Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0357

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2011
Datum publicatie
11-01-2012
Zaaknummer
AWB 11/27323 en AWB 11/27325
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Zambrano / 8 EVRM.

Het HvJEU heeft in het arrest inzake Zambrano geoordeeld dat artikel 20 VWEU zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat [zoon] het genot van zijn rechten als burger van de Unie niet wordt ontzegd omdat hij bij zijn vader in Nederland kan blijven, terwijl verweerder in het kader van het beroep op artikel 8 van het EVRM ook heeft aangevoerd dat juist niet is aangetoond dat [zoon] een band en omgang heeft met zijn vader. De vader heeft ook geen gezag over [zoon]; [zoon] kan met eiseres meereizen naar Ghana en zich daar kan vestigen, aldus verweerder. Met laatst vermelde overweging is echter tegenstrijdig het standpunt dat [zoon] bij zijn vader in Nederland wordt geacht te kunnen blijven, ten einde zijn Unieburgerrechten te kunnen blijven uitoefenen. Verweerder heeft bovendien in die situatie bij de beoordeling van de vraag of uitzetting van eiseres in strijd zal zijn met artikel 8 van het EVRM nagelaten te toetsen of de omstandigheid dat het gezinsleven tussen eiseres en [zoon] dan op een minder intensieve manier zal moeten worden uitgeoefend, doordat [zoon] wordt geacht bij zijn vader in Nederland te blijven, een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/27323 (beroep)

AWB 11/27325 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [1983], van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),

gemachtigde: mr. F. Kiliç, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.J.M. Magram-Tetteroo, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 23 augustus 2010 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “gezinshereniging bij [zoon]” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 augustus 2011 (opnieuw) ongegrond verklaard.

Op 23 augustus 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Tegelijkertijd is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. In geding is of verweerder op goede gronden de aanvraag van eiseres om een reguliere verblijfsvergunning heeft afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling daarvan.

2.1 Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.2 Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder l, van dat artikel is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou zijn.

3. Eiseres voert aan dat zij dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege het gezinsleven dat zij uitoefent met haar minderjarige zoon, [zoon], die de Nederlandse nationaliteit bezit. Daartoe beroept zij zich op het recht op gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en op het Unieburgerschap van haar zoon [zoon] in combinatie met de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 maart 2011 inzake Zambrano (LJN: BP9130). Gelet op de zaak Zambrano mag een kind niet worden gedwongen het grondgebied van de EU te verlaten, doordat aan de ouder geen verblijfsrecht wordt toegekend. Indien aan eiseres geen verblijfrecht wordt toegekend wordt [zoon] verplicht de EU te verlaten, hetgeen in strijd is met de uitspraak inzake Zambrano. In het kader van artikel 8 van het EVRM dient voorts, gelet op jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), gewicht te worden toegekend aan het feit dat een partner en kind de Nederlandse nationaliteit hebben en het recht hebben om in Nederland te verblijven. Eiseres verwijst ook naar een uitspraak van 17 november 2010 van deze rechtbank en zittingsplaats (LJN: BO9487). De rechtbank oordeelde dat een kind dit verblijfsrecht slechts volledig en doeltreffend kan uitoefenen in aanwezigheid van beide ouders. Uit het verweerschrift van verweerder blijkt niet dat daar enig gewicht is toegekend. Er is sprake van nauw contact tussen eiseres en haar ex-partner, die ook de Nederlandse nationaliteit heeft, en hij ziet hun zoon meerdere malen per week. Ook heeft hij uitdrukkelijk verklaard zijn kind te willen blijven zien en accepteert hij het niet als eiseres met zijn kind Nederland verlaat. Er is sprake van een objectieve belemmering om het gezinsleven elders uit te oefenen.

4.1 De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op het beroep van eiseres op de uitspraak van het HvJEU inzake Zambrano, terwijl eiseres daar in bezwaar, waarbij de eerdere beroepsgronden van 17 maart 2011 door eiseres zijn ingelast, wel een beroep op heeft gedaan. Al om die reden bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is het beroep gegrond.

4.2 De toelichting van verweerder in het verweerschrift en ter zitting acht de rechtbank onvoldoende om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het HvJEU heeft in het arrest inzake Zambrano geoordeeld dat artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting aangevoerd dat [zoon] het genot van zijn rechten als burger van de Unie niet wordt ontzegd omdat hij bij zijn vader in Nederland kan blijven, terwijl verweerder in het kader van het beroep op artikel 8 van het EVRM ook heeft aangevoerd dat juist niet is aangetoond dat [zoon] een band en omgang heeft met zijn vader. De vader heeft ook geen gezag over [zoon]; [zoon] kan met eiseres meereizen naar Ghana en zich daar kan vestigen, aldus verweerder. Met laatst vermelde overweging is echter tegenstrijdig het standpunt dat [zoon] bij zijn vader in Nederland wordt geacht te kunnen blijven, ten einde zijn Unieburgerrechten te kunnen blijven uitoefenen. Verweerder heeft bovendien in die situatie bij de beoordeling van de vraag of uitzetting van eiseres in strijd zal zijn met artikel 8 van het EVRM nagelaten te toetsen of de omstandigheid dat het gezinsleven tussen eiseres en [zoon] dan op een minder intensieve manier zal moeten worden uitgeoefend, doordat [zoon] wordt geacht bij zijn vader in Nederland te blijven, een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert.

5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hetgeen voor het overige door eiseres is aangevoerd behoeft gelet daarop geen bespreking. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

6. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.311,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/27323,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 11/27325,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 304,-- (zegge: driehonderdvier euro) aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,-- (zegge: duizenddriehonderdelf euro), te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.