Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0547

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-06-2011
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/1864 GGH
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BIZ-bijdrage terecht en naar juiste bedrag geheven; de gemeente is niet gehouden een tariefsdifferentiatie in de verordening op te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 982
Belastingblad 2012/98 met annotatie van M.R.P. de Bruin
FutD 2012-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, enkelvoudige kamer

Procedurenummer: AWB 11/1864 GGH

Uitspraakdatum: 1 juni 2011

Proces-verbaal van de mondelinge UITSPRAAK ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de [gemeente] , verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 13 februari 2011 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem opgelegde aanslag BIZ-bijdrage voor 2011.

I ZITTING

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011.

Eiser is daar, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Namens verweerder is verschenen [A].

II BESLISSING

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

III OVERWEGINGEN

1. Eiser is gebruiker van de onroerende zaak [a] te [plaats] (hierna: het pand). Het pand betreft een winkel-/verkoopruimte en dient niet in hoofdzaak tot woning.

2.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet van 19 maart 2009, houdende tijdelijke regels voor experimenten met een gebiedsgerichte bestemmingsheffing ten behoeve van aanvullende activiteiten van samenwerkende ondernemers mede in het publiek belang (Experimentenwet BI-zones) (hierna: de Wet BIZ) kan de gemeenteraad onder de naam BIZ-bijdrage een heffing instellen ter zake van binnen een bepaald gebied in de gemeente (BI-zone) gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt de BIZ-bijdrage geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken.

2.2. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet BIZ kan - kort gezegd - het tarief van de BIZ-bijdrage voor verschillende categorieën niet-woningen verschillend worden vastgesteld.

2.3. Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wet BIZ kan het tarief van de BIZ-bijdrage worden bepaald op een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag.

3.1. Op 25 november 2010 heeft de raad van de gemeente [gemeente] de Verordening op de heffing en invordering van een BIZ-bijdrage en op de subsidie voor de BI-zone Centrumgebied 2011 (hierna: de verordening) vastgesteld.

3.2. In artikel 1 van de verordening is bepaald dat de BI-zone (bedrijven Investerings zone) is: het bij de verordening aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven, welk aangewezen gebied is vermeld op de bij de verordening behorende en daarvan deeluitmakende kaart.

3.3. Artikel 3 van de verordening bepaalt dat onder de naam BIZ-bijdrage een directe belasting wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten die zijn gericht op het bevorderen van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit of een ander mede publiek belang in de openbare ruimte van de BI-zone.

3.3. Artikel 4 van de verordening bepaalt dat de belasting gedurende een periode van vijf jaar jaarlijks wordt geheven ter zake van binnen de BI-zone gelegen onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen en dat de belasting wordt geheven van degenen die bij het begin van het kalenderjaar in de BI-zone gelegen onroerende zaken al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, gebruiken

3.4. In artikel 6 van de verordening is bepaald dat de belasting wordt geheven naar een vast bedrag per onroerende zaak.

3.5. In artikel 8 van de verordening is de BIZ-bijdrage bepaald op een vast bedrag van € 400 per roerende of onroerende zaak.

4. In geschil is of verweerder terecht voor 2011 een BIZ-bijdrage van € 400 van eiser heeft geheven. Niet is in geschil dat het pand van eiser is gelegen binnen de BI-zone, derhalve binnen het gebied waarbinnen de verordening van toepassing is. Evenmin is in geschil dat het pand niet in hoofdzaak tot woning dient.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de raad het gebied waarin het pand is gelegen ten onrechte heeft aangewezen als BI-zone en dat de gemeente voor de heffing niet een vast tarief maar een gedifferentieerd tarief had moeten hanteren. Eiser verbindt daaraan de conclusie dat van hem ten onrechte een BIZ-bijdrage van € 400 is geheven.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de BIZ-bijdrage terecht en naar een juist bedrag van eiser is geheven.

7. Gemeentes hebben op grond van de Wet BIZ de mogelijkheid om een BIZ-bijdrage als de onderhavige in te stellen. Daarbij is hen blijkens de (hiervoor weergegeven) wettelijke bepalingen tevens de mogelijkheid geboden om het tarief te bepalen op een voor iedere bijdrageplichtige gelijk bedrag. De gemeente heeft van deze haar geboden mogelijkheid gebruik gemaakt bij de vaststelling van de verordening.

Inwerkingtreding verordening en verbindendheid

8. De rechtbank stelt voorop dat verweerder gemotiveerd en overtuigend heeft gesteld dat ten aanzien van de inwerkingtreding van de verordening is voldaan is aan de in de Wet BIZ gestelde eisen, meer specifiek de eisen uit de artikelen 4 en 5 van deze wet. Verweerder heeft daartoe een proces-verbaal ingebracht van een door een notaris verrichtte draagkrachtmeting. De rechtbank acht met de inbreng van dit stuk en de toelichting die verweerder ter zitting heeft gegeven, voldoende aannemelijk gemaakt dat de Verordening op rechtsgeldige wijze in werking is getreden. Ook overigens heeft de rechtbank geen aanwijzingen dat de verordening in strijd met daartoe gestelde eisen zoals ook vastgelegd in de Wet BIZ is vastgesteld. Mitsdien acht de rechtbank de verordening in zoverre niet onverbindend.

De BI-zone

9. Voor zover eiser stelt dat de raad het gebied waarin het pand is gelegen niet heeft mogen aanwijzen als BI-zone, kan de rechtbank hem daarin niet volgen. De onderhavige regelgeving is - naar verweerder heeft aangevoerd en ook uit de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 430, nr3) blijkt - juist in het leven geroepen om kosten verbonden aan activiteiten ter bevordering van leefbaarheid, veiligheid, ruimtelijke kwaliteit dan wel een ander publiek belang in openbare ruimte te verhalen op gebruikers van niet-woningen binnen een bepaalde (nader vast te stellen) zone, juist omdat ook ondernemers baat hebben bij investeringen in de bedrijfsomgeving. Uit hetgeen partijen hebben aangevoerd blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de aangewezen BI-zone een gebied betreft waarin in de (nabije) toekomst investeringen zullen worden gedaan in de kwaliteit van de omgeving. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot het oordeel dat de gemeente de BI-zone ten onrechte heeft vastgesteld zoals zij bij de verordening heeft gedaan.

Het tarief

10. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat de gemeente ten onrechte geen tariefsdifferentiatie in de verordening heeft opgenomen. Immers ingevolge artikel 2, vierde lid, Wet BIZ is de gemeente zonder meer gerechtigd om te kiezen voor een uniform tarief. Ook in zoverre is de verordening niet onverbindend.

11. Met de onder 9 en 10 gegeven oordelen en het feit dat eiser gebruiker is van een binnen de BI-zone gelegen onroerende zaak die niet in hoofdzaak dient tot woning, oordeelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in de Wet BIZ en de verordening dat de BIZ-bijdrage terecht en naar het juiste bedrag van eiser is geheven. Het gelijk is derhalve aan verweerder.

12. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A.J. Kwestro.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Afschrift verzonden op: