Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0370

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
408160 / HA RK 11-731 Wrakingnummer 2011/55
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking van politierechter. Met betrekking tot de grond onder 3.1.b. wordt verzoeker niet-ontvankelijk verklaard. Het had op de weg van verzoeker gelegen de politierechter te wraken op het moment dat deze weer vragen ging stellen over de feiten. Voor het overige wordt het verzoek afgewezen. Het staat een politierechter vrij om ook vragen te stellen aan de officier van justitie. Het getuigt niet van partijdigheid indien de officier van justitie door de politierechter wordt gewezen op eventuele tegenstrijdigheden in haar requisitoir met betrekking tot de dagvaarding. Hetzelfde geldt met betrekking tot vragen over een reeds in de dagvaarding in het vooruitzicht gestelde vordering tot gevangen-houding. Uit het feit dat de politierechter de officier van justitie heeft gehoord over het verzoek van de raadsman om schriftelijk vonnis te wijzen, kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van vooringenomenheid van de politierechter. De politierechter is voorts vrij ter terechtzitting ordemaatregelen te treffen indien hij van mening is dat hiermee escalatie kan worden voorkomen. Ten slotte merkt de wrakingskamer nog op dat een proces-verbaal van de terechtzitting bij de politierechter zich niet leent voor een letterlijke weergave van al hetgeen dat ter sprake is gekomen. Het betreft een korte en zakelijke weergave van wat er ter zitting is gebeurd en van de verklaringen van partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2011/55

rekestnummer: 408160 / HA RK 11-731

parketnummer: 09/608131-11

datum beschikking: 9 december 2011 (bij vervroeging)

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, (Sv) in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer,

verzoeker,

raadsman mr. R.F. Nelisse, advocaat te Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mr. [X],

rechter in de rechtbank te 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de politierechter.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop.

De strafzaak tegen verzoeker is op 30 november 2011 behandeld door de politierechter. Tijdens deze behandeling heeft verzoeker de politierechter gewraakt.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 6 december 2011 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.F. Nelisse, is verschenen. Het wrakingsverzoek is door mr. Nelisse toegelicht. De politierechter heeft zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt.

3. Het standpunt van verzoeker.

3.1. Het verzoek tot wraking is gebaseerd op de volgende drie gronden.

a) Op een verzoek van de verdediging om schriftelijk vonnis te wijzen heeft de politierechter ten onrechte het standpunt van de officier van justitie gevraagd. De politierechter dient echter op een dergelijk verzoek te beslissen, zonder de officier van justitie de gelegenheid te geven zich daarover uit te laten. De officier van justitie heeft immers geen belang bij dit verzoek. Dit vormt een uitzondering op de regel dat de officier van justitie op elk verzoek gehoord dient te worden.

b) Verzoeker heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Bij het stellen van vragen over de persoonlijke omstandigheden van verzoeker is de politierechter echter weer vragen gaan stellen over de feiten. De politierechter had dit niet mogen doen. Hij had zich met zijn vragen moeten beperken tot de persoonlijke omstandigheden van verzoeker en had niet meer mogen terugkeren naar de feiten.

c) De politierechter had de officier van justitie er niet op mogen wijzen dat zij in haar requisitoir uitging van een aangetroffen hoeveelheid drugs van 128 gram, terwijl in de dagvaarding lagere hoeveelheden werden genoemd. Voorts had de politierechter de officier van justitie niet mogen vragen of zij de gevangenhouding van verzoeker nog wilde vorderen.

3.2. Tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft mr. Nelisse enige opmerkingen gemaakt met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 30 november 2011. Hij is van mening dat het proces-verbaal geen juiste c.q. volledige weergave is van hetgeen daadwerkelijk is besproken. Als voorbeeld geeft hij aan dat hij niet gezegd heeft dat de officier van justitie tekeer gaat tegen de verdachte. Voorts heeft hij een uitgebreider verhaal verteld dan in het proces-verbaal is opgenomen en is één en ander in een andere volgorde en met andere woorden ter sprake gekomen. Ten slotte merkt mr. Nelisse nog op dat hij zich door de politierechter onheus bejegend voelt. Hem werd gezegd dat hij zich tijdens zijn pleidooi tot de politierechter moest richten en dat hij moest pleiten op de telastlegging.

4. Het standpunt van de politierechter.

4.1. De politierechter voert aan dat door hem ter zitting geen vragen zijn gesteld of toegelaten, welke de strekking hadden verklaringen te verkrijgen, waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Na verzoeker te hebben gewezen op de gevolgen die een beroep op het zwijgrecht in sommige gevallen zou kunnen hebben heeft de politierechter verzoeker eigener beweging in de gelegenheid gesteld met zijn advocaat te overleggen. Bij het voordragen van deze wrakingsgrond heeft mr. Nelisse opgemerkt dat hij al bij de ondervraging vond dat de politierechter een grens overschreed. Deze grond had al ruim voor de wraking als zelfstandige grond aangevoerd kunnen worden, zodat deze grond mogelijk als tardief buiten beschouwing moet blijven, aldus de politierechter.

4.2. De rekenfout van de officier van justitie in haar requisitoir met betrekking tot de hoeveelheid aangetroffen drugs is inderdaad door de politierechter aan de orde gesteld. Nadat mr. Nelisse had verzocht om schriftelijk uitspraak te doen heeft de politierechter zich over dat verzoek in raadkamer beraden. Omdat bij toewijzing de einduitspraak mogelijk langer op zich zou laten wachten, is het punt van de voorlopige hechtenis aan de orde gekomen. Voorts merkt de politierechter op dat mr. Nelisse zijn verontwaardiging over de rekenfout van de officier van justitie in sterke bewoordingen uitte. Om escalatie te voorkomen heeft de politierechter mr. Nelisse verzocht zich tot hem te richten en niet tot de officier van justitie.

5. De beoordeling.

5.1. Artikel 513, eerste lid, Sv bepaalt dat een verzoek tot wraking gedaan dient te worden zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Verzoeker heeft een beroep gedaan op zijn zwijgrecht, maar hij heeft vanaf het moment dat de politierechter vragen stelde over zijn persoonlijke omstandigheden, ook antwoord gegeven op vragen van de politierechter met betrekking tot de feiten. Nog daargelaten dat de politierechter op grond van het bepaalde in artikel 311, vijfde lid, Sv de vrijheid heeft nieuwe vragen aan een verdachte te stellen, had het op de weg van verzoeker gelegen de politierechter op de grond zoals hiervoor onder 3.1.b vermeld, te wraken op het moment dat de politierechter weer vragen ging stellen over de feiten. Nu deze grond pas geruime tijd later naar voren is gebracht dient verzoeker met betrekking tot deze grond in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.3. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.4. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3.1. a en c weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die de vrees van vooringenomenheid ten aanzien van deze politierechter kan rechtvaardigen. Ook kunnen die feiten en omstandigheden niet leiden tot de geobjectiveerd gerechtvaardigde vrees van partijdigheid. De wrakingskamer overweegt daartoe als volgt.

5.5. Met betrekking tot de onder 3.1.c vermelde wrakingsgrond heeft mr. Nelisse ter zitting aangevoerd dat de politierechter tijdens de terechtzitting lijdelijk dient te zijn. De wrakingskamer is echter van oordeel dat van een rechter, zeker in strafzaken, een actieve rol mag worden verwacht. De Memorie van Toelichting bij het ontwerp-Wetboek van Strafvordering spreekt in dat verband over een gematigd accusatoir strafproces. Een onderzoek ter terechtzitting impliceert een actieve rol van de politierechter. Het staat een politierechter dan ook vrij om behalve aan de verdachte en diens raadsman ook vragen te stellen aan de officier van justitie. Het getuigt niet van partijdigheid indien de officier van justitie door de politierechter wordt gewezen op eventuele tegenstrijdigheden in haar requisitoir met betrekking tot de dagvaarding. Hetzelfde geldt met betrekking tot vragen over een reeds in de dagvaarding in het vooruitzicht gestelde vordering tot gevangen-houding. Een vraag hierover zegt immers nog niets over de door de politierechter te nemen beslissing.

5.6. Uit het feit dat de politierechter de officier van justitie heeft gehoord over het verzoek van mr. Nelisse om schriftelijk vonnis te wijzen, kan niet worden geconcludeerd dat er sprake is van vooringenomenheid van de politierechter. Het principe van hoor en wederhoor brengt immers mee dat partijen over en weer op elkaars verzoeken dienen te worden gehoord. De wet verplicht de rechter daar, anders dan verzoeker meent, ook in dit geval toe.

5.7. De politierechter is voorts vrij ter terechtzitting ordemaatregelen te treffen indien hij van mening is dat hiermee escalatie kan worden voorkomen. De omstandigheid dat mr. Nelisse van mening is dat deze maatregelen overbodig waren, levert geen geobjectiveerd gerechtvaardigde vrees van partijdigheid van de politierechter op.

5.8. Ten slotte merkt de wrakingskamer nog op dat een proces-verbaal van de terechtzitting bij de politierechter zich niet leent voor een letterlijke weergave van al hetgeen dat ter sprake is gekomen. Het betreft een korte en zakelijke weergave van wat er ter zitting is gebeurd en van de verklaringen van partijen.

6. De beslissing.

De wrakingskamer:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek voor wat betreft de onder 3b genoemde grond;

- wijst het verzoek tot wraking voor het overige af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, Sv wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. R.F. Nelisse;

• de officier van justitie mr. [officier van justitie];

• de politierechter mr. [X].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 9 december 2011 door mrs. E. Rabbie, G.P. van Ham en J.G.J. Brink in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier.