Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0259

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11/40785
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring. Uit hetgeen eiseres op 21 november 2011 heeft meegedeeld, heeft verweerder terecht afgeleid dat zij asiel wilde aanvragen. Bij brief van 6 december 2011 heeft de gemachtigde van eiseres benadrukt dat eiseres asiel wilde aanvragen en heeft hij verweerder dringend verzocht haar daartoe in de gelegenheid te stellen. Op 19 december 2011 eindigde de strafrechtelijke detentie van eiseres en is zij in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiseres is op 29 december 2011 in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen. Gedurende de detentie van eiseres heeft verweerder zijn inspanningsverplichting geschonden. Gelet hierop moet een belangenafweging worden gemaakt, die gelet op de gronden van de maatregel van bewaring uitvalt in het voordeel van verweerder. Na de inbewaringstelling heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld door eiseres niet eerder in de gelegenheid te stellen asiel aan te vragen. In dit verband kan naar het oordeel van de rechtbank niet voorbij worden gegaan aan het feit dat verweerder al vier weken voor de inbewaringstelling wist dat eiseres asiel wilde aanvragen en dat haar gemachtigde dit op 6 december 2011 nog eens heeft benadrukt. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de vreemdelingenbewaring van eiseres.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 94
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/40785, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam ], eiseres,

gemachtigde: mr. H.B. Boogaart, advocaat te Groningen,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiseres op 19 december 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 19 december 2011 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring.

1.3. De zaak is op 29 december 2011 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen M. Kirakosian, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op de uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die:

a. geen rechtmatig verblijf heeft;

b. die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder f, g en h.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 strekt het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ingevolge het vierde lid van artikel 94 van de Vw 2000 verklaart de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.2. In de schriftelijke vastlegging van de maatregel van bewaring is vermeld dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling van eiseres vordert, omdat er aanwijzingen zijn om te vermoeden dat zij zich aan de uitzetting zal onttrekken. De gronden van de maatregel zijn dat eiseres:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf;

- gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst document; en

- een of meerdere aliassen heeft gebruikt.

2.3. Eiseres heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiseres wist niet dat het paspoort waarmee zij naar Nederland is gereisd vals was.

Eiseres kan niet terugkeren naar Irak omdat zij daar problemen met haar familie verwacht. Om die reden heeft eiseres te kennen gegeven dat zij een asielaanvraag wenst in te dienen. Bij brief van 6 december 2011 is verweerder hier nogmaals op gewezen. Op 19 december 2011 is eiseres in aansluiting op een strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld. Eiseres wordt pas op 29 december 2011 in de gelegenheid gesteld een asielaanvraag in te dienen. Gelet hierop heeft verweerder onvoldoende voortvarend gehandeld.

Eiseres verzoekt om opheffing van de maatregel van bewaring en toekenning van schadevergoeding.

2.4. Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Eiseres moet hebben geweten dat zij met een vals paspoort reisde en zij is hiervoor ook veroordeeld door de strafrechter. Na het uitzitten van haar straf is eiseres in vreemdelingenbewaring gesteld.

Verweerder heeft zijn inspanningsverplichting geschonden, maar de in dit verband te verrichten belangenafweging moet gelet op de gronden van de maatregel in zijn voordeel uitvallen. De mededeling in de voortgangsrapportage dat eiseres op 29 november 2011 asiel heeft aangevraagd is onjuist. De regievoerder heeft dit vernomen van een collega op Schiphol. Verweerder kan niet verklaren hoe dit misverstand is ontstaan. Na de inbewaringstelling van eiseres heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld door haar in de gelegenheid te stellen op 29 december 2011 asiel aan te vragen.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1. Bij de beoordeling van de beroepsgrond dat verweerder eiseres te laat in de gelegenheid heeft gesteld asiel aan te vragen acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Blijkens het door eiseres overgelegde proces-verbaal van verhoor op 7 november 2011 heeft zij op die datum verklaard nog niet te weten of zij asiel wil aanvragen in Nederland.

Blijkens het proces-verbaal van het gehoor van eiseres in het kader van haar eventuele ongewenstverklaring heeft zij op 21 november 2011 verklaard dat zij niet kan terugkeren naar Irak omdat haar leven daar gevaar loopt.

Uit de voortgangsrapportage van 20 december 2011 valt af te leiden dat de regievoerder er op die datum nog van uitging dat eiseres op 29 november 2011 asiel heeft aangevraagd. Op 30 november 2011 heeft de regievoerder navraag gedaan naar de stand van zaken in de asielprocedure van eiseres.

Bij brief van 6 december 2011 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder erop gewezen dat eiseres kenbaar heeft gemaakt dat zij asiel wenst aan te vragen en heeft hij verweerder dringend verzocht haar daartoe in de gelegenheid te stellen.

In het kader van de voorbereiding op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder vastgesteld dat eiseres nog geen asielaanvraag heeft ingediend en heeft hij het ertoe geleid dat eiseres in aansluiting op de zitting naar Schiphol zal worden gebracht voor het indienen van een asielaanvraag.

2.5.2. Gezien het feit dat de regievoerder op 30 november 2011 navraag heeft gedaan naar de stand van zaken in de asielprocedure van eiseres en nu niet is gebleken dat er in de periode tussen 21 en 30 november 2011 contact is geweest tussen eiseres en verweerder, moet het ervoor worden gehouden dat verweerder uit de mededelingen van eiseres tijdens het gehoor op 21 november 2011, naar het oordeel van de rechtbank terecht, heeft afgeleid dat eiseres asiel wenste aan te vragen. Na 21 november 2011 heeft het vijf weken en drie dagen geduurd voordat eiseres deze aanvraag heeft kunnen indienen, ervan uitgaande dat eiseres deze aanvraag inderdaad vandaag zal indienen.

Bij de beantwoording van de vraag welke consequenties hieraan moeten worden verbonden, kan er niet aan worden voorbijgegaan dat eiseres tot 19 december 2011 strafrechtelijk gedetineerd is geweest. In die periode rustte op verweerder een inspanningsverplichting om voor zover mogelijk te voorkomen dat eiseres na haar strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring gesteld zou moeten worden. Niet in geschil is dat verweerder deze verplichting niet is nagekomen. Vervolgens moet een afweging worden gemaakt tussen het hierdoor geschonden belang van eiseres en het belang van verweerder om haar desondanks in vreemdelingenbewaring te kunnen stellen. Gelet op de gronden van de maatregel valt deze belangenafweging uit het voordeel van verweerder.

Vervolgens moet worden beoordeeld of verweerder eiseres na haar inbewaringstelling met voldoende voortvarendheid in de gelegenheid heeft gesteld om asiel aan te vragen. Naar het oordeel van de rechtbank dient bij deze beoordeling te worden betrokken dat eiseres reeds vier weken voorafgaand aan haar inbewaringstelling mededelingen heeft gedaan waaruit verweerder heeft afgeleid dat zij asiel wenste aan te vragen en dat haar gemachtigde bij brief van 6 december 2011 nogmaals heeft benadrukt dat eiseres asiel wenst aan te vragen. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat bij de beoordeling van de voortvarendheid van het handelen van verweerder vanaf 19 december 2011 mede van belang is wat er vóór 19 december 2011 is gebeurd, met dien verstande dat verweerder meent na 19 december 2011 voldoende voortvarend te hebben gehandeld. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. In aanmerking genomen dat ten tijde van de inbewaringstelling van eiseres al vier weken lang duidelijk was dat zij asiel wenste aan te vragen en dat haar gemachtigde dit bij brief van 6 december 2011 nogmaals heeft benadrukt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voortvarend gehandeld door eiseres pas tien dagen na haar inbewaringstelling in de gelegenheid te stellen asiel aan te vragen. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond slaagt.

2.5.3. De rechtbank realiseert zich dat hetgeen onder 2.5.2. is overwogen gezien kan worden als afwijking of nuancering van de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die erop neerkomt dat het niet voldoen aan de inspanningsverplichting tijdens een strafrechtelijke detentie geen zelfstandige betekenis heeft voor de beoordeling van de voortvarendheid van het handelen van verweerder gedurende de vreemdelingenbewaring, bijvoorbeeld de uitspraak van 8 april 2009 (LJN BI1541). In de onderhavige zaak heeft zowel het niet voldoen aan de inspanningsverplichting gedurende de strafrechtelijke detentie als de klacht over het onvoldoende voortvarend handelen na de inbewaringstelling betrekking op het niet eerder gelegenheid bieden tot het aanvragen van asiel. In deze situatie ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet in de rede om bij de beoordeling van de voortvarendheid van het handelen van verweerder vanaf 19 december 2011 volledig te abstraheren van het feit dat hij eiseres in de vier weken vóór deze datum ook al niet in de gelegenheid heeft gesteld een asielaanvraag in te dienen.

2.6. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres bevelen.

De bewaring van eiseres is van meet af aan onrechtmatig. Uitgaande van de normbedragen van € 105 per dag detentie in een politiecel en € 80 per dag detentie in een huis van bewaring heeft eiseres, die op 20 december 2011 is overgeplaatst naar een huis van bewaring, recht op een schadevergoeding van € 825.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat eiseres procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiseres een schadevergoeding toe van € 825 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. van den Berg, griffier, ondertekend.