Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9107

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/5486
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:BZ3951, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres stelt geluidshinder te ondervinden van een water- en warmtepomp van een zwembad. Bovendien is de warmtepomp zonder vergunning geplaatst en in gebruik. Ingevolge de Algemene plaatselijke verordening 2009 van de gemeente Leiden (APV) is het verboden toestellen of geluidapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3969
JOM 2012/263
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/5486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 december 2011 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden tegen de eigenaar en gebruiker van het perceel [a-straat] 15 te [plaats] afgewezen.

Bij besluit van 17 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B. Akciger.

Overwegingen

1.Op het perceel [a-straat] 15 te [plaats] zijn ten behoeve van een aldaar aangelegd zwembad een water- en warmtepomp aangebracht. Eiseres woont op het perceel [a-straat] 26 te [plaats] en stelt geluidhinder vanwege de waterpomp en de warmtepomp te ondervinden. Bovendien is de warmtepomp zonder vergunning geplaatst en in gebruik, hetgeen volgens eiseres in strijd is met artikel 2.1, eerste lid, aanhef, a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Zij heeft verweerder verzocht hiertegen handhavend op te treden.

2.Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, voor zover hier van belang, is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk dan wel het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

3.De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de warmtepomp behorende bij het zwembad ten tijde van het bestreden besluit niet op het achtererfgebied van het perceel [a-straat] 15 te [plaats] was geplaatst en dientengevolge vergunningplichtig was. Verder is niet in geschil dat de warmtepomp zonder vergunning is gebouwd en in gebruik is. Dit is in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.

4.Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2011, LJN: BQ7427.

5.Verweerder stelt zich, gelet op het verhandelde ter zitting, op het standpunt dat handhavend optreden zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden behoorde te worden afgezien. Hij wijst in dit verband op de omstandigheid dat plaatsing van de warmtepomp op het achtererf vergunningvrij is, de warmtepomp op eenvoudige wijze verplaatsbaar is en dat de eigenaar van het zwembad voorafgaand aan het bestreden besluit heeft toegezegd de warmtepomp naar het achtererf te zullen verplaatsen.

6.Hoewel de rechtbank de verplaatsbaarheid van de warmtepomp niet onaannemelijk voor komt, laat dit onverlet dat deze ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet was verplaatst. Bovendien is deze belangenafweging niet kenbaar gemaakt in ofwel het primaire ofwel het bestreden besluit. Het bestreden besluit mist in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht een draagkrachtige motivering en dient te worden vernietigd.

7.Voorts overweegt de rechtbank het volgende.

8.Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2009 van de gemeente Leiden (APV) is het verboden toestellen of geluidapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

9.Ten aanzien van de door eiseres gestelde geluidoverlast heeft een toezichthouder van de gemeente Leiden op 20 augustus 2010 een geluidmeting verricht. Uit het naar aanleiding van die meting opgemaakte rapport volgt dat er door de warmte- en de waterpomp een geluidniveau van circa 50 dB(A) wordt geproduceerd. Voorts blijkt uit de gedingstukken dat de Milieudienst West-Holland op 24 september 2010 een meting heeft verricht naar het geluid van de warmtepomp alleen, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 oktober 2010. In dat rapport, waarnaar in het primaire besluit wordt verwezen, is geconcludeerd dat het geluidniveau vanwege de warmtepomp op 2 meter van deze pomp 56 dB(A) bedraagt. Op de gevel van de woning van derden op 15 meter afstand, de rechtbank vermoedt dat daarmee het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object, zijnde de woning van eiseres wordt bedoeld, is dit 38 dB(A) en gecorrigeerd voor de tijdsduur 35 dB(A). Volgens verweerder is er geen sprake van een overtreding nu deze waarde ruim onder de maximale geluidwaarde van 45 dB(A), de norm voor de dagperiode in een rustige woonwijk, ligt.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 januari 2001, nr. E03.98.0760, overweegt de rechtbank dat een tuin geen geluidgevoelig object is dat in aanmerking komt voor bescherming tegen geluidhinder. Verweerder heeft bij de geluidmetingen de vaststelling van het geluidniveau in de tuin en op de terrassen bij de woning van eiseres dan ook op goede gronden achterwege gelaten.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat in het rapport van de Milieudienst West-Holland waarnaar in het primaire besluit is verwezen ten onrechte niet ook het geluid vanwege de waterpomp is vastgesteld noch het gecumuleerde geluidniveau vanwege de water- en warmtepomp. Voorts had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen onderzoek te (laten) doen naar de effecten van het laag-frequente geluid (brom- en trilgeluiden) vanwege de pompen. Door zulks na te laten heeft verweerder onvoldoende onderzoek gedaan ten aanzien van de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 4:6 van de APV en is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht en het algemene rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig dient te worden genomen.

10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene. De rechtbank ziet af van de toepassing van een bestuurlijke lus, aangezien verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven niet zonder meer tot een nader geluidonderzoek met betrekking tot alle in overweging 9 genoemde onderwerpen over te zullen gaan.

11. Verweerder wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht veroordeeld in de door eiseres gemaakte reiskosten tot een bedrag van € 8,80. De overige door eiseres genoemde proceskosten, te weten de gestelde advieskosten door [B], komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat op grond van de overgelegde declaratie noch op grond van de overige door eiseres ingebrachte stukken kan worden vastgesteld dat [B] in deze procedure een deskundigenadvies heeft uitgebracht en/of processtukken heeft opgesteld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen een termijn van 6 weken na het opnieuw opstarten van de pompen een nieuw besluit dient te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 8,80, te betalen aan eiseres;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 152,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. van Beurden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.