Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BV0253

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
11/16360 & 11/16418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ASIEL. Art. 3 EVRM. Motivering vrees voor vervolging bij terugkeer naar China bij oppositieactiviteiten in Nederland.

De Minister voor Immigratie en Asiel (verweerder) heeft de asielaanvragen van een Oeigoers echtpaar (eisers) afgewezen. De man (eiser) heeft volgens verweerder geloofwaardige verklaringen afgelegd met de strekking dat hij heeft deelgenomen aan verschillende demonstraties in Nederland, onder meer bij de Chinese ambassade in Den Haag. Eiser heeft zijn deelname aan demonstraties onderbouwd met stukken. Verder heeft hij gewezen op het ambtsbericht van maart 2011 van de Minister van Buitenlandse Zaken, waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat de Chinese autoriteiten de activiteiten van Oeigoeren in het buitenland nauwlettend in het oog houden, wat door verweerder niet wordt betwist. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank het redelijkerwijs mogelijke gedaan om aannemelijk te maken dat hij in Nederland activiteiten heeft verricht die bekend kunnen zijn geraakt bij de Chinese autoriteiten. Door te verlangen dat eiser aantoont dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van deze activiteiten, legt verweerder een te zware bewijslast op eiser. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat de politieke activiteiten van eiser in Nederland bij terugkeer naar China niet zullen leiden tot serieuze problemen van de zijde van de Chinese autoriteiten. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 11/16360 en AWB 11/16418, V-nummers: [nummer A] en [nummer B]

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in de gedingen tussen

[naam A], eiser, en [naam B], eiseres, samen aangeduid als eisers,

gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark, advocaat te Dordrecht,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Pattiata, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van de gedingen

Bij besluiten van 11 en 12 mei 2011 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvragen van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen deze besluiten hebben eisers bij faxberichten van 12 mei 2011 beroep ingesteld.

De zaken zijn ter zitting van 27 september 2011 aan de orde gesteld. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.M. Walls, kantoorgenoot van hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst omdat de door de gemachtigde van eisers geregelde tolk niet is verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting hervat op 12 oktober 2011. Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. drs. J.M. Walls. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen K. Abas, tolk.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1° doodstraf of executie;

2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3° (...)

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.2. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. de bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen. Aan eiser heeft verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c en f, van de Vw 2000 tegengeworpen. Verweerder stelt zich in de bestreden besluiten gemotiveerd op het standpunt dat de asielrelazen van eisers ongeloofwaardig zijn. Ook anderszins zijn eisers er volgens verweerder niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij bij terugkeer naar China een reëel lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het thematisch ambtsbericht van maart 2011 volgt niet dat verblijf in het buitenland dan wel het vragen van asiel door Oeigoeren bij terugkeer naar China op voorhand leidt tot arrestatie en een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers zijn er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn van hun asielaanvragen in Nederland. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn van zijn activiteiten in Nederland. De door eiser overgelegde foto's zijn daartoe onvoldoende. Niet is gebleken dat de desbetreffende foto's zijn gepubliceerd. Verweerder concludeert dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.3. de gronden van de beroepen

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten, samengevat, het volgende aangevoerd.

Ten onrechte acht verweerder de asielrelazen ongeloofwaardig. Verweerder miskent dat de toets aan artikel 3 van het EVRM individueel is. De negatieve aandacht van de autoriteiten waarvoor eisers te vrezen hebben, ontstaat niet door hun uitreis, maar door hun asielaanvraag in Nederland. Eiser heeft in Nederland deelgenomen aan verschillende demonstraties. Gezien de ingebrachte foto's heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat de Chinese autoriteiten niet op de hoogte zijn van eisers activiteiten in Nederland. Op de foto's is eiser onder meer te zien met de bekende Oeigoerse activiste [naam X] en met [naam Y], lid van de Tweede Kamer. Een film van een manifestatie waaraan eiser heeft deelgenomen, is op YouTube te vinden. Uit het ambtsbericht van maart 2011 blijkt dat de Chinese autoriteiten subversieve activiteiten van gevluchte Oeigoeren nauwlettend in de gaten houden. In haar uitspraak van 10 mei 2011 (AWB 11/2914) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, aannemelijk geoordeeld dat de politieke activiteiten van de desbetreffende vreemdeling bij de Chinese autoriteiten bekend zullen raken, gelet op de inhoud van het ambtsbericht en de in die zaak door de vreemdeling verrichte activiteiten in Nederland. Ook in het geval van eiser is aannemelijk dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van de activiteiten in Nederland. Eisers concluderen dat zij wel degelijk aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Eiser betwist niet dat aan hem het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan worden tegengeworpen. Gelet hierop moet van zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaan om het geloofwaardig te achten. Wat eiser in de in het beroepschrift ingelaste zienswijze heeft aangevoerd over de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 doet hier niet aan af en kan dan ook onbesproken blijven.

2.4.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers verklaringen over de gebeurtenissen in China positieve overtuigingskracht ontberen en daarmee ongeloofwaardig zijn. Verweerder heeft eisers verklaringen over de dood van zijn vader, het onderzoek dat in dit verband is verricht, de pamfletten en eisers arrestatie en mishandeling ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft hiertoe redengevend kunnen achten dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over het moment waarop hij in kennis werd gesteld van de arrestatie en het overlijden van zijn vader en over het onderzoek naar het overlijden van zijn vader. Evenmin heeft verweerder waarde hoeven hechten aan eisers verklaringen over de pamfletten. Eiser heeft enerzijds verklaard dat de pamfletten betrekking hadden op de situatie van de Oeigoeren en anderzijds dat deze pamfletten betrekking hadden op de dood van zijn vader.

2.4.3. Gezien de samenhang tussen de asielrelazen van eisers en nu verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft kunnen achten, heeft verweerder het asielrelaas van eiseres eveneens ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft hierbij mede in aanmerking kunnen nemen dat eiser heeft verklaard dat hij vanwege het overlijden van zijn vader is teruggekeerd naar China, terwijl eiseres heeft verklaard niet te weten waarom eiser naar China is teruggekeerd. Evenmin weet eiseres waarover eiser bij de rechtbank in China duidelijkheid wilde verkrijgen en of aan eiser na het einde van zijn detentie beperkingen zijn opgelegd. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat van eiseres over deze onderdelen van haar asielrelaas meer gedetailleerde verklaringen verwacht hadden mogen worden.

2.4.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar heeft opgemerkt dat het bevreemding wekt dat eiser pas in de zienswijze melding heeft gemaakt van zijn deelname aan demonstraties in Nederland, maar uit de bestreden besluiten blijkt dat verweerder de verklaringen van eiser hierover desondanks geloofwaardig acht. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bevestigd dat verweerder de verklaringen van eiser over zijn activiteiten in Nederland geloofwaardig acht, maar dat volgens verweerder niet is gebleken dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van deze activiteiten. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

2.4.5. Eisers hebben gewezen op het ambtsbericht van maart 2011 van de Minister van Buitenlandse Zaken over de positie van Oeigoeren in de provincie Xinjiang. In dit ambtsbericht wordt onder meer het volgende vermeld.

" Bij inreis controleert een douanier het paspoort van de Oeigoer in kwestie. Vervolgens worden betrokkenen met hun paspoort verwezen naar een andere ruimte, waar functionarissen de bagage doorzoeken. Daarbij worden vragen gesteld, zoals bijvoorbeeld over het doel van de reis, persoonlijke achtergrond, deelname aan activiteiten in het buitenland tegen China, wel of geen verzoek om asiel, deelname aan of ondersteuning van separatistische of democratiseringsorganisaties in het buitenland. Wanneer daarbij niets belastends wordt gevonden en er verder geen redenen zijn de persoon in kwestie langer vast te houden, dan is deze vrij zijn/haar weg te vervolgen. In het tegenovergestelde geval zal verdere ondervraging plaatsvinden.

In de Chinese strafwetgeving is geen wetsartikel specifiek van toepassing op het vragen van asiel in het buitenland. Volgens artikel 322 van de Criminal Law: (W)hoever, in violation of the laws or regulations on administration of the national border (frontier), illegally crosses the national border (frontier), if the circumstances are serious, shall be sentenced to fixed-term imprisonment of not more than one year, criminal detention or public surveillance and shall also be fined. Amnesty International merkte in dit verband echter nog op dat met betrekking tot Oeigoeren bij terugkeer naar China door de Chinese autoriteiten in ten minste enkele bij Amnesty International bekende gevallen het vragen van asiel in het buitenland werd beschouwd als disloyalty to the motherland; dit leidde tot argwaan en onwelvoeglijk gedrag uitlopend op mishandeling. De Chinese autoriteiten zijn in dit verband volgens Amnesty International met name argwanend met betrekking tot Oeigoeren waarvan ze weten dat die in het buitenland asiel hebben gevraagd, in het bijzonder in Europa en Noord-Amerika, waar Oeigoerse (mensenrechten)activisten werkzaam zijn.

(...)

China houdt volgens een Oeigoerse organisatie buiten China de activiteiten van Oeigoerse politieke activisten in het buitenland nauwlettend in de gaten. Ieder aspect van Oeigoers politiek activisme heeft Chinese aandacht. (...) Naast het afluisteren van telefoongesprekken en het volgen van websites maakt China volgens een Oeigoerse organisatie buiten China gebruik van informanten om op de hoogte te blijven van Oeigoers politiek activisme in het buitenland.

De Chinese veiligheidsdiensten zijn volgens een Oeigoerse organisatie buiten China, in het buitenland actief betrokken bij de opsporing en repatriëring van Oeigoerse vluchtelingen en activisten.

Internationale mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch roepen op geen Oeigoeren naar China terug te sturen die door de Chinese autoriteiten worden verdacht van betrokkenheid bij pro-afhankelijkheidsgroepen of activiteiten die worden beschouwd als terrorisme, religieus extremisme of separatisme. De vrees bestaat dat teruggestuurde Oeigoeren die hiervan worden verdacht, eenmaal terug in China mishandeling, foltering en wellicht de doodstraf te wachten staat."

In voetnoot 142 van het ambtsbericht worden voorbeelden gegeven van gevallen waarin aan China uitgeleverde Oeigoeren door de Chinese autoriteiten zijn geëxecuteerd, zonder contact met de buitenwereld zijn gevangengezet of zijn mishandeld of gemarteld.

2.4.6. Met het inroepen van dit ambtsbericht hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij reeds op grond van hun verblijf en asielaanvraag in Nederland zijn aan te merken als verdragsvluchteling of bij terugkeer naar China een reëel risico lopen te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verweerder stelt zich onweersproken op het standpunt dat de Chinese autoriteiten niet op de hoogte zijn van de asielaanvragen van eisers in Nederland. Uit het ambtsbericht volgt dat Oeigoeren tegen wie geen belastende informatie wordt gevonden na controle in de regel hun weg kunnen vervolgen. Uit de verklaringen van eiser volgt dat ook hij eerder vanuit het buitenland naar China is teruggekeerd zonder problemen te ondervinden van de zijde van de Chinese autoriteiten.

2.4.7. Ter zitting heeft eiser een nadere toelichting gegeven op de door hem in Nederland verrichte activiteiten en verklaard dat hij op 2 oktober 2010 en 5 februari 2011 heeft deelgenomen aan demonstraties voor de Oeigoeren in Amsterdam. Voorts heeft hij verklaard dat hij op 21 februari 2011 een Oeigoerse leider heeft ontmoet en dat er een foto van hem en een (vrouwelijke) Oeigoerse leider ([naam X]) is gemaakt. Daarnaast heeft eiser op 5 juli 2011, nadat het bestreden besluit is genomen, gedemonstreerd bij de Chinese ambassade in Den Haag. Namens verweerder is de juistheid van deze verklaringen ter zitting niet in twijfel getrokken.

Uit het door eiser ingeroepen ambtsbericht blijkt dat de activiteiten van Oeigoeren buiten China volgens een Oeigoerse organisatie nauwlettend worden gevolgd door de Chinese autoriteiten. De Minister van Buitenlandse Zaken stelt zich in het ambtsbericht niet op het standpunt dat er redenen zijn om aan de juistheid van het standpunt van deze Oeigoerse organisatie te twijfelen en verweerder heeft dergelijke redenen evenmin aangedragen.

2.4.8. De rechtbank stelt vast dat eiser volgens verweerder geloofwaardige verklaringen heeft afgelegd met de strekking dat hij heeft deelgenomen aan verschillende demonstraties in Nederland, onder meer een demonstratie bij de Chinese ambassade in Den Haag. Eiser heeft zijn deelname aan demonstraties in Nederland onderbouwd met stukken. Verder heeft eiser een ambtsbericht ingeroepen waaruit volgens hem kan worden afgeleid dat de Chinese autoriteiten de activiteiten van Oeigoeren in het buitenland nauwlettend in het oog houden, wat door verweerder niet is betwist. Hiermee heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank het redelijkerwijs mogelijke gedaan om aannemelijk te maken dat hij in Nederland activiteiten heeft verricht bekend kunnen zijn geraakt bij de Chinese autoriteiten.

Ter zitting is namens verweerder verklaard dat van eiser wordt verwacht aan te tonen dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn activiteiten in Nederland. Dit kan eiser volgens verweerder bijvoorbeeld doen door brieven van de Chinese autoriteiten aan familieleden van eiser over te leggen waaruit dit blijkt. Door te verlangen dat eiser aantoont dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn activiteiten in Nederland, legt verweerder naar het oordeel van de rechtbank een te zware bewijslast op eiser. Verweerder heeft niet gesteld en uit de door partijen overgelegde stukken blijkt ook niet dat de Chinese autoriteiten in de regel kenbaar maken dat zij op de hoogte zijn van politieke activiteiten van een Oeigoer in het buitenland voordat deze Oeigoer terugkeert naar China. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de Chinese autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van eisers activiteiten in Nederland, maar dit niet kenbaar maken. Verweerder heeft niet toegelicht waarom hij het verantwoord acht om dit risico te nemen.

Hierbij komt nog dat eiser ter zitting heeft verklaard enkele weken voordien te hebben vernomen dat zijn familieleden zijn lastiggevallen door de Chinese autoriteiten. De juistheid van deze op zichzelf summiere verklaring is door de gemachtigde van verweerder ter zitting niet in twijfel getrokken.

2.4.9. Gelet op hetgeen onder 2.4.4., 2.4.5., 2.4.7. en 2.4.8. is overwogen heeft verweerder in de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank niet toereikend gemotiveerd dat eisers bij terugkeer naar China ondanks de activiteiten van eiser in Nederland geen serieuze problemen zullen ondervinden van de zijde van de Chinese autoriteiten. Gelet hierop zijn de beroepen gegrond en moeten de bestreden besluiten worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor de indiening van twee samenhangende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 12 oktober 2011 in twee samenhangende zaken, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eisers in beroep nog andere kosten hebben moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Het ligt niet in de rede om een vergoeding toe te kennen voor het verschijnen ter zitting van 27 september 2011, omdat de zaken op die zitting niet inhoudelijk zijn behandeld, terwijl de reden daarvan in de risicosfeer van eisers ligt.

2.4.10. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eisers.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. Deinum, griffier, ondertekend.