Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0729

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
12-01-2012
Zaaknummer
401958 / HA RK 11-499 Wrakingnummer 2011/39
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking van bestuursrechter. Verzoek afgewezen. De omstandigheid dat de rechter het wrakingsprotocol niet heeft nageleefd kan - wat daar ook van zij - niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Ook de beslissing van de rechter om geen getuigen te horen, kan niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen is een processuele beslissing en het is niet aan de wrakingskamer de juistheid van deze beslissing te beoordelen. Dit wordt eerst anders indien uit die beslissingen blijkt van een vooringenomenheid van de rechter die deze beslissingen heeft genomen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in dit geval geen sprake, temeer niet gelet op de door de rechter gegeven reden voor afwijzing van het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2011/39

rekestnummer: 401958 HA RK 11-499

zaaknummer: AWB 10/15069

datum beschikking: 10 oktober 2011

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. [gemachtigde],

strekkende tot wraking van:

mr. [X],

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector bestuursrecht,

hierna te noemen: mr. [X].

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Op 6 april 2011 heeft een mondelinge behandeling plaats gevonden in de zaak tussen verzoeker en de Minister voor Immigratie en Asiel met betrekking tot het door verzoeker ingestelde beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn asielaanvraag. Het onderzoek is bij beslissing van 21 april 2011 heropend, opdat de dossiers van de oom, tante en broer van verzoeker door verweerder konden worden overgelegd aan de rechtbank. Deze dossiers zijn vervolgens door verweerder aan de rechtbank toegestuurd, met het verzoek om beperkte kennisname. Dit verzoek is door een andere rechter gehonoreerd. Desgevraagd heeft verzoeker bij brief van 9 juni 2011 geen toestemming gegeven voor inzage in deze dossiers door de rechtbank. Op 24 augustus 2011 is ten overstaan van mr. [X] de zitting voortgezet. Een verzoek van verzoeker om de oom, tante en broer als getuigen te horen is door mr. [X] afgewezen, waarna verzoeker ter zitting voornoemde rechter heeft gewraakt. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst en het wrakingsverzoek is voorgelegd aan de wrakingskamer. Bij fax, ter griffie ingekomen op 16 september 2011, heeft de gemachtigde het verzoek toegelicht.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 26 september 2011 is ter openbare terechtzitting het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eveneens is verschenen de heer [tolk] als tolk. Mr. [X] heeft bij brief van 22 september 2011 zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt en tevens meegedeeld niet op de zitting te zullen verschijnen. Van de Minister voor Immigratie en Asiel is geen reactie ontvangen. De gemachtigde van verzoeker heeft ter zitting het wrakingsverzoek toegelicht.

3. Het standpunt van verzoeker

In het wrakingsverzoek wordt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Volgens verzoeker heeft mr. [X] niet de in het wrakingsprotocol voorgeschreven volgorde van de handelingen gevolgd. Er is ter zitting immers geen proces-verbaal opgemaakt, dit is pas later geschied. In het proces-verbaal is bovendien niet alles opgenomen wat tijdens de zitting is gezegd. Verzoeker voert voorts aan dat mr. [X] hem niet heeft toegestaan de door hem verzochte getuigen te doen horen. Mr. [X] gaf daarbij aan dat de getuigenverklaringen niet van toegevoegde waarde zouden zijn, omdat hij geen kennis zou kunnen nemen van de onderliggende asielstukken. Het is echter niet nodig om getuigenverklaringen te vergelijken met schriftelijke stukken teneinde na te gaan of de mondelinge verklaringen op waarheid berusten. De conclusie van mr. [X] is derhalve in strijd met fundamentele beginselen van een behoorlijke procesorde aangezien verzoeker wordt gefrustreerd in zijn bewijsvoering, zonder dat daar een valide reden aan ten grondslag ligt. Door bij voorbaat ervan uit te gaan dat de getuigenverklaringen niet van toegevoegde waarde zouden zijn, wordt de schijn gewekt van partijdigheid, althans vooringenomenheid.

4. Het standpunt van mr. [X]

Kort, zakelijk weergegeven komt het standpunt van mr. [X] op het volgende neer. Zijn beslissing om de getuigen niet te horen houdt verband met de omstandigheid dat zij niet een week voor de zitting zijn aangemeld, zoals de wet vereist. Voorts is hij met het standpunt dat de door de getuigen ter zitting af te leggen verklaringen redelijkerwijs niet zouden kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak, niet inhoudelijk vooruitgelopen op hetgeen deze getuigen al dan niet zouden kunnen verklaren.. Hij is namelijk van oordeel dat de verklaringen van deze getuigen - ongeacht de inhoud daarvan - niet kunnen bijdragen aan de beoordeling van de zaak omdat hij zonder kennisneming van hun asielrelaas uit dient te gaan van de door de IND geconstateerde tegenstrijdigheden tussen het asielrelaas van verzoeker en de asielrelazen van de familieleden in kwestie. Tenslotte heeft hij er op gewezen dat het gaat om een procesbeslissing die in hoger beroep kan worden aangevochten.

5. De beoordeling

5.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijke apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3. Ter beoordeling van de wrakingskamer ligt de vraag voor of voornoemde rechter door zijn optreden ter zitting, blijk heeft gegeven van vooringenomenheid dan wel de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Daartoe wordt als volgt overwogen.

5.4. De omstandigheid dat mr. [X] het wrakingsprotocol niet heeft nageleefd kan - wat daar ook van zij - niet tot toewijzing van het wrakingsverzoek leiden. Het wrakingsprotocol bevat niet een zodanige regeling die, bij schending, een zelfstandige grond voor toewijzing van een wrakingsverzoek oplevert. Het protocol beoogt in dit verband slechts een vastlegging van de feitelijke gang van zaken.

5.5. Ook de beslissing van mr. [X] om geen getuigen te horen, kan niet leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek. De afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen is een processuele beslissing en het is niet aan de wrakingskamer de juistheid van deze beslissing te beoordelen. Dit wordt eerst anders indien uit die beslissingen blijkt van een vooringenomenheid van de rechter die deze beslissingen heeft genomen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is daarvan in dit geval geen sprake, temeer niet gelet op de door de rechter gegeven reden voor afwijzing van het verzoek.

5.6. Derhalve zal als volgt worden beslist.

6. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. M.J. van Basten Batenburg;

• verweerder in de hoofdzaak;

• mr. [X];

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2011 door mrs. E.A.G.M. van Rens, voorzitter, D. Aarts en H.M.D. de Jong, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.