Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
28-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/28300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel; Jamaica; ongeloofwaardig relaas; homoseksuele geaardheid; vrees voor vervolging; motiveringsgebrek; gegrond.

De rechtbank stelt vast dat de homoseksuele geaardheid van eiser niet wordt betwist. Uit het rapport van J-Flag (Jamaican Forum for Lesbians, All-sexuals and Gays) is op te maken dat de afkeer van homoseksuelen diepgeworteld is in de Jamaicaanse maatschappij. Door J-Flag zijn meerdere incidenten beschreven waarbij burgers maar ook de Jamaicaanse autoriteiten niet schromen discriminatie en geweld toe te passen tegen homoseksuelen dan wel, wat de autoriteiten betreft, geen bescherming kunnen of willen bieden. In het rapport wordt verwezen naar verschillende andere bronnen. De rechtbank acht voorts van belang dat de Jamaicaanse ‘buggery law’ homoseksuele handelingen met maximaal tien jaar dwangarbeid bestraft en dat deze wet volgens J-Flag door veel Jamaicanen wordt geïnterpreteerd als een verbod op mannelijke homoseksualiteit en als zodanig homofobie bevordert.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het enkele standpunt van verweerder dat eiser, gelet op zijn ongeloofwaardig bevonden asielrelaas, geen persoonlijke problemen wegens zijn geaardheid heeft ondervonden, onvoldoende om te concluderen dat de overgelegde informatie niet afdoet aan het standpunt van verweerder dat homoseksuelen in zijn algemeenheid niet te maken hebben met ernstige problemen. Gelet hierop kan dan ook niet zonder meer worden geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. In zoverre kan het oordeel van verweerder dan ook niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Verweerder dient op een deugdelijke wijze te onderzoeken en te motiveren waarom eiser, in het licht van de algemene situatie voor homoseksuelen in Jamaica, wegens zijn geaardheid geen gegronde vrees heeft op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/28300

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1978], van Jamaicaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.O. Kanhai, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 28 november 2010 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 31 augustus 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2011. Eiser is bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig C.E.N. van Lingen, als tolk in de Engelse taal.

Asielrelaas

Eiser heeft - kort gezegd - het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser is in april 2009 aangevallen door een gewapende bende terwijl hij met zijn vriend in een voor zijn huis geparkeerde auto zat te praten. Hij is daarbij gewond geraakt. Later is hij opnieuw bedreigd door een van de mannen die hem eerder hadden bedreigd, vanwege zijn homoseksualiteit. Eiser heeft al lange tijd nachtmerries en flashbacks over de bedreiging. Daarbij komt ook de herinnering naar boven van de moord op een jongen die met een andere jongen was betrapt. Eiser was op 17-jarige leeftijd getuige van de achtervolging van de jongen. Nadat zijn muzikale vriend [vriend] in zijn appartement is gewurgd rond april/mei 2010, heeft eiser besloten Jamaica te verlaten.

Overwegingen

1.1 Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiser heeft onvoldoende originele documenten overgelegd ter staving van zijn asielrelaas. Hij heeft gesteld in het bezit te zijn van documenten waaruit zijn verwonding blijkt, deze documenten zouden bij J-Flag (Jamaica Forum for Lesbians, All-sexuals and Gays) liggen, maar eiser heeft dergelijke documenten nimmer overgelegd. Op de door eiser bij de aanvullende zienswijze van 1 juli 2011 overgelegde foto’s is eiser niet te herkennen, daarom kan aan deze foto’s niet de door eiser gewenste waarde worden gehecht. Nu eiser toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd, dient van zijn relaas positieve overtuigingskracht uit te gaan, hetgeen niet het geval is.

1.2 Eiser voert gemotiveerd aan dat verweerder hem ten onrechte het ontbreken van documenten als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 heeft tegengeworpen.

1.3 Bij de aanvullende zienswijze van 1 juli 2011 heeft eiser een brief van Mountain View Medical Centre van 6 juni 2011 overgelegd waaruit blijkt dat de medische gegevens van eiser niet mogen worden vrijgegeven. De rechter volgt verweerder echter in zijn standpunt dat in redelijkheid documentatie verwacht mag worden over de wond, de eventuele behandeling en het eventuele verblijf bij het Medical Centre, nu eiser tijdens het aanvullend gehoor op 10 januari 2011 zelf heeft gesteld dat dit reeds in zijn bezit was en bij de organisatie J-Flag zou liggen. De documentatie is echter nooit overgelegd. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder heeft kunnen concluderen dat de foto’s eisers relaas niet kunnen onderbouwen, nu deze van slechte kwaliteit zijn en eiser hierop niet identificeerbaar is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid het ontbreken van documenten aan eiser heeft kunnen tegenwerpen.

2. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State mogen - indien zich één van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet - in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van relevante bijzonderheden voorkomen. Van het relaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

3.1 Eiser voert aan dat van zijn relaas positieve overtuigingskracht uit gaat. Ten behoeve hiervan stelt hij onder meer dat ten onrechte is tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over de data van de bedreigingen. Vanaf december 2008 voelde eiser zich voor het eerst ‘bekeken’. De eerste bedreiging vond plaats in april 2009. De datum oktober 2009 in de brief van J-Flag is foutief, dit moet april 2009 zijn. De tweede bedreiging was in april 2010. Eiser is pas een jaar na het laatste incident naar J-Flag gegaan omdat hij de organisatie eerder niet kende. Eiser verwijst voorts naar het rapport van Medifirst van 26 november 2010 waarin staat vermeld dat hij geheugenproblemen heeft. Eventuele tegenstrijdigheden in zijn verklaringen hebben te maken met concentratieproblemen.

3.2 Verweerder stelt dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Eiser heeft onder meer wisselend verklaard over de datum van de eerste aanval. Eerst noemde hij december 2008, later (tijdens het gehoor in 2011) april 2009. In de brief van J-Flag van 1 april 2011 staat dat eiser heeft verklaard dat hij in oktober 2009 is aangevallen. Eiser heeft tevens wisselend verklaard over de tweede datum, eerst noemde hij april 2009, later april 2010. Bij de aanvullende zienswijze is opnieuw hetzelfde rapport van J-Flag overgelegd, maar dit keer met de op eisers verzoek aangepaste datum van het eerste incident, namelijk april 2009 in plaats van oktober 2009. Dit komt niet overeen met het document ‘intake J-Flag’, waarop 13 oktober 2010 is vermeld. Bovendien is dit anderhalf jaar en niet, zoals eiser stelt, een jaar na het gestelde incident. Eiser heeft zeer summier verklaard over de dood van zijn vriend en wisselend verklaard over de periode waarin dit gebeurde. Het is bovendien niet aannemelijk dat dit de aanleiding voor eisers vertrek was, gezien het tijdsverloop. Eiser heeft verder enkel vaag verklaard over waarom hij pas in november 2010 is vertrokken terwijl het laatste incident in april 2010 plaats zou hebben gevonden. Blijkbaar was er geen acute vluchtsituatie. Verweerder concludeert daarom dat niet geloofwaardig is dat eiser problemen wegens zijn geaardheid heeft ondervonden.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over relevante data. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat de bedreigingen plaats vonden in december 2008 en april 2009 maar tijdens het aanvullend nader gehoor verklaarde hij dat de bedreigingen in april 2009 en april 2010 plaatsvonden. In de zienswijze stelt eiser dat hij zich vanaf december 2008 vreemd ‘bekeken’ voelde en in april 2009 voor het eerst bedreigd werd, de tweede bedreiging volgde in april 2010. Dit is echter geen verklaring voor de eerdere tegenstrijdige verklaringen over voor zijn relaas essentiële data. De op eisers verzoek gemaakte correctie in het J-Flag rapport neemt voorts niet weg dat hij (aanvankelijk) een document heeft overgelegd ter staving van zijn asielrelaas met kennelijk de verkeerde datum van het incident. Voorts oordeelt de rechtbank dat uit het rapport van MediFirst niet blijkt dat eiser niet gehoord kon worden. Volgens het rapport heeft eiser weliswaar concentratie- en geheugenproblemen waar rekening mee moet worden gehouden, maar zijn er geen beperkingen op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het horen en de verklaringen van eiser. De rechtbank is van oordeel dat reeds op grond van het voorgaande verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat het asielrelaas positieve overtuigingskracht ontbeert en dus ongeloofwaardig is.

5.1 Eiser heeft voorts gesteld dat hij reeds wegens zijn homoseksuele geaardheid gegronde vrees voor vervolging heeft. Ter onderbouwing verwijst eiser naar het rapport van J-Flag van 1 april 2011.

5.2 Verweerder stelt dat het rapport van J-Flag slechts ziet op de algehele situatie voor homoseksuelen in Jamaica en dat zij niet zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Eiser dient daarom aannemelijk te maken dat hij individuele problemen heeft ondervonden wegens zijn geaardheid en is daar, gezien het ongeloofwaardig bevonden asielrelaas, niet in geslaagd. De door eiser overgelegde informatie kan daar niet aan af doen.

6.1 De rechtbank constateert dat de homoseksuele geaardheid van eiser niet wordt betwist. Uit het rapport van J-Flag is op te maken dat de afkeer van homoseksuelen diepgeworteld is in de Jamaicaanse maatschappij. Door J-Flag zijn meerdere incidenten beschreven waarbij burgers maar ook de Jamaicaanse autoriteiten niet schromen discriminatie en geweld toe te passen tegen homoseksuelen dan wel, wat de autoriteiten betreft, geen bescherming kunnen of willen bieden. Daarbij is verwezen naar verschillende andere bronnen. De rechtbank acht hierbij van belang dat de Jamaicaanse “buggery law” homoseksuele handelingen met maximaal tien jaar dwangarbeid bestraft en deze wet volgens J-Flag door veel Jamaicanen wordt geïnterpreteerd als een verbod op mannelijke homoseksualiteit en als zodanig homofobie bevordert.

6.2 Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het enkele standpunt van verweerder dat eiser, gelet op zijn ongeloofwaardig bevonden asielrelaas, geen persoonlijke problemen wegens zijn geaardheid heeft ondervonden, onvoldoende om te concluderen dat de overgelegde informatie niet afdoet aan het standpunt van verweerder dat homoseksuelen in zijn algemeenheid niet te maken hebben met ernstige problemen. Gelet hierop kan dan ook niet zonder meer worden geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. In zoverre kan het oordeel van verweerder dan ook niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Nu verweerder is uitgegaan van eisers homoseksuele geaardheid, dient verweerder op een deugdelijke wijze te onderzoeken en te motiveren waarom eiser, in het licht van de algemene situatie voor homoseksuelen in Jamaica, wegens zijn geaardheid geen gegronde vrees heeft op vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

7. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S.F. Voskens, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M. Kuipers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

2 december 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.