Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9219

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/1977
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: uitreiking voornemen; algemene asielprocedure; 6:22 Awb

Samenvatting:

Eiseres heeft aangevoerd dat het voornemen niet aan haar op de vijfde dag van de algemene asielprocedure is uitgereikt. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het voornemen aan eiseres op de vijfde dag is uitgereikt. Verweerder heeft eiseres een akkoordverklaring laten ondertekenen, waarin is vermeld dat uitreiking op de zesde dag zal plaatsvinden. Op grond hiervan, daarbij in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen of, en zo ja, wanneer uitreiking van het voornemen aan eiseres heeft plaatsgevonden en niet gebleken is dat verweerder met toepassing van artikel 3.115 Vb 2000 is afgeweken van de termijn bedoeld in artikel 3.114, eerste lid, Vb 2000, is de rechtbank van oordeel dat het voornemen niet overeenkomstig laatstgenoemde bepaling aan eiseres is uitgereikt. Dat eiseres op de derde dag van de algemene asielprocedure zonder tussenkomst van de gemachtigde een akkoordverklaring heeft ondertekend en dat het voornemen de gemachtigde van eiseres op 21 december 2010 is toegezonden, leidt tegen deze achtergrond niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren, omdat geen sprake is van schending van een vormvoorschrift. Los daarvan ligt toepassing van artikel 6:22 Awb, gelet op de wetgeschiedenis, niet voor de hand, nu verweerder, gelet op voornoemde verklaring van 17 december 2010, bewust voorbijgegaan is aan artikel 3.114, eerste lid, Vb 2000. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit worden in stand gelaten, nu het voornemen op de vijfde dag van de algemene asielprocedure aan de gemachtigde is toegezonden, eiseres alsnog een zienswijze heeft ingediend en eiseres in beroep ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om nader te reageren op het voornemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/1977

Datum uitspraak: 13 december 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer],

eiseres,

mede namens haar minderjarige zoon [naam zoon],

beiden van Somalische nationaliteit,

gemachtigde mr. M.E.T. Hogervorst,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Bij besluit van 23 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van

15 december 2010 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Dit besluit is bekendgemaakt in het Aanmeldcentrum te Den Bosch.

Op 18 januari 2011 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 9 juni 2011. Op die zitting is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.P.G. van Bel.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder verzocht nadere inlichtingen te verstrekken.

Bij brief van 20 juli 2011 heeft verweerder een reactie ingediend. Deze reactie is aan eiseres toegezonden en zij heeft daarop bij brief van 11 augustus 2011 gereageerd. Vervolgens is de zaak ter verdere behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De voortgezette behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

8 november 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.P.A. van Laarhoven.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep

1. Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift in afwijking van artikel 6:7 van de Awb vier weken. Ingevolge het tweede lid bedraagt de beroepstermijn één week, indien, samengevat weergegeven, de asielaanvraag binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen is afgewezen.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2002 in zaak no. 200200850/1, AB 2002, 197) strekt voormeld artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 ertoe dat, indien de asielaanvraag binnen de aanmeldcentrumprocedure is afgewezen, zoals in dit geval, de beroepstermijn wordt verkort tot één week.

Het besluit van 23 december 2010 is op dezelfde datum verzonden, zodat de termijn voor het instellen van beroep ingevolge artikel 6:8, eerste lid, is aangevangen op 24 december 2010 en is geëindigd op 30 december 2010.

De rechtbank stelt vast dat eiseres het beroepschrift niet binnen de bij artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000 gestelde termijn van één week, en dus niet tijdig, heeft ingediend. Echter, aan het besluit van 23 december 2010 is een rechtsmiddelenvoorlichting toegevoegd waarin een termijn van vier weken is vermeld. Nu het beroep wel binnen de aldus vermelde termijn is ingesteld, kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiseres daarmee in verzuim is geweest en kan eiseres in haar beroep worden ontvangen.

Ten aanzien van het besluit van 23 december 2010

2. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en heeft daaraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Het is eiseres toe te rekenen dat zij de door haar gebruikte reisdocumenten in Nederland na de paspoortcontrole aan de reisagent heeft afgestaan. Daarom is het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 op haar van toepassing. Nu het niet mogelijk was een dactyloscopisch signalement van eiseres te vervaardigen en eiseres heeft verklaard afkomstig te zijn uit Mogadishu, terwijl een taalanalyse heeft uitgewezen dat haar herkomst niet te herleiden is tot Zuid-Somalië, is het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de contra-expertise af te wachten. Er is voorts geen aanleiding om op grond van de algemene veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië in Somalië tot vergunningverlening over te gaan.

4. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd zal, voor zover van belang, in het navolgende worden ingegaan.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld de beroepsgrond dat zij, gelet op de aan haar toegekende verblijfsvergunning in Italië, door verweerder ten onrechte als asielzoeker is aangemerkt, niet te handhaven.

7. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte het voornemen tot afwijzing van de asielaanvraag niet aan eiseres heeft uitgereikt. Hierdoor heeft de gemachtigde dit voornemen niet tijdig met haar kunnen bespreken.

8. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Vw 2000 wordt het schriftelijke voornemen aan de vreemdeling meegedeeld door uitreiking of toezending ervan.

9. Ingevolge artikel 3.114, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (hierna: het Vb 2000), zoals dat met ingang van 1 juli 2010 is komen te luiden, wordt – indien verweerder voornemens is de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning af te wijzen binnen acht dagen – het schriftelijk voornemen daartoe aan de vreemdeling uitgereikt op de vijfde dag.

Ingevolge artikel 3.115, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan verweerder voornoemde termijn verlengen, tenzij de overschrijding van die termijn hem kan worden toegerekend.

10. In paragraaf C12/3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat vermeld dat het hier kalenderdagen betreft. Elke dag (termijn) begint om middernacht en eindigt 24 uur later om middernacht. De termijnen in de algemene asielprocedure zijn bindend. Dat houdt in dat wanneer de IND de haar ter beschikking staande termijn in de algemene asielprocedure overschrijdt en er geen mogelijkheid is om de termijnen te verlengen, het niet meer mogelijk is om binnen de algemene asielprocedure op de aanvraag te beslissen.

11. De rechtbank stelt vast dat uit de gedingstukken niet blijkt dat het voornemen aan eiseres op de vijfde dag van haar asielprocedure is uitgereikt. Verweerder heeft eiseres op 17 december 2010 een akkoordverklaring laten ondertekenen, waarin is vermeld dat uitreiking van het voornemen op de zesde dag zal plaatsvinden. Op grond hiervan, daarbij in aanmerking genomen dat verweerder ter zitting geen duidelijkheid heeft kunnen verschaffen of, en zo ja, wanneer uitreiking van het voornemen aan eiseres heeft plaatsgevonden en niet gebleken is dat verweerder met toepassing van artikel 3.115 van het Vb 2000 is afgeweken van de termijn bedoeld in artikel 3.114, eerste lid, van het Vb 2000, is de rechtbank van oordeel dat het voornemen niet overeenkomstig laatstgenoemde bepaling aan eiseres is uitgereikt. Dat eiseres op de derde dag van de algemene asielprocedure zonder tussenkomst van de gemachtigde een akkoordverklaring heeft ondertekend en dat het voornemen de gemachtigde van eiseres op 21 december 2010 is toegezonden, leidt tegen deze achtergrond niet tot een ander oordeel. De rechtbank ziet geen aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat geen sprake is van schending van een vormvoorschrift. Los daarvan ligt toepassing van artikel 6:22 van de Awb, gelet op de wetgeschiedenis, niet voor de hand, nu verweerder, gelet op voornoemde verklaring van 17 december 2010, bewust voorbijgegaan is aan artikel 3.114, eerste lid, van het Vb 2000.

12. Hieruit volgt dat de beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond en het besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en artikel 3.114, eerste lid, van het Vb 2000 te worden vernietigd.

13. Vervolgens dient de rechtbank uit het oogpunt van finale geschilbeslechting te beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand kunnen worden gelaten.

14. De rechtbank overweegt hiertoe eerst dat, nu het voornemen op de vijfde dag van de algemene asielprocedure aan de gemachtigde is toegezonden, eiseres alsnog een zienswijze heeft ingediend en eiseres in beroep ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om nader te reageren op het voornemen, het redelijkerwijs uitgesloten moet worden geacht, ook gelet op het navolgende, dat hernieuwde behandeling van de aanvraag van eiseres leidt tot een andere uitkomst dan die, waartoe het te vernietigen besluit strekt.

15. Vervolgens overweegt de rechtbank als volgt.

16. De rechtbank begrijpt het in het besluit ingelaste voornemen van

21 december 2010, mede gelet op de toelichting van verweerder op de zitting van

9 juni 2011, aldus dat verweerder tot ongeloofwaardigheid van het asielrelaas heeft geconcludeerd, maar daaraan niet de toets van de positieve overtuigingskracht ten grondslag heeft gelegd. Dat betekent dat hetgeen partijen omtrent het ontbreken van reisdocumenten hebben aangevoerd onbesproken kan blijven.

17. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

18. Verweerder heeft zich, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat, gelet op de conclusie van de taalanalyse, geen geloof wordt gehecht aan de verklaringen van eiseres over haar herkomst.

19. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen uitstel te verlenen voor indiening van een contra-expertise en tot besluitvorming over te gaan zonder de aangekondigde contra-expertise af te wachten.

20. In het in het kader van een eerdere asielprocedure opgestelde rapport taalanalyse van 30 september 2009 heeft de betreffende taalanalist, werkzaam voor het Zweedse bureau Verified, geconcludeerd dat eiseres met zekerheid niet te herleiden is tot de spraakgemeenschap binnen Zuid-Somalië. Eiseres heeft geen contra-expertise overgelegd om de conclusies van dit rapport te weerleggen. Het hiervoor onder 19 weergegeven betoog leidt niet tot het ermee beoogde doel, nu eiseres, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet heeft aangetoond dat daadwerkelijk een contra-expertise is opgestart. Daarbij komt dat, gelet op het vanaf 1 juli 2010 luidende artikel 83 van de Vw 2000, eiseres bedoeld rapport ook in de beroepsfase in de procedure kan inbrengen. Dat dit niet is gebeurd wegens problemen rondom de financiering betreft een omstandigheid die voor rekening en risico van eiseres dient te blijven. In het licht van het voorgaande kan hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet tot het oordeel leiden dat verweerder zich niet op basis van de uitkomsten van de taalanalyse in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat haar herkomst, en daarmee haar asielrelaas, ongeloofwaardig is.

21. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de veiligheidssituatie in geheel Somalië dusdanig slecht is dat sprake is van een situatie als beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van

29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven, en de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Definitierichtlijn), waartoe zij in beroep informatie over de veiligheidssituatie heeft overgelegd.

22. De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verklaard dat zij afkomstig is uit Mogadishu in Zuid-Somalië. Nu verweerder zich in het voornemen op het standpunt heeft gesteld dat het niet geloofwaardig is dat eiseres uit dit gebied afkomstig is, en dat standpunt, gegeven het onder 20 overwogene, de rechterlijke toetsing kan doorstaan, biedt hetgeen zij heeft aangevoerd reeds hierom geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn geen aanspraak op bescherming kan ontlenen. De beroepsgrond faalt.

23. Zoals hiervoor reeds is overwogen, zal het beroep gegrond worden verklaard. In hetgeen hiervoor verder is overwogen, ziet de rechtbank echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

24. De rechtbank acht, gelet op de gegrondverklaring van het beroep, termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 437,00, wegingsfactor 1) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 23 december 2010;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1092,50 te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.S.M. Bak, voorzitter, en mr. E. Horsthuis en

mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).