, terwijl hij niet heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land van herkomst waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer, in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de weigering de gevraagde vergunning te verlenen geen strijd oplevert met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Richtlijn 2003/86/EU (Richtlijn).

13. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en heeft daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De vader is vrijgesteld van het paspoortvereiste, omdat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel. Door de afwijzing van de asielaanvraag van de moeder, is zij genoodzaakt Nederland op korte termijn te verlaten en kan zelfs worden uitgezet. Eiser is van mening dat verweerder het beleid van hoofdstuk B1/4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) niet juist leest en dat het in dit hoofdstuk genoemde beleid behoort te worden uitgelegd in de relatie tot de ouder bij wie verblijf wordt gevraagd, in eisers geval de vader. Eiser is van mening dat zijn moeder in een zelfde situatie verkeert als de persoon genoemd in de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 1 juli 2010 (AWB 08/15060), welke uitspraak de Afdeling heeft bevestigd bij uitspraak van 10 november 2010, 201007358/1 (www.raadvanstate.nl). Eiser dient daarom te worden vrijgesteld van het paspoortvereiste. Subsidiair stelt eiser zich op het standpunt dat het besluit van verweerder in strijd is met de Richtlijn, het Handvest van de Grondrechten van de Europese unie (Handvest) en dat de door verweerder in het bestreden besluit verwoorde belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het voordeel van eiser had moeten uitvallen.

14. De rechtbank overweegt als volgt.

15. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is verweerder bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

16. Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

17. Artikel 3.4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bevat in het eerste lid een (niet-limitatieve) opsomming van de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen. Onder de letter a van dit eerste lid is de beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming genoemd.

18. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

19. Ingevolge artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land van herkomst waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer, in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

20. In de Nota van toelichting bij het Vb 2000 (Staatsblad 2000, 497, p. 147) staat het volgende.

“(…) Een geldig document voor grensoverschrijding dient onder meer als een der middelen tot vaststelling van de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. Daarnaast dient het geldige document voor grensoverschrijding het belang van het toezicht op vreemdelingen en, indien wordt overgegaan tot verblijfsbeëindiging het vertrek van de vreemdeling of diens uitzetting naar het land van herkomst. (…)”

21. Ingevolge artikel 3.23, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, Vb 2000 (gezinsvorming/gezinshereniging), verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van Onze Minister feitelijk is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Wet, en die sedert de geboorte van de vreemdeling het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst.

22. Ingevolge artikel 3.23, vierde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 verleend, indien de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

23. In paragraaf B2/5.11 van de Vc 2000 staat dat artikel 3.23 van het Vb 2000 een bijzondere regeling bevat voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd. De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien, voor zover hier van belang, het kind beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie B1/4.2), waarbij kan worden volstaan met bijschrijving in het paspoort van de ouder.

24. In paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000 staat dat als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit dient te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Voorts staat hierin vermeld dat de vreemdeling die zich er op beroept dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, dat, voor zover redelijkerwijs mogelijk, aantoont. Onder het kopje Bijzondere categorieën staat vermeld dat het paspoortvereiste eveneens niet van toepassing is op hier te lande geboren kinderen, ten behoeve van wie een aanvraag voor verblijf bij ouder is gedaan en waarvan de ouders zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste aangezien zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel, een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure of een verblijfsvergunning als Amv of een vergunning buitenschuld.

25. De rechtbank stelt vast dat eiser niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding. Partijen verschillen van mening of eiser op grond van paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000 moet worden vrijgesteld van het paspoortvereiste.

26. Evenbedoeld beleid komt de rechtbank, gezien de met een geldig document voor grensoverschrijding te dienen doelen zoals vermeld in de hiervoor weergegeven Nota van toelichting bij het Vb 2000, niet onredelijk voor. In tegenstelling tot verweerder in het bestreden besluit heeft uiteengezet is blijkens paragraaf B1/4.2 niet zozeer van belang of beide ouders een verblijfsvergunning hebben (waarbij zij zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste), maar of beide ouders zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste dan wel of daartoe aanleiding bestaat. Anders valt immers niet te verklaren dat verweerder de andere kinderen van de vader en de moeder, ondanks het ontbreken van een paspoort, wel een verblijfsvergunning heeft verleend. In het bestreden besluit staat ook dat de moeder toen in afwachting was van een beslissing op haar asielaanvraag (bedoeld wordt waarschijnlijk dat zij in afwachting was van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag), zodat, volgens verweerder, op dat moment van haar niet kon worden verwacht zich tot de autoriteiten van haar land van herkomst te wenden om een paspoort voor haar kinderen aan te vragen. De rechtbank deelt evenmin de door eiser voorgestane opvatting dat paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000 zo moet worden uitgelegd dat het hier te lande geboren kind moet worden vrijgesteld van het paspoortvereiste, omdat de ouder bij wie verblijf wordt beoogd is vrijgesteld van dat paspoortvereiste. Het beleid spreekt uitdrukkelijk van ouders (meervoud) en niet van ouder (enkelvoud). Bovendien houdt deze uitleg onvoldoende rekening met de situatie van het kind en de andere ouder en heeft zelfs tot gevolg dat ook in de situatie dat het kind wel een paspoort heeft, hij toch van het paspoortvereiste is vrijgesteld, enkel omdat de ene ouder is vrijgesteld van het paspoortvereiste.

27. In aanmerking genomen dat de moeder niet is vrijgesteld van het paspoortvereiste, dat de moeder de Guinese nationaliteit heeft en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt die nationaliteit niet te hebben dan wel die niet te kunnen verkrijgen, dat de moeder beschikt over een Guinees paspoort en de moeder ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bij eiser in Nederland verbleef, bestaat geen grond voor het oordeel dat het stellen van het paspoortvereiste aan eiser in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel. Niet immers valt in te zien waarom van eiser en zijn ouders onder deze omstandigheden niet gevergd kan worden zich te wenden tot de Guinese autoriteiten (ambassade) om ten behoeve van eiser een paspoort te verkrijgen dan wel hem te laten bijschrijven in het paspoort van zijn moeder. Nu eiser en zijn ouders zich niet tot die autoriteiten hebben gewend, hebben eiser en zijn ouders niet aangetoond dat eiser niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

28. De situatie van eiser verschilt dusdanig van de situatie in de zaak die heeft geleid tot de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, dat een beroep op deze uitspraak eiser niet kan baten. In die zaak was de vader met onbekende bestemming vertrokken en was niet bekend uit welk land hij afkomstig was.

29. Het betoog van eiser dat hij vrijgesteld dient te worden van het paspoortvereiste omdat de twee andere kinderen wel zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste, slaagt niet, reeds, omdat, zoals hiervoor overwogen, de situatie van de moeder ten tijde van het verlenen van de verblijfsvergunning aan die kinderen een andere was dan ten tijde van de beslissingen op de onderhavige aanvraag van eiser.

30. Het beroep van eiser op artikel 8 van het EVRM slaagt niet. Weliswaar is tussen eiser en zijn ouders en hun overige kinderen sprake van familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, maar van inmenging in het recht op eerbiediging daarvan is geen sprake. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat de belangen van eiser, gelegen in het hier te lande kunnen uitoefenen van het familie- en gezinsleven, niet opwegen tegen het algemeen belang, welk belang onder meer wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Verweerder heeft hierbij terecht van belang geacht dat de moeder van eiser hier te lande ook geen verblijf is toegestaan. Voorts heeft verweerder betekenis kunnen toekennen aan het feit dat eiser niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding en eiser, zoals uit het voorgaande volgt, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan deze voorwaarde kan voldoen.

31. Hetgeen eiser onder verwijzing naar de Richtlijn en het Handvest heeft aangevoerd stuit eveneens af op het feit dat eiser niet voldoet aan de toelatingsvoorwaarde van het overleggen van een geldig document voor grensoverschrijding en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan deze voorwaarde kan voldoen.

32. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand.

33. Het beroep is ongegrond.

34. Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

35. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van J.H.J.M. Strik als griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2011.

De griffier is buiten staat deze uitspraak

mede te ondertekenen.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC Den Haag

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: