Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0286

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2011
Datum publicatie
06-01-2012
Zaaknummer
404145 HA RK 11-594 Wrakingsnummer 2011/43
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking van meervoudige strafkamer. Volgens verzoeker heeft de meervoudige strafkamer blijk gegeven van vooringenomenheid door de verdediging niet een half uur langer te laten pleiten dan de tijd die voor het pleidooi gepland stond. De wrakingskamer stelt voorop dat het bewaken en handhaven van de zittingstijd en de toegekende tijd voor het requisitoir en het pleidooi - zeker in megazaken - zonder meer noodzakelijk is. Uit de wijze waarop de voorzitter tijdens de pleidooien op 29 en 30 september 2011 het tijdschema heeft gehanteerd zou de indruk kunnen ontstaan dat het handhaven van dit tijdschema zwaarder woog dan kennisname van de inhoud van de pleidooien. Anderzijds stelt de wrakingskamer vast dat de voorzitter in antwoord op het verzoek van mr. Koppe om vooraf de garantie te krijgen dat hij tot 17.30 uur mocht pleiten, na beraadslaging in raadkamer, heeft doen weten dat de meervoudige kamer zich in beginsel aan de gemaakte tijdsafspraken wenste te houden, maar daarbij nadrukkelijk de mogelijkheid heeft opengehouden dat enige coulance ten aanzien van de spreektijd zou worden gegund. Nu aldus een beslissing om de toegemeten tijd voor het pleidooi niet te verlengen (nog) niet daadwerkelijk was genomen, vormt de enkele weigering om reeds vooraf de toezegging te doen tot 17.30 uur te mogen pleiten, naar het oordeel van de wrakingskamer geen reden om aan te nemen dat sprake is van vooringenomenheid dan wel dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Het wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

wrakingnummer 2011/43

rekestnummer: 404145 HA RK 11-594

parketnummer: 09/748802-09

datum beschikking: 3 oktober 2011

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden" te Zoetermeer,

verzoeker,

raadslieden: mr. V.L. Koppe, mr. T.M.D. Buruma en mr. G.K. Sluiter, advocaten te Amsterdam,

strekkende tot wraking van:

1) mr. [X],

2) mr. [Y],

3) mr. [Z],

rechters in de rechtbank te 's-Gravenhage, sector strafrecht,

hierna gezamenlijk te noemen: de meervoudige strafkamer.

1. De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedagvaard in het kader van het zogenaamde Koninck-onderzoek. Na zes pro-formazittingen tussen 4 augustus 2010 en 10 juni 2011 is op 8 juli 2011 een regiezitting gehouden. Op 17 augustus 2011 is de zittingsplanning rondgestuurd. Vervolgens is op 15 september 2011 een begin gemaakt met de inhoudelijke behandeling, waarvoor in september en oktober 2011 nog vijftien zittingsdagen zijn uitgetrokken. De strafzaak tegen verzoeker is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen [B], [C], [D] en [E]. Mr. Koppe heeft ter zitting van 30 september 2011 de meervoudige strafkamer gewraakt. De raadslieden van de andere verdachten hebben zich bij het wrakingsverzoek aangesloten. Het onderzoek ter zitting is vervolgens geschorst en het wrakingsverzoek is voorgelegd aan de wrakingskamer.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 3 oktober 2011 is ter openbare terechtzitting van deze wrakingskamer het wrakingsverzoek behandeld. Verzoeker, bijgestaan door mr. Koppe, is ter zitting verschenen. Het wrakingsverzoek is ter zitting door de advocaat toegelicht. De leden van de meervoudige strafkamer hebben in een voorafgaande schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek te kennen gegeven dat zij niet in de wraking berusten en hun standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt. de officier van justitie, mr. W.N. Ferdinandusse, heeft ter zitting, mede aan de hand van door hem overgelegde pleitaantekeningen, eveneens een reactie gegeven op het wrakingsverzoek.

3. Het standpunt van verzoeker

Het wrakingsverzoek komt, kort en zakelijk weergegeven, op het volgende neer. De meervoudige strafkamer heeft blijk gegeven van vooringenomenheid door de verdediging niet een half uur langer te laten pleiten dan de tijd die voor het pleidooi gepland stond. Daardoor is de verdediging op onaanvaardbare wijze in haar rechten beknot. Zij wilde de zekerheid dat zij het zorgvuldig opgezette pleidooi kon afmaken en dat zij tijdens de conclusie niet onderbroken zou worden, vanwege het cruciale belang deze conclusie goed over het voetlicht te brengen. Daarom heeft zij verzocht om tot 17.30 uur te mogen pleiten in plaats van tot 17.00 uur, zoals in het dagschema was aangegeven. De voorzitter wilde - ook na beraadslaging in raadkamer - echter niet toezeggen dat zij tot 17.30 uur door mocht gaan. Dit getuigt van vooringenomenheid tegen de verdediging en is een schending van artikel 6 van het EVRM. De toon werd in de ochtend al gezet door het herhaaldelijk manen door de voorzitter om de tijdsplanning in acht te nemen, met als gevolg dat het pleidooi onder grote tijdsdruk moest worden voorgedragen. Het lijkt er op dat de strafkamer het handhaven van de orde belangrijker achtte dan de inhoud van het pleidooi.

4. Het standpunt van de meervoudige strafkamer

De meervoudige strafkamer heeft op voorhand een schriftelijke reactie ingezonden, waarvan de inhoud hier verkort wordt weergegeven. Op 17 augustus 2011 is aan het Openbaar Ministerie en de verschillende raadslieden de zittingsplanning toegezonden. Deze hield in dat in week 39 voor het requisitoir één dag voor alle verdachten werd uitgetrokken, indien mogelijk gevolgd door een zittingsvrije dag, en voor het pleidooi één dagdeel per verdachte, indien mogelijk eveneens gevolgd door een zittingsvrije dag. Tegen die planning is door niemand geprotesteerd. Vanaf de eerste zittingsdag op 15 september 2011 is een vast dagschema gehanteerd, met aanvang om 9.00 uur en einde om 17.00 uur, met tussendoor twee korte pauzes en een lunchpauze. In de tweede week van de behandeling (week 38) heeft het Openbaar Ministerie verzocht om meer tijd voor het requisitoir. Dit verzoek is ter zitting afgewezen. Ook op dat moment is door geen van de raadslieden geprotesteerd tegen het handhaven van de planning of extra tijd voor pleidooi verzocht. Ook eerder, toen mr. Buruma om bepaalde technische faciliteiten verzocht, is niet om extra tijd gevraagd. De officieren van justitie hebben zich met hun requisitoir aan de planning en het schema gehouden. Ook de advocaten van de medeverdachten hebben zich, met een uitloop van enkele minuten, gehouden aan de hun toegemeten tijd. Daarbij is niet alles letterlijk voorgelezen, maar zijn enkele citaten niet voorgedragen en bepaalde onderdelen iets korter samengevat. Daarbij heeft de rechtbank er op voorhand uitdrukkelijk op gewezen dat de volledige schriftelijke versies van het schriftelijk requisitoir en de pleitnotities tot de processtukken zouden gaan behoren.

De aangevoerde grond voor wraking, te weten dat aan mr. Koppe een halfuur extra pleittijd is ontzegd, is feitelijk onjuist. Het verzoek om extra pleittijd is toe- noch afgewezen. De voorzitter heeft mr. Koppe gewezen op de ook op eerdere dagen gehanteerde eindtijd en tevens op de daarbij betrachte coulance. De voorzitter heeft mr. Koppe vervolgens gezegd dat hij het woord had en het pleidooi kon voortzetten, hetgeen mr. Koppe heeft geweigerd. Voor zover dit wel wordt opgevat als een beslissing dan is het een procedurele beslissing die, zonder bijkomende feiten of omstandigheden, geen grond voor wraking kan vormen. Bijkomende feiten of omstandigheden zijn niet aangevoerd. Ook ziet de rechtbank niet in waaruit die zouden kunnen bestaan. Het wrakingsverzoek dient dan ook te worden afgewezen.

5. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek.

6. De beoordeling

6.1. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6 lid 1 EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijke apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3. De wrakingskamer stelt voorop dat het bewaken en handhaven van de zittingstijd en de toegekende tijd voor het requisitoir en het pleidooi - zeker in megazaken - zonder meer noodzakelijk is. De voorzitter is daarbij degene die op de voet van art. 272, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt hoe de beschikbare tijd wordt ingedeeld. Enige soepelheid dient daarbij wel te worden betracht, nu van de verdediging niet verwacht kan worden dat de duur van een pleidooi waarvoor een hele dag is uitgetrokken tot op het halfuur nauwkeurig kan worden bepaald. De wijze waarop de voorzitter tijdens de pleidooien op 29 en 30 september 2011 veelvuldig de raadslieden heeft onderbroken, hen gemaand heeft op de tijd te letten en heeft vastgesteld met hoeveel minuten de toegekende spreektijd was overschreden getuigt naar het oordeel van de wrakingskamer van een rigide en zelfs bijna kinderachtige manier van het hanteren van het tijdschema. Hierdoor zou de indruk kunnen ontstaan dat het handhaven van dit tijdschema zwaarder woog dan kennisname van de inhoud van de pleidooien. Dit is te meer onwenselijk nu de voor verzoeker bij deze zaak op het spel staande belangen groot zijn; tegen hem is immers een jarenlange gevangenisstraf geëist.

6.4. Anderzijds stelt de wrakingskamer vast dat de voorzitter in antwoord op het verzoek van mr. Koppe om vooraf de garantie te krijgen dat hij tot 17.30 uur mocht pleiten, na beraadslaging in raadkamer, heeft doen weten dat de meervoudige kamer zich in beginsel aan de gemaakte tijdsafspraken wenste te houden, maar daarbij nadrukkelijk de mogelijkheid heeft opengehouden dat enige coulance ten aanzien van de spreektijd zou worden gegund. Nu aldus een beslissing om de toegemeten tijd voor het pleidooi niet te verlengen (nog) niet daadwerkelijk was genomen, vormt de enkele weigering om reeds vooraf de toezegging te doen tot 17.30 uur te mogen pleiten, naar het oordeel van de wrakingskamer geen reden om aan te nemen dat sprake is van vooringenomenheid dan wel dat de schijn van vooringenomenheid is gewekt.

6.5. Derhalve zal als volgt worden beslist.

7. De beslissing

De wrakingskamer:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• verzoeker p/a zijn advocaat mr. V.L. Koppe;

• de officieren van justitie mr. M.J.M. Nieuwenhuis en mr. W.N. Ferdinandusse;

• de leden van de meervoudige strafkamer, mrs. [X], [Y] en [Z].

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2011 door mr. E. Rabbie, voorzitter, mr. H.M.D. de Jong en mr. G.P. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Schreuder als griffier.