Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9209

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/6944
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering verlening verblijfsvergunning onbepaalde tijd regulier (met aantekening ‘langdurig ingezetene’) omdat volgens verweerder eisers verblijfsrecht (verblijfsvergunning onder de beperking ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij zijn zoon) tijdelijk van aard is. Niet in geschil is dat de toegekende verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.5, tweede lid, Vb 2000. Dit brengt mee dat, gelet op artikel 3.5, derde lid, Vb 2000 het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van die verblijfsvergunning anders is bepaald. Verweerder heeft blijkens het daartoe strekkende besluit bij de verlening van de verblijfsvergunning niet heeft vermeld dat de bij dit besluit verleende verblijfsvergunning tijdelijk van aard is. Anders dan verweerder stelt, kan uit de motivering van het besluit evenmin worden afgeleid dat beoogd is een tijdelijk verblijfsrecht te verlenen. In dit verband komt aan het in paragraaf B2/10.4 Vc 2000 neergelegde beleid niet de door verweerder gewenste betekenis toe. Daartoe wordt overwogen dat in het besluit niet (uitdrukkelijk) naar dit beleid, voor zover daarin de tijdelijkheid van het aan eiser toekomende verblijfsrecht aan de orde is gesteld, is verwezen en niet bij beleidsregel van artikel 3.5, derde lid Vb 2000, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, kan worden afgeweken. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Vreemdelingenkamer

Nevenzittingsplaats Arnhem

Registratienummer: AWB 11/6944

Datum uitspraak: 13 december 2011

Uitspraak

Ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

inzake

[eiser],

geboren op [1984],

v-nummer [v-nummer],

van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde mr. G.J. van der Graaf,

tegen

de Minister voor Immigratie en Asiel,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 27 juli 2010 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’). Bij besluit van 2 november 2010 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Daartegen heeft eiser op 26 november 2010 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 februari 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 28 februari 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van

8 november 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. D.P.A. van Laarhoven.

De beoordeling

1. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:69 van de Awb, dient de rechtbank het bestreden besluit – de motivering waarop dit besluit berust daaronder begrepen – te toetsen aan de hand van de tegen dat besluit aangevoerde beroepsgronden.

2. Verweerder heeft geweigerd om eiser de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen en deze weigering bij besluit van 17 februari 2011 gehandhaafd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat, samengevat weergegeven, eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, omdat zijn verblijfsrecht tijdelijk van aard is.

3. Hiermee kan eiser zich niet verenigen. Kort samengevat heeft eiser in beroep aangevoerd zich niet te kunnen vinden in de constatering dat het aan hem verleende verblijfsrecht tijdelijk van aard is.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Bij besluit van 25 februari 2010 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij [A]’, de zoon van eiser.

6. Ingevolge artikel 21, eerste lid, van de Vw 2000 kan ter uitvoering van artikel 8, tweede lid, van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van

25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 slechts worden afgewezen, indien – voor zover hier van belang – de vreemdeling:

a. niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8 Vw;

b. in de periode, bedoeld onder a, verblijfsrecht van tijdelijke aard heeft gehad (...).

7. Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) is het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd tijdelijk of niet-tijdelijk.

In artikel 3.5, tweede lid, van het Vb 2000 is opgesomd welke beperkingen tijdelijk van aard zijn.

Ingevolge het derde lid, zoals die bepaling luidde ten tijde van belang, is het verblijfsrecht niet-tijdelijk indien de verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in het tweede lid, tenzij bij de verlening van de verblijfsvergunning anders is bepaald.

8. In de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 497, p. 94) bij artikel 3.5 van het Vb 2000 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

‘De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geeft de houder ofwel tijdelijk verblijfsrecht, ofwel niet-tijdelijk verblijfsrecht. Of het verblijfsrecht van de vreemdeling tijdelijk of niet-tijdelijk is, wordt uitsluitend bepaald door artikel 3.5. (…)

Ingevolge artikel 3.4, derde lid, kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van dat artikel. In dat geval wordt bij de verlening aangegeven of het daaruit voortvloeiende verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Blijft een dergelijke aanwijzing achterwege dan volgt uit het derde lid van artikel 3.5 dat het verblijfsrecht niet tijdelijk van aard is.’

9. In het beleid, neergelegd in paragraaf B2/10.4 van de

Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) is het volgende neergelegd:

‘Indien het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven noopt tot aanvaarding van (voortgezet) verblijf, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM (naam hoofdpersoon met wie het gezinsleven moet worden toegestaan)’ (…) Afhankelijk van de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, wordt bij de verlening van de verblijfsvergunning aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk van aard is. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens tijdelijk van aard. Indien het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet tijdelijk van aard is, is het verblijfsrecht van de vreemdeling eveneens niet tijdelijk van aard. Dit is slechts anders indien verblijf dient te worden verleend op grond van de pogingen van de vreemdeling om aan het gezinsleven met zijn kind invulling te gaan geven. In dat geval is het verblijfsrecht, ongeacht de aard van het verblijfsrecht van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, altijd tijdelijk.’

10. Niet in geschil is dat de bij besluit van 25 februari 2010 toegekende verblijfsvergunning is verleend onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.5, tweede lid, van het Vb 2000. Dit brengt mee dat, gelet op artikel 3.5, derde lid, van het Vb 2000, zoals dat luidde ten tijde van belang, het verblijfsrecht niet-tijdelijk is, tenzij bij de verlening van die verblijfsvergunning anders is bepaald.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet gevolgd kan worden in diens betoog dat de aard van het verblijfsrecht niet is bepaald bij de vergunningverlening. Volgens verweerder kan, gelet op de motivering in het besluit van 25 februari 2010, worden geconcludeerd dat, conform het in paragraaf B2/10.4 van de

Vc 2000 neergelegde beleid, sprake is van een tijdelijk verblijfsrecht.

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het besluit van 25 februari 2010 niet heeft vermeld dat de bij dit besluit verleende verblijfsvergunning tijdelijk van aard is.

Anders dan verweerder stelt, kan uit de motivering van het besluit evenmin worden afgeleid dat beoogd is een tijdelijk verblijfsrecht te verlenen. In dit verband komt aan het in paragraaf B2/10.4 van de Vc 2000 neergelegde beleid niet de door verweerder gewenste betekenis toe. Daartoe wordt overwogen dat in het besluit niet (uitdrukkelijk) naar dit beleid, voor zover daarin de tijdelijkheid van het aan eiser toekomende verblijfsrecht aan de orde is gesteld, is verwezen en niet bij beleidsregel van het bepaalde in het ten tijde van belang luidende artikel 3.5, derde lid van het Vb 2000, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, kan worden afgeweken.

13. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het besluit van

17 februari 2011 een deugdelijke motivering ontbeert. Het beroep is derhalve gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51a van de Awb, nu onduidelijk is gebleven hoe het gebleken gebrek kan worden hersteld.

14. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 874 aan kosten van verleende rechtsbijstand. Van andere kosten in dit verband is de rechtbank niet gebleken.

15. Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ten bedrage van € 152 dient te vergoeden.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 februari 2011;

- draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 874;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 152 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Horsthuis, voorzitter, en mr. D.S.M. Bak en

mr. G.A. van der Straaten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 13 december 2011.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).