Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/14652
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Somalië; taalanalyse; contra-expertise; SOM10; gegrond.

Uit de reactie van het BLT op vragen van de rechtbank blijkt dat het BLT zich op het standpunt stelt dat taalanalyse niet onfeilbaar is en dat dit een van de belangrijkste redenen is geweest waarom de IND vanaf het begin van taalanalyse in 1999 altijd op de mogelijkheid van een contra-expertise heeft gewezen. Verder heeft de contra-expert zich, onder verwijzing naar de “Guidelines for the use of language analysis in relation tot questions of national origin in refugee cases”, op het standpunt gesteld dat taalanalyse geen exacte wetenschap is en dat de contra-expertise als resultaat slechts kan aangeven of een bepaalde herkomst ‘not likely’ tot ‘most likely’ is. Naar het oordeel van rechtbank kan van een vreemdeling daarom niet worden gevraagd een contra-expertise te overleggen die zijn/haar herkomst zonder enige twijfel bevestigt. Het standpunt van verweerder zou het overleggen van een contra-expertise volstrekt zinledig maken, omdat deze nooit zou kunnen afdoen aan een taalanalyse door het BLT. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in dat standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door eiseres overgelegde contra-expertise concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de taalanalyse en had verweerder het rapport taalanalyse niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/14652

V-nrs: [V-nrs 1-5]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [1972], eiseres,

mede ten behoeve van

[minderjarige 1],

geboren op [1994],

[minderjarige 2],

geboren op [2000],

[minderjarige 3],

geboren op [1997],

[minderjarige 4],

geboren op [1997],

allen van Somalische nationaliteit,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. van der Weijden, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 19 oktober 2007 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 27 april 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A. Mahamed, als tolk in de Somalische taal.

Asielrelaas

Eiseres stelt uit Zuid-Somalië afkomstig te zijn. Haar man is gewelddadig om het leven gekomen. Na zijn dood is zij lastig gevallen en mishandeld door [bendeleider] en zijn bendeleden. Toen de situatie onhoudbaar werd, is zij gevlucht met haar kinderen. Daarnaast lijdt eiseres aan suikerziekte.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende door partijen niet betwiste feiten.

In het rapport taalanalyse van het Bureau Land en Taal (BLT) van 9 november 2008 is geconcludeerd dat eiseres niet eenduidig kan worden herleid tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië.

De conclusie van de contra-expertise van de Taalstudio van 19 november 2008 luidt: “Based on the data it is likely that the applicant was socialized in South Somalia”.

Op 30 december 2008 heeft het BLT schriftelijk gereageerd op de contra-expertise. Op 4 mei 2009 heeft de Taalstudio gereageerd op deze reactie.

Bij uitspraak van 3 november 2010 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiseres gegrond verklaard.

Het BLT heeft op 16 december 2010 een toelichting gegeven bij het rapport taalanalyse.

2.1 Eiseres verwijst allereerst naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 februari 2011 in de zaak met nummer AWB 09/42402 waarin de deskundigheid en zorgvuldigheid van taalanalist SOM10, die in de deze zaak namens het BLT het rapport taalanalyse heeft opgesteld, in twijfel werd getrokken omdat SOM10 tot twee verschillende conclusies was gekomen ten aanzien van dezelfde vreemdeling. Gelet daarop zijn er ook in deze zaak gegronde redenen om te twijfelen aan de taalanalyse, aldus eiseres.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat er hoger beroep is ingesteld tegen de uitspraak van 17 februari 2011. Dat met gegronde redenen getwijfeld is aan de deskundigheid van SOM10, staat daarom niet in rechte vast, aldus verweerder.

2.3 De rechtbank oordeelt dat verweerder met deze overweging onvoldoende heeft gemotiveerd dat het door SOM10 opgestelde rapport taalanalyse in de onderhavige zaak wel zorgvuldig tot stand is gekomen. Het besluit dient om die reden vernietigd te worden. Pas in het verweerschrift heeft verweerder een inhoudelijk standpunt ingenomen wat betreft de gestelde twijfel aan de deskundigheid van SOM10. Verweerder heeft daarin verwezen naar de inhoud van het hoger beroepschrift van 16 maart 2011 tegen de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 februari 2011. De rechtbank ziet in de nadere motivering echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, om de navolgende redenen.

3.1 Eiseres voert aan dat verweerder in de toelichting bij de taalanalyse niet heeft onderbouwd dat de informatie die eiseres heeft verstrekt over haar beweerde herkomstgebied algemeen van aard en niet concreet en gedetailleerd is. Dit punt is door verweerder echter wel meegenomen in de conclusie van de taalanalyse. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het daarbij niet ging om een conclusie maar om commentaar en dat de spraak essentieel is geweest voor de conclusie dat eiseres niet ter herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Volgens verweerder is met de toelichting van het BLT sprake van een inzichtelijk en concludent rapport taalanalyse.

3.2 De rechtbank begrijpt uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd dat zij van oordeel is dat om de door haar genoemde reden het rapport taalanalyse ook na de toelichting van 16 december 2010 niet inzichtelijk en concludent is. De rechtbank ziet, mede gelet op de inhoud van het verweerschrift en de toelichting van verweerder ter zitting, geen reden om er niet van uit te gaan dat de beschrijving van eiseres van haar beweerde herkomstgebied geen rol heeft gespeeld bij de uitkomst van de taalanalyse. Dat verweerder dit niet heeft onderbouwd in de toelichting bij de taalanalyse van 16 december 2010 betekent dus niet dat het rapport taalanalyse om die reden als niet inzichtelijk en concludent moet worden aangemerkt. Deze beroepsgrond faalt.

4.1 Eiseres heeft verder aangevoerd dat niet is ingegaan op hetgeen de contra-expert heeft gesteld, namelijk dat de woorden die worden genoemd door de taalanalist geen relevantie hebben voor de dialectbepaling omdat het gaat om Common Somali.

4.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de toelichting van 16 december 2010 op het rapport taalanalyse van 9 november 2008 nu sprake is van een inzichtelijke taalanalyse. In de toelichting wordt een aantal voorbeelden gegeven van uitspraken, woordkeuzes en grammatica van eiseres die niet gangbaar zijn in Zuid-Somalië en wel gangbaar zijn in Noord-Somalië. Deze worden vergeleken met de spraak die wel gangbaar is in Zuid-Somalië. De stelling van eiseres dat de spraakvoorbeelden die in de toelichting worden gegeven niet bruikbaar zijn omdat woorden zijn gebruikt die komen uit het Common Somali, met uizondering van het woord ‘sibidh’, wordt door verweerder niet gevolgd. Het Common Somali valt immers te herleiden in een noordelijke variant en de centraal-zuidelijke variant. In de taalanalyse wordt middels de voorbeelden duidelijk dat eiseres de noordelijke variant hanteert, en wordt daarnaast aangegeven welk woord hiervoor in het Zuid-Somalisch gebruikelijk is. De contra-expert heeft met de stelling dat de woorden uit het Common Somali komen aldus niet onderbouwd dat het in de toelichting gemaakte onderscheid tussen beide varianten niet zou kloppen. Verweerder concludeert dat de contra-expert geen aanknopingspunten heeft aangevoerd op grond waarvan niet van de juistheid van de taalanalyse dient te worden uitgegaan.

4.3 De rechtbank begrijpt uit hetgeen eiseres heeft aangevoerd dat zij van mening is dat de contra-expertise concrete aanknopingspunten voor twijfel biedt aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse en dat verweerder deze om die reden niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen. De rechtbank constateert dat de contra-expert van de Taalstudio en de taalanalist van het BLT twisten over wat moet worden verstaan onder het ‘Common Somali’, wat de kenmerken zijn van het Noord- en Zuid-Somalisch en wat gangbare uitspraken zijn in het Noord- en Zuid-Somalisch. Anders dan verweerder stelt heeft de contra-expert met de stelling dat de woorden uit het Common Somali komen, gelet op zijn toelichting daarop, wel onderbouwd waarom het in de toelichting gemaakte onderscheid tussen beide varianten niet zou kloppen. Gelet daarop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de contra-expertise om de door verweerder genoemde redenen geen concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de taalanalyse.

5.1 Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat hij van de conclusie van de taalanalyse uit mag gaan, al omdat de conclusie van de opsteller van de contra-expertise niet luidt dat eiseres, zoals zij zelf heeft gesteld, uit Zuid-Somalië afkomstig is. Nu het resultaat van de contra-expertise slechts luidt dat het ‘likely’ is dat eiseres uit de taalgemeenschap van Zuid-Somalië komt, dient volgens verweerder het resultaat van het rapport taalanalyse van het BLT de doorslag te geven. Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juli 2011 (LJN: BT6424).

5.2 Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat het BLT in de reactie van 1 september 2010 op vragen van de rechtbank in een andere zaak zelf heeft aangegeven dat een taalanalyse niet onfeilbaar is.

5.3 Uit de hiervoor vermelde reactie van het BLT van 1 september 2010 op vragen van de rechtbank blijkt dat het BLT zich op het standpunt stelt dat taalanalyse niet onfeilbaar is en dat dit een van de belangrijkste redenen is geweest waarom de IND vanaf het begin van taalanalyse in 1999 altijd op de mogelijkheid van een contra-expertise heeft gewezen. Verder heeft de contra-expert zich, onder verwijzing naar de “Guidelines for the use of language analysis in relation tot questions of national origin in refugee cases”, op het standpunt gesteld dat taalanalyse geen exacte wetenschap is en dat de contra-expertise als resultaat slechts kan aangeven of een bepaalde herkomst ‘not likely’ tot ‘most likely’ is. Naar het oordeel van rechtbank kan van een vreemdeling daarom niet worden gevraagd een contra-expertise te overleggen die zijn/haar herkomst zonder enige twijfel bevestigt. Het standpunt van verweerder zou het overleggen van een contra-expertise volstrekt zinledig maken, omdat deze nooit zou kunnen afdoen aan een taalanalyse door het BLT. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in dat standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de door eiseres overgelegde contra-expertise concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de taalanalyse en had verweerder het rapport taalanalyse niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.

6. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de overige gronden van beroep.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

8. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

5 december 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.