Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9213

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/25576
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Surinaamse moeder heeft drie Nederlandse kinderen. Eiseres heeft een beroep gedaan op het Zambrano-arrest. Uit dit arrest is af te leiden dat artikel 20 VwEU zich verzet tegen een nationale maatregel die tot gevolg heeft dat een burger van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeert de belangrijkste aan zijn status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen. Die situatie ontstaat, aldus het arrest, indien een maatregel van een lidstaat kinderen van jonge leeftijd, die staatsburger zijn van die lidstaat en die ten laste komen van een staatsburger van een derde land, feitelijk ertoe verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. Niet kan uit dit arrest worden afgeleid dat daarbij relevant is op welke wijze de kinderen van jonge leeftijd het staatsburgerschap van een lidstaat en daarmee het Unieburgerschap hebben verkregen. De kinderen van eiseres zijn burgers van de Unie, zodat zij zich op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen. Het standpunt dat de kinderen niet verplicht zijn Nederland te verlaten en eiseres te volgen omdat hun vaders over de Nederlandse nationaliteit beschikken en verwacht kan worden dat zij door hun vaders worden opgevangen behoeft voorts een nadere, op de zaak toegespitste, motivering. Beoordeeld moet worden of de kinderen slechts ten laste komen van eiseres, en om die reden bij haar vertrek uit Nederland verplicht zullen worden met haar mee te gaan. Daarbij dient de rol van de uit beeld zijnde (Nederlandse) ouder in ogenschouw te worden genomen. De hoedanigheid van ‘familielid ten laste’ vloeit voort uit de feitelijke situatie, zo volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie. De opvatting van verweerder dat uit het vaderschap voortvloeit dat de Nederlandse vader de verplichting heeft om te voorzien in de zorg en de opvoeding voor het kind, en dat, gelet daarop, geen doorslaggevend belang hoeft te worden toegekend aan de feitelijke situatie kan dus niet worden gevolgd. Daarbij wordt nog opgemerkt dat verweerder met het gebruik van de term ‘vaderschap’ (kennelijk), in tegenstelling tot het Nederlands recht, geen onderscheid heeft willen maken tussen biologisch en juridisch vaderschap. Ook miskent verweerder dat (enkel) indien de (juridische) vader ook het ouderlijk gezag heeft, hij verplicht is om te voorzien in de opvoeding en verzorging van het kind. Overigens is, zoals hierboven is vastgesteld, het oudste kind na het vertrek van eiseres in 2008 niet door zijn biologische of juridische vader opgevangen. Op voorhand bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat dit thans anders zou zijn. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/25576

Datum uitspraak: 15 december 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum],

v-nummer [nummer]

van Surinaamse nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde mr. M.R. Roethof,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 17 december 2010 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend met als doel ‘het uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM)’ met haar in Nederland gevestigde kinderen. Bij besluit van 8 februari 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 23 februari 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 5 augustus 2011 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

8 november 2011. Eiseres is vertegenwoordigd door mr. M.J.R. Roethof, kantoorgenote van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. D.P.A. van Laarhoven.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

Feiten

2. Eiseres heeft drie minderjarige kinderen van twee verschillende vaders:

[naam kind 1] (hierna: [naam 1]), geboren op [geboortedatum kind [naam 2][naam kind 2] (hierna: [naam 2]), geboren op [geboortedatum k[naam 3]

[naam kind 3], geboren op [geboortedatum] (hierna: [naam 3]),

allen met de Nederlandse nationaliteit.

[naam 1] is erkend d[naam 4] (hierna: de heer [naam 4]). [naam 1] heeft vanaf augustus 2008 – na het vertrek van eiseres naar Suriname – bij de familie [naam 5] (hierna: de pleegouders) verbleven. Op 20 januari 2009, en wederom op 26 mei 2009, is de voorlopige voogdij over [naam 1] uitgesproken. Sinds 9 december 2009 staat hij onder voogdij van Bureau Jeugdzorg Utrecht. Thans verblijft [naam 1] weer bij eiseres. [naam 2], die is erkend door [naam 6] en [naam 3] verblijven thans ook bij eiseres. Met de vaders van de kinderen heeft eiseres geen relatie meer.

Stanspunten partijen

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen en deze afwijzing bij besluit van 8 juli 2011 gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en dat zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dit vereiste. Eiseres komt voorts geen geslaagd beroep toe op het door haar ingeroepen arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in de zaak Zambrano van 8 maart 2011, C-34/09 (hierna: het arrest Zambrano), omdat de feiten in de onderhavige zaak verschillen van die in het arrest Zambrano.

4. Hiermee kan eiseres zich niet verenigen. In beroep heeft zij aangevoerd dat, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, het arrest Zambrano zich verzet tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan deze status ontleende rechten. Gelet hierop heeft verweerder ten onrechte de weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen in bezwaar gehandhaafd.

Beoordeling

5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiseres, zoals zij betoogt, rechten kan ontlenen aan het arrest Zambrano.

6. Artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de

Europese Unie (hierna: VwEU) bepaalt dat een burgerschap van de Unie wordt ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch niet in de plaats daarvan.

7. Het Hof heeft in het arrest Zambrano, onder punt 40 tot en met 44, het volgende overwogen:

40. Artikel 20 VWEU verleent aan eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit de status van burger van de Unie (zie met name arresten van 11 juli 2002, D 'Hoop, C-224/98, Jurispr. blz. 1-6191, punt 27, en 2 oktober 2003, Garcia Avello, C-148/02, Jurispr. blz. 1-11613, punt 21). Aangezien zij de Belgische nationaliteit bezitten, waarvan de voorwaarden tot verkrijging tot de bevoegdheid van de betrokken lidstaat behoren (zie in die zin arrest van 2 maart 2010, Rottmann, C-135/08, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 39 ), hebben het tweede en het derde kind van verzoeker in het hoofdgeding ontegenzeglijk deze status (zie in die zin eerder aangehaalde arresten Garcia Avello, punt 21, en Zhu en Chen, punt 20).

41. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (zie met name arresten van 20 september 2001, Grzelczyk, C-184/99, Jurispr. blz. 1-6193, punt 31, en 17 september 2002, Baumbast en R, C-413/99, Jurispr. blz. 1-7091, punt 82, en eerder aangehaalde arresten Garcia Avello, punt 22, Zhu en Chen, punt 25, en Rottmann, punt 43 ).

42. In die omstandigheden verzet artikel 20 VWEU zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten (zie in die zin arrest Rottmann, punt 42).

43. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat en te zijnen laste, verblijven, en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven.

44. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.

8. In een brief van verweerder van 31 maart 2011 is, mede namens de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Tweede Kamer geïnformeerd over de gevolgen van het arrest Zambrano voor het Nederlandse vreemdelingenbeleid. Volgens die brief heeft verweerder uit het arrest afgeleid dat het Hof vooral beoogd heeft een oplossing te bieden voor de specifieke casus van de minderjarige kinderen met de Belgische nationaliteit van het echtpaar Zambrano, dat de Colombiaanse nationaliteit heeft, die allen in België verblijven. Alleen in de uitzonderlijke situatie dat ouders met de nationaliteit van een derde land in Nederland verblijven met een minderjarig kind dat ten tijde van de geboorte staatloos was en na drie jaar toelating en hoofdverblijf hier te lande de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen door middel van optie, zal Nederland moeten instemmen met het verblijf van de ouders in Nederland, indien deze ouders na de optieverklaring van hun kind niet (meer) zouden beschikken over een geldige verblijfsvergunning voor Nederland en indien het minderjarige kind verder volledig afhankelijk is van zijn ouders.

9. Verweerder heeft, onder verwijzing naar deze brief, gesteld dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op het arrest Zambrano, omdat haar situatie verschilt van die in dat arrest. Daartoe betoogt verweerder dat de kinderen van eiseres bij hun geboorte niet staatloos waren en zij niet door middel van optieverklaring de Nederlandse nationaliteit hebben gekregen. Daarnaast beschikken beide vaders van de kinderen over de Nederlandse nationaliteit, waardoor de kinderen van eiseres niet verplicht zijn Nederland te verlaten en eiseres te volgen.

10. Uit het arrest Zambrano is af te leiden dat artikel 20 van het VwEU zich verzet tegen een nationale maatregel die tot gevolg heeft dat een burger van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeert de belangrijkste aan zijn status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen. Die situatie ontstaat, aldus het arrest, indien een maatregel van een lidstaat kinderen van jonge leeftijd, die staatsburger zijn van die lidstaat en die ten laste komen van een staatsburger van een derde land, feitelijk ertoe verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.

Niet kan uit dit arrest worden afgeleid dat daarbij relevant is op welke wijze de kinderen van jonge leeftijd het staatsburgerschap van een lidstaat en daarmee het burgerschap van de Unie hebben verkregen. Het daartoe strekkende betoog van verweerder faalt derhalve. De kinderen van eiseres zijn burgers van de Unie, zodat zij zich op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen.

Het standpunt dat de kinderen niet verplicht zijn Nederland te verlaten en eiseres te volgen omdat hun vaders over de Nederlandse nationaliteit beschikken en verwacht kan worden dat zij door hun vaders worden opgevangen behoeft een nadere, op de zaak toegespitste, motivering. Beoordeeld moet worden of de kinderen slechts ten laste komen van eiseres, en om die reden bij haar vertrek uit Nederland verplicht zullen worden met haar mee te gaan. Daarbij dient de rol van de uit beeld zijnde ouder in ogenschouw te worden genomen. De hoedanigheid van ‘familielid ten laste’ vloeit voort uit de feitelijke situatie, zo volgt uit de rechtspraak van het Hof, onder andere de arresten van

18 juni 1987 in de zaak Lebon (316/85) en van 19 oktober 2004 in de zaak Zhu/Chen

(C-200/02). De opvatting van verweerder dat uit het vaderschap voortvloeit dat de Nederlandse vader de verplichting heeft om te voorzien in de zorg en de opvoeding voor het kind, en dat, gelet daarop, geen doorslaggevend belang hoeft te worden toegekend aan de feitelijke situatie kan dus niet worden gevolgd. Daarbij wordt nog opgemerkt dat verweerder met het gebruik van de term ‘vaderschap’ (kennelijk), in tegenstelling tot het Nederlands recht, geen onderscheid heeft willen maken tussen biologisch en juridisch vaderschap. Ook miskent verweerder dat (enkel) indien de (juridische) vader ook het ouderlijk gezag heeft, hij verplicht is om te voorzien in de opvoeding en verzorging van het kind. Overigens is, zoals hierboven is vastgesteld, [naam 1] na het vertrek van eiseres in 2008 niet door zijn biologische of juridische vader opgevangen. Op voorhand bestaat geen aanleiding te veronderstellen dat dit thans anders zou zijn.

11. Nu verweerder de in de vorige rechtsoverweging weergegeven beoordeling niet, althans niet op inzichtelijke wijze, heeft verricht is het besluit van 8 juli 2011 in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en 7:12 van de Awb tot stand gekomen. Het beroep zal mitsdien gegrond worden verklaard en het besluit zal worden vernietigd.

12. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, nu onvoldoende gegevens voorhanden zijn om tot finale geschilbeslechting over te gaan. Hoewel de rechtbank het belang van een spoedige beëindiging van het geschil onderkent ziet de rechtbank, ook gelet op het principiële standpunt van verweerder ten aanzien van de reikwijdte van het arrest Zambrano, evenmin aanleiding om gebruik te maken van de bevoegdheid in artikel 8:51a van de Awb.

13. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, acht de rechtbank termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het

Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 437,- per punt en wegingsfactor 1). Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

14. Op grond van artikel 8:74 van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht vergoedt.

De beslissing

De rechtbank:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van 8 juli 2011;

III. veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, begroot op € 874,00, te betalen aan eiseres;

IV. bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 152,00 aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Horsthuis, voorzitter, en mr. D.S.M. Bak en

mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).