Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9772

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-11-2011
Datum publicatie
02-01-2012
Zaaknummer
AWB 09/5725 IB/PVV, AWB 09/5726 IB/PVV, AWB 09/5727 IB/PVV, AWB 09/5729 IB/PVV en AWB 09/5730 IB/PVV
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:3331, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser was in de onderhavige jaren als zelfstandige werkzaam in de glazenwasserijbranche. Verweerder heeft het door eiser aangegeven inkomen naar aanleiding van een FIOD/ECD onderzoek verhoogd. De rechtbank oordeelt dat sprake is van omkering van de bewijslast. Verweerder heeft niet een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur geschonden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslagen gedeeltelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-0069
V-N Vandaag 2012/72

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 09/5725 IB/PVV, AWB 09/5726 IB/PVV, AWB 09/5727 IB/PVV, AWB 09/5729 IB/PVV en AWB 09/5730 IB/PVV

Uitspraakdatum: 28 november 2011

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/[te P], verweerder.

I PROCESVERLOOP

2001 (09/5725)

1.1. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.336.

1.2. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 92.099. Tevens is bij beschikking € 4.250 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2009 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2002 (09/5726)

1.4. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 82.347.

1.5. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2002 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 123.720. Tevens is bij beschikking € 3.065 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.6. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2009 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

2003 (09/5727)

1.7. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.495.

1.8. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2003 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 105.176. Tevens is bij beschikking € 2.680 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.9. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2009 de navorderingsaanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.721. De beschikking heffingsrente is dienovereenkomstig verminderd.

2004 (09/5729)

1.10. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2004 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 111.327. Tevens is bij beschikking € 2.018 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.11. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2009 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 93.393. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 1.264.

2005 (09/5730)

1.12. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 195.502. Tevens is bij beschikking € 2.794 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.13. Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2005 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 164.152. Tevens is bij beschikking € 9.911 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.14. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2009 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 149.374. De beschikking heffingsrente is verminderd tot € 8.904.

Alle jaren

1.15. Eiser heeft bij brief van 11 augustus 2009, ontvangen bij de rechtbank op

12 augustus 2009, beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.

1.16. Bij brief van 27 april 2010 heeft verweerder toegezegd de belastbare inkomens uit werk en woning in de onderhavige aanslagen als volgt te zullen verminderen:

2001: tot € 58.590

2002: tot € 89.771

2003: tot € 70.984

2004: tot € 76.385

2005: tot € 160.352

1.17. Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.18. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2010 te 's-Gravenhage. Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde [A], tot bijstand vergezeld van [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en [D].

II OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1. Eiser was in de onderhavige jaren als zelfstandige werkzaam in de glazenwasserijbranche. De activiteiten van zijn onderneming bestonden uit het wassen van ramen van particulieren en bedrijven.

2.2. Eiser heeft aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van:

- voor het jaar 2001: € 45.336; hierin is begrepen een bedrag van € 63.212 winst uit onderneming;

- voor het jaar 2002: € 82.347; hierin is begrepen een bedrag van € 91.974 winst uit onderneming;

- voor het jaar 2003: € 60.495; hierin is begrepen een bedrag van € 86.178 winst uit onderneming;

- voor het jaar 2004: € 63.034; hierin is begrepen een bedrag van € 89.099 winst uit onderneming;

- voor het jaar 2005: € 64.547; hierin is begrepen een bedrag van € 95.897 winst uit onderneming.

2.3. In het kader van de door de FIOD/ECD gevoerde actie "Glashelder' is tegen eiser een strafrechtelijk onderzoek ingesteld. De FIOD/ECD heeft in het kader van dat onderzoek verscheidene verdachten en getuigen gehoord en daarvan proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Bij een huiszoeking bij eiser op 3 april 2006 is een tas met onder meer 81 enveloppen aangetroffen. Op een groot deel van de enveloppen staan de namen '[E]' en '[eiser]' geschreven.

2.5. In het kader van het onder 2.3 vermelde onderzoek zijn onder meer de volgende verklaringen afgelegd:

Door eiser:

'nadat hem is gevraagd waaruit zijn inkomsten bestonden in de jaren 2000 tot en met 2006:

"de rekening van [eisers echtgenote] ben ik gaan gebruiken vanaf 2001 of 2002 of zo. (...) Jullie vragen mij hoeveel geld ik niet in mijn administratie heb verwerkt. Dat is

€ 1.500 tot € 1.600 per maand. (...) Ik doe niet alles zwart. (...)

Jullie vragen mij of ik pachtinkomsten heb. Daar geef ik geen commentaar op. (...)".'

PV/AH 282 blz. 1

"Jullie vragen mij naar de waskaarten van 2000 t/m 2005. Als ze niet in mijn huis zijn aangetroffen dan ga ik er vanuit dat ik ze heb weggegooid, (...)"

PV/AH 282 blz. 2, tweede alinea

'En nadat hem is gevraagd of hij het door hem behaalde omzet particulier zeemwerk juist en volledig heeft doorgegeven aan zijn boekhouder (...):

"De omzet die binnenkomt op [echtgenotes] bankrekening is buiten de boeken gehouden. Als een klant per bank wil betalen uit een straat die niet in de boeken staat dan geef ik de bankrekening van [echtgenote] door. (...) Ik heb te weinig doorgegeven aan [de boekhouder] en daardoor konden zij geen juiste aangiften inkomstenbelasting- en omzetbelasting indienen.".'

PV/AH 282 blz. 2, vierde alinea

Door [F]:

"Vanaf het begin in 2003 werd door mij de maandelijkse pacht in een enveloppe gedaan van wat ik tegen kwam. De ene keer een enveloppe van de [Bank] en de andere keer in witte enveloppen zonder opschrift. Ik schreef meestal het bedrag op de enveloppe. Per werk maakte ik een enveloppe pacht. Op die enveloppe schreef ik [E] [G] en het bedrag. Ik gaf de enveloppen vaak aan [G], maar ook wel eens aan [E]. (...)"

PV/AH 278 blz. 3, vijfde alinea

Door [E]:

"Het is toch bekend, de enveloppen die jullie gevonden hebben, zijn van de groep (...) Ik verpacht wijken en straten samen met anderen, meestal met een man of zeven, (...)Samen met de anderen uit de groep van acht hebben wij werk in allerlei wijken. (...) al dit werk wordt door ons verpacht en wij vangen daar dertig procent van. Al dit geld wordt door ons met zijn achten verdeeld. Ieder van ons krijgt daar een evenredig deel van."

PV/AH 258 blz. 2, eerste alinea

'Nadat aan [E] D/281-1 t/m D/281-8, zijnde handgeschreven aantekeningen welke vermoedelijk betrekking hebben op de glazenwasserij zijn getoond en is gevraagd of dit zijn handschrift is:

"Ja, maar verder zeg ik hier niets over. Ik heb gewoon wat dingen bijgehouden. Hier wordt door mij de pacht van de bende bijgehouden".'

PV/AH 258 blz. 2, vijfde alinea

[E] heeft voorts verklaard dat het geld dat in de enveloppen bij een huiszoeking bij hem is gevonden, onder andere pacht betrof voor hemzelf en eiser of voor hemzelf, eiser en anderen (blz. 3 PV/AH 278).

Door [H]:

"Die hoort niet bij de oude garde. [I], [J], [eiser], [E] en ik horen bij de oude garde."

PV/AH 258 blz. 2, laatste alinea

'Nadat aan [H] is gevraagd wat hij kan verklaren over de bijeenkomst op 23-02-2006 bij de Mac Donald's waar onder meer [E], [eiser] en [J] aanwezig waren:

"Ik maak deel uit van een groep die straten in beheer heeft. Wij verpachten die straten aan derden. De pachters betalen 30% van de wasopbrengst aan de groep. Dat geld wordt verdeeld in de groep. (...) ieder krijgt één achtste deel.(...) sinds 1996 heb ik een rol in de groep".'

PV/AH 258 blz. 3, eerste, tweede en vierde alinea

Door [I]:

"Wat [H] zegt over ons, dat zeg ik precies hetzelfde."

PV/AH 258 blz. 3, voorlaatste alinea

Door [K]:

'Op 5 april 2006 is aan [K] nadat hem twee foto's van een bijeenkomst op 23-02-2006 bij de Mac Donalds zijn getoond gevraagd wie er op de foto's staan en wat hij over de bijeenkomst kan vertellen:

"Ik herken nummer twee als [eiser]".'

PV/AH 258 blz. 4, vijfde alinea

Door [L]:

"[eiser] heeft naast het verpachten van particulier glazenwasserswerk"

PV/AH 258 blz. 4, alinea onderaan

De door verweerder berekende inkomsten uit de groep van acht

2.6.1. De FIOD/ECD heeft bij [E] een document gevonden met daarop een aantal wijknamen, namen van personen en bedragen. Dit document is door de FIOD/ECD gemerkt D/281-2. Het document luidt als volgt:

FIOD/ECD gemerkt D/281-2

De som van de hierboven in de kolom "Juni" vermelde bedragen is volgens verweerder vermoedelijk € 1.694 (de bedragen zijn handgeschreven niet altijd duidelijk). Verweerder is er vanuit gegaan dat dit bedrag de ontvangen pacht per maand per verpachter betreft. Dit betekent dat elke verpachter van de groep van 8, en dus ook eiser, in de jaren 2001 tot en met 2003 per jaar een bedrag van € 20.328 (12 x € 1.694) aan pacht heeft ontvangen.

2.6.2. De FIOD/ECD heeft een soortgelijk document als onder 2.6.1 bij [E] gevonden, (gemerkt D/281-4). Op dit document staat vermeld '[kopje 1]', '2004'. en '[kopje 3]'.

2.6.3. De FIOD/ECD heeft een soortgelijk document als onder 2.6.1 bij eiser gevonden (gemerkt D/247 1/2). Op dit document staat vermeld '[kopje 3]' en het jaartal 2005.

2.6.4. De som van de in het onder 2.6.3 vermelde document voor de maand augustus 2005 vermelde bedragen is € 2.093. Verweerder is op grond daarvan er vanuit gegaan dat eiser in de jaren 2004 en 2005 per jaar een bedrag van € 25.116 (12 x € 2.093) aan pacht heeft ontvangen.

De door verweerder berekende inkomsten uit de groep van vier

2.7.1. De FIOD/ECD heeft bij eiser twee documenten gevonden (gemerkt D/189 en D/247-3) met daarop een aantal wijknamen, namen van personen en bedragen. Voorts staat op deze documenten 'Pers' met daaronder het cijfer 3 of 4 of 'delen door' met daaronder vermeld 3 of 4 man.

2.7.2. De som van de de in het document D/189 vermelde bedragen voor de maand maart ,is € 4.095. Verweerder is op grond daarvan ervan uitgegaan dat eiser in de jaren 2001 tot en met 2005 per maand € 1.023 (€ 4.095/4 personen) aan pacht heeft ontvangen. In totaal is verweerder van een door eiser jaarlijks ontvangen pacht van € 12.276 (12 x € 1.023) uitgegaan.

De door verweerder berekende inkomsten uit de groep van twee

2.8. De FIOD/ECD heeft op 3 april 2006 bij [E] een aantal documenten gevonden (gemerkt D/282-2 t/m D/282-5). Hieruit heeft verweerder afgeleid dat eiser in totaal € 43.632 aan pacht heeft ontvangen in de jaren 2001 tot en met 2005.

2.9. In een rapport, gedateerd 20 oktober 2006, heeft verweerder op basis van de conclusies uit het onder 2.3 vermelde strafrechtelijk onderzoek een berekening gemaakt van het belastingnadeel dat de Staat volgens verweerder over de belastingjaren 2000 tot en met 2004 (inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen) en over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 maart 2006 (loonheffing) zou hebben geleden, indien de onder 1 vermelde (navorderings) aanslagen en de daarnaast opgelegde naheffingsaanslag loonheffing niet zouden zijn opgelegd. Voorts heeft verweerder een berekening gemaakt van het voor het jaar 2005 vast te stellen belastbare inkomen uit werk en woning. Verweerder heeft op grond van dit rapport de onder 1 vermelde (navorderings) aanslagen aan eiser opgelegd. In het rapport zijn de volgende correcties vermeld:

Winstcorrecties

Vaststelling belastingaanslagen

2.10. Op 21 mei 2008 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage eiser vrijgesproken van het opzettelijk onjuist en/of onvolledig doen van de aangiften inkomstenbelasting 2000 tot en met 2004.

2.11. Verweerder heeft bij brief van 27 april 2010 aangegeven de aanslagen als volgt te verminderen:

Vermindering aanslagen

Geschil

2.12. In geschil is:

a) of er sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast;

b) of de in geschil zijnde aanslagen, na door verweerder toegezegde verminderingen (zie onder 2.11), in stand kunnen blijven;

c) of verweerder door na de onder 2.10 genoemde beslissing van het hof, de door hem aangebrachte winstcorrecties niet volledig terug te nemen, heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur;en

d) of de beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

2.13. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de in geschil zijnde belastingaanslagen dan wel vermindering van deze belastingaanslagen tot nihil.

2.14. Verweerder concludeert:

- met betrekking tot het jaar 2001: tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.590 (zie onder 2.11)

- met betrekking tot het jaar 2002: tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.771 (zie onder 2.11)

met betrekking tot het jaar 2003: tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.984 (zie onder 2.11)

- met betrekking tot het jaar 2004: tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.385 (zie onder 2.11)

- met betrekking tot het jaar 2005: tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.070 (zie onder 2.11: € 160.352 -/- € 21.799 saldo eigen woning -/- € 1.166 premies WAZ -/- € 4.317 PGA).

2.15. Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Omkering bewijslast

2.16. Artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) luidt:

"Indien:

a. de vereiste aangifte niet is gedaan; of

b. niet volledig is voldaan aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 41, tweede lid, 47, 47a, 49, 52, alsmede aan de verplichtingen ingevolge de artikelen 52a en 53, eerste, tweede en derde lid, voorzover het verplichtingen van administratieplichtigen betreft ten behoeve van de heffing van de belasting waarvan de inhouding aan hen is opgedragen;verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is."

Artikel 52 van de AWR luidt:

"1. Administratieplichtigen zijn gehouden van hun vermogenstoestand en van alles betreffende hun bedrijf, zelfstandig beroep of werkzaamheid naar de eisen van dat bedrijf, dat zelfstandig beroep of die werkzaamheid op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen alsmede de voor de heffing van belasting overigens van belang zijnde gegevens hieruit duidelijk blijken.

2. Administratieplichtigen zijn:

a. (...)

b. natuurlijke personen die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefenen, alsmede natuurlijke personen die belastbare winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 genieten;

c. (...)_

d. (...)3. Tot de administratie behoort hetgeen ingevolge andere belastingwetten wordt bijgehouden, aangetekend of opgemaakt.

4. Voorzover bij of krachtens de belastingwet niet anders is bepaald, zijn administratieplichtigen verplicht de in de voorgaande leden bedoelde gegevensdragers gedurende zeven jaar te bewaren.

5. (...)

6. De administratie dient zodanig te zijn ingericht en te worden gevoerd en de gegevensdragers dienen zodanig te worden bewaard, dat controle daarvan door de inspecteur binnen een redelijke termijn mogelijk is. Daartoe verleent de administratieplichtige de benodigde medewerking met inbegrip van het verschaffen van het benodigde inzicht in de opzet en de werking van de administratie."

2.17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser over de jaren 2001 tot en met 2005 niet de vereiste aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan en heeft hij evenmin voldaan aan de administratieplicht van artikel 52 van de AWR. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Met hetgeen hij heeft aangevoerd, in het bijzonder de onder 2 vermelde feiten, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser in de de jaren 2001 tot en met 2005 onderdeel uitmaakte van een groep van respectievelijk 8, 4 en 2 verpachters, dat hij substantiële bedragen aan inkomsten uit verpachting heeft ontvangen, dat hij deze inkomsten niet in zijn administratie heeft verwerkt en dat hij, substantiële bedragen aan winst niet in zijn aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft opgenomen.

2.18. Het onder 2.17. gegeven oordeel heeft tot gevolg dat de rechtbank met toepassing van artikel 27e AWR, het beroep ongegrond zal verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Deze zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast is, gelet op absolute en relatieve omvang van de niet in de administratie verwerkte en niet-aangegeven bedragen, is naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig in verhouding tot de ernst van de gebreken in de nakoming door eiser van zijn verplichtingen jegens de fiscus.

2.19. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij niet aannemelijk gemaakt, laat staan doen blijken, dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eisers stellingen dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de onder 2.10 genoemde beslissing van het hof in de strafzaak, dat eiser nimmer heeft erkend dat hij inkomsten uit pacht en eigen zeemwerk niet heeft aangegeven, dat de theoretische omzetberekening van verweerder onjuistheden bevat en dat de processen-verbaal die in het strafrechtelijke onderzoek zijn opgemaakt, (de gemachtigde van) eiser in de belastingprocedure niet ter beschikking staan, schieten zonder nadere feitelijke onderbouwing, welke ontbreekt, als weerlegging van de uitspraak op bezwaar tekort.

2.20. De omkering en verzwaring van de bewijslast gaat niet zó ver dat verweerder de uitspraak op bezwaar en de achterliggende belastingaanslagen geheel naar eigen goeddunken zou mogen vaststellen. Zij dienen te berusten op een redelijke schatting van - in dit geval - de door verweerder op de aangegeven inkomens uit werk en woning aangebrachte correcties (Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 39.005, BNB 2005/154 en Hoge Raad 28 maart 2003, nr. 38.039, LJN: AF6486, BNB 2003/203). Derhalve zal de rechtbank de redelijkheid van de schatting van verweerder beoordelen.

2.21. Verweerder heeft de op de aangiften aangebrachte correcties geschat op de onder 2.6.1. tot en met 2.9 beschreven manier. De schatting berust op niet, althans niet gemotiveerd, door eiser weersproken feiten, die verweerder heeft ontleend aan door de FIOD/ECD bij [E], X en eiser gevonden documenten en waaruit verweerder vervolgens naar tijdsevenredigheid niet-verantwoorde inkomsten over de in geschil zijnde jaren heeft afgeleid. Deze manier van schatten is naar het oordeel van de rechtbank geenszins onredelijk.

2.22. De rechtbank heeft de uitkomsten waartoe verweerder, na vermindering bij de uitspraken op bezwaar, is gekomen, beoordeeld mede in het licht van hetgeen de rechtbank in de gelijktijdig met deze uitspraak gedane uitspraak nr. 10/4932 op het beroep van eiser tegen de naheffingsaanslag loonheffing voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2005 (hierna: de uitspraak 10/4932) heeft overwogen en beslist. Met inachtneming van die uitspraak berekent de rechtbank de winstcorrecties als volgt:

Berekening winstcorrecties

2.23. In het licht van de onder 2.22 berekende winstcorrecties acht de rechtbank de correcties waartoe verweerder concludeert redelijk, met uitzondering van die voor 2001. Deze dient naar het oordeel van de rechtbank € 11.362 te bedragen.

2.24. Gelet op hetgeen onder 2.11 en 2.23 is overwogen, zal de rechtbank het beroep met betrekking tot de jaren 2001 tot en met 2004 gegrond verklaren.

2.25. Voor 2005 concludeert verweerder tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 133.070 (zie onder 2.14). Dit bedrag berust naar het oordeel van de rechtbank niet op een redelijke schatting. Met inachtneming van hetgeen in deze procedure en in de procedure over de naheffingsaanslag loonheffing voor het tijdvak 2001 tot en met 2005 is komen vast te staan, berekent de rechtbank het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2005 als volgt:

Berekening werk en woning

2.26. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.25 is overwogen, zal de rechtbank ook het beroep met betrekking tot het jaar 2005 gegrond verklaren.

2.27. Eiser heeft zijn standpunt dat verweerder door na de onder 2.10 genoemde beslissing van het hof, de door hem aangebrachte winstcorrecties niet volledig terug te nemen, heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur, niet nader onderbouwd. In de onder 2.10 genoemde beslissing heeft het hof geen uitspraak gedaan over de hoogte van eiseres belastbare inkomens uit werk en woning. Ook overigens is niet gebleken dat verweerder bij het opleggen van de (navorderings)aanslagen en/of in de latere fasen van de procedure een beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Derhalve faalt deze beroepsgrond.

2.28. De beschikkingen heffingsrente dienen te worden gewijzigd overeenkomstig de vermindering van de (navorderings) aanslagen waarbij zij zijn gegeven. Ook in zoverre is het beroep gegrond.

Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzittingmet een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2001 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.698;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 89.771;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2003 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 70.984;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2004 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 76.385;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2005 tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 107.060;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten; en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 966 aan eiser te voldoen.

Aldus vastgesteld door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. J.M. van Kempen, leden, in aanwezigheid van de griffier mr. S.R.M. Dekker. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2011.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.