Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9161

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-12-2011
Datum publicatie
23-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/39567 en 11/39569
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vooruitzicht op verwijdering van eisers onverkort aanwezig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder gewezen op twee brieven van de Oekraïense autoriteiten, waarin de mogelijkheid tot overname van eisers wordt bevestigd.

Eisers betwisten de juistheid van de inhoud en de echtheid van deze brieven.

In het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring dient de rechtbank te toetsen of er een vooruitzicht op verwijdering bestaat. Deze toets is minder stringent dan de beantwoording van de vraag of de feitelijke verwijdering kan plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank duiden de genoemde brieven erop dat eisers verwijderd kunnen worden naar Oekraïne. Hoewel deze brieven ogenschijnlijk bevreemdingwekkende aspecten bevatten, is het voor de rechtbank in dit stadium niet evident dat deze brieven onjuist of onecht zijn. De rechtbank komt op basis hiervan dan ook tot het oordeel dat het vooruitzicht op verwijdering van eisers naar Oekraïne vooralsnog niet ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 11/39567 (man) en AWB 11/39569 (vrouw)

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2011

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1963,

eiser,

en

[eiseres],

geboren op [datum] 1964,

eiseres,

gezamenlijk te noemen: eisers,

beiden staatloos

verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum,

gemachtigde mr. E. van Kempen,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde mr. S.H.F. Pols.

<b>Procesverloop</b>

Op 6 december 2011 zijn eisers op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld.

Op 7 december 2011 hebben eiser tegen hun inbewaringstelling beroep ingesteld. Voorts hebben zij om schadevergoeding verzocht.

De zaak is behandeld op de zitting van 20 december 2011, waar eisers overeenkomstig het Besluit Videoconferentie (Stb. 2006, 275) vanaf hun plaats van detentie per videoconferentie zijn gehoord op hun beroep en ter zitting zijn bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd dat zijn niet beschikken over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000, dat zij zich niet hebben gehouden aan hun vertrektermijn en dat zij beschikken over echte documenten, te weten een Schengenvisum. Eisers betwisten voorts dat zij hun verwijdering belemmeren of ontwijken. Voorts betwisten eisers het vooruitzicht op verwijdering naar Oekraïne. Ten slotte zijn eisers van mening dat verweerder had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel en dat de belangenafweging in hun voordeel had moeten uitvallen.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

<u>Ten aanzien van de gronden van de maatregel</u>

3. Verweerder heeft eisers in vreemdelingrechtelijke bewaring gesteld op de gronden dat zij:

- niet beschikken over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000),

- zich niet hebben gehouden aan hun vertrektermijn,

- zij niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats,

- zij eerder illegaal in Nederland hebben verbleven,

- zij gebruik hebben gemaakt van valse of vervalste documenten.

4. Het belang van een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vb 2000 is er met name in gelegen dat de vreemdeling kan aantonen dat hij in Nederland beschikt over rechtmatig verblijf. Vast staat dat eisers niet beschikken over een dergelijk document. Al om deze reden heeft verweerder deze omstandigheid terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. De discussie of eisers in verband met hun staatloosheid in de gelegenheid zijn om hun identiteit aan de hand van officiële documenten aan te tonen en of zij dit door middel van een tijdelijk identiteitsdocument wellicht al genoegzaam hebben gedaan, laat de rechtbank dan ook onbesproken.

5. Vast staat dat eisers zich niet hebben gehouden aan hun vertrektermijn. Dat zij staatloos zijn en dat een eerdere poging tot verwijdering naar Oekraïne is mislukt, laat onverlet dat op eisers de verplichting rust om Nederland te verlaten en dat zij aan deze verplichting tot op heden geen gevolg hebben gegeven.

6. Aan eisers wordt tegengeworpen dat zij zich bediend hebben van valse Franse visa. Dit is door eisers niet bestreden en in zoverre heeft verweerder deze omstandigheid terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. De stelling van eisers dat zij beschikken over een Schengenvisum raakt deze grond van de bewaring niet.

7. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gronden de maatregel van de bewaring dragen. De gronden rechtvaardigen verder het ernstige vermoeden dat eisers zich aan hun verwijdering uit Nederland zullen onttrekken dan wel dat zij hun verwijdering zullen belemmeren. Het streven van eisers om terug te keren naar de Verenigde Staten volstaat niet om tot een ander oordeel te komen. Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat eisers, blijkens het dossier, de toegang tot dat land tot 2017 is ontzegd.

<u>Ten aanzien van het vooruitzicht op verwijdering:</u>

8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vooruitzicht op verwijdering van eisers onverkort aanwezig is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verweerder gewezen op een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Oekraïne van 27 oktober 2011. In deze brief bevestigen de Oekraïense autoriteiten de mogelijkheid tot overname van eisers. Verweerder wijst voorts op een brief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Oekraïne van 6 december 2011, waarin de voorgenomen verwijdering naar en de toelating tot Oekraïne van eisers op 8 december 2011 wordt bevestigd.

9. Eisers voeren aan dat de Opperste bestuursrechtbank van Oekraïne bij uitspraak van 3 november 2011 heeft geoordeeld dat eisers de Oekraïense nationaliteit niet hebben en dat indertijd door de Oekraïense autoriteiten op onjuiste gronden een laissez-passer ten behoeve van eisers is verstrekt. Dit college heeft voorts geoordeeld dat er geen juridische basis is voor de overname van eisers door de Oekraïense autoriteiten. Eisers wijzen er verder op dat een eerdere poging in oktober 2009 van de Nederlandse autoriteiten om hen te verwijderen naar Oekraïne is mislukt, omdat eisers de toegang tot dat land werd ontzegd. Eisers betwisten de juistheid van de inhoud van de hiervoor genoemde brieven van 27 oktober 2011 en

6 december 2011, alsmede de echtheid van de brieven. Zij stellen in dit verband dat de inhoud van de brieven haaks staat op het oordeel van de Opperste bestuursrechtbank van de Oekraïne. Verder wekt de brief van 27 oktober 2011 de indruk dat deze in eerder 2009 per fax is verzonden, aangezien de brief de melding “HDR 04 2009 11:16 CIP1” bevat. Onduidelijk is hoe verweerder in het bezit van deze brief is gekomen en voorts wekt het volgens eiser bevreemding dat de brief in het Russisch is opgemaakt. Op de brieven ontbreken verder enkele echtheidskenmerken, zoals zegels, handtekeningen of stempels.

10. In het kader van de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaring dient de rechtbank te toetsen of er een vooruitzicht op verwijdering bestaat. Deze toets is minder stringent dan de beantwoording van de vraag of de feitelijke verwijdering kan plaatsvinden.

11. Naar het oordeel van de rechtbank duiden de genoemde brieven van 27 oktober 2011 en 6 december 2011 erop dat eisers verwijderd kunnen worden naar Oekraïne. Hoewel deze brieven ogenschijnlijk bevreemdingwekkende aspecten bevatten, is het voor de rechtbank in dit stadium niet evident dat deze brieven onjuist of onecht zijn. De rechtbank komt op basis hiervan dan ook tot het oordeel dat het vooruitzicht op verwijdering van eisers naar Oekraïne vooralsnog niet ontbreekt.

<u>Ten aanzien van de belangenafweging en het lichter middel:</u>

12. Zoals de rechtbank al heeft geoordeeld, rechtvaardigen de gronden van de maatregel het ernstige vermoeden dat eiser zich aan hun verwijdering zullen onttrekken, dan wel dat zij deze zullen belemmeren. Eisers hebben geen feiten of persoonlijke omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder in redelijkheid had moeten afzien van inbewaringstelling of op grond waarvan verweerder de inbewaringstelling had moeten opheffen. In de stelling van eisers dat zij over opvang en voldoende financiële middelen beschikken, heeft verweerder niet ten onrechte geen aanleiding gegeven om af te zien van de mogelijkheid tot het opleggen van een lichter middel.

<u>Conclusie</u>

13. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen en op het feit dat de rechtbank ambtshalve geen aanleiding zien de bewaring van eisers onrechtmatig te achten, zullen de beroepen ongegrond worden verklaard. De verzoeken om schadevergoeding komen niet voor toewijzing in aanmerking, nu zich geen omstandigheden als omschreven in artikel 106 van de Vw 2000 voordoen. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst de verzoeken om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van W.G.M. de Boer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2011.

De griffier is buiten staat deze uitspraak te ondertekenen.

<HR>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>één week</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: