Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9097

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
408631 - KG ZA 11-1435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, familierecht, internationale kinderontovervoering, teruggeleiding, HKOV, bevoegdheid. Vordering tot teruggeleiding o.g.v. HKOV kan slechts worden ingesteld bij de rechter van de staat waar de minderjarigen zich bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 408631 / KG ZA 11-1435

Vonnis in kort geding van 14 december 2011

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht,

tegen:

[de man],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.

1. Procesverloop

1.1. De vrouw heeft de man op 8 december 2011 doen dagvaarden om op 9 december 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De dagvaarding is aan hem in persoon betekend op het politiebureau aan de [adres] te [vestigingsplaats], waar de man op verdenking van kinderontvoering werd vastgehouden.

1.2. Na het uitroepen van de zaak op 9 december 2011 is de man, die in afwachting van zijn voorgeleiding bij de rechter-commissaris in het Paleis van Justitie aanwezig was, aangevoerd naar de zittingszaal. De man verklaarde dat hij in afwachting was van zijn advocaat mr. P.H.W. Spoelstra te ‘s-Gravenhage. Daarnaar gevraagd door de griffier, heeft

mr. Spoelstra telefonisch verklaard dat hij de man alleen zou bijstaan in de strafzaak. Hierop heeft de man bezwaar gemaakt tegen de behandeling van de zaak.

1.3. Mede gelet op de zeer korte termijn van dagvaarden en de insluiting van de man door de politie, heeft de voorzieningenrechter bepaald dat de behandeling van de zaak doorgang zou vinden, doch dat geen beslissingen in het nadeel van de man zouden worden genomen voordat hij alsnog in de gelegenheid zou zijn gesteld zich te laten bijstaan door een advocaat.

1.4. Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 december 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Partijen zijn van [datum] 1998 tot [datum] 2008 met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige kinderen geboren:

- [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats];

- [kind 2]. geboortedatum]i 2001 te [geboorteplaats];

- [kind 3], geboren [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats];

- [kind 4], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

2.2. Na het feitelijk uiteengaan van partijen hebben de minderjarigen hun gewone verblijfplaats gehad bij de vrouw.

2.3. Na de echtscheiding hebben partijen ongeveer een jaar geen contact met elkaar gehad. Vervolgens zijn partijen gaan samenwonen in de woning van de vrouw.

2.4. In oktober 2010 heeft de vrouw een zelfmoordpoging gedaan. Tijdens de daarop volgende ziekenhuisopname van de vrouw heeft de man de minderjarigen ondergebracht bij zijn familie in Marokko.

2.5. Tussen december 2010 en januari 2011 is de vrouw in Marokko bij de minderjarigen geweest.

2.6. In maart 2011 heeft zich een incident voorgedaan tussen partijen. Naar aanleiding hiervan heeft de politie de vrouw een nacht vastgehouden. De zaak tegen de vrouw is geseponeerd. Tegen de man is wel een strafrechtelijke vervolging ingesteld. De behandeling van die strafzaak staat gepland in januari 2012.

2.7. Op 27 juli 2011 heeft de vrouw bij de politie aangifte gedaan van onttrekking aan het ouderlijk gezag van de vier minderjarigen door de man.

2.8. Op 19 augustus 2011 heeft de vrouw bij de Nederlandse Centrale autoriteit (hierna ‘de CA’) een verzoek gedaan strekkende tot teruggeleiding van de minderjarigen naar Nederland.

2.9. Op 7 december 2011 is de man door de politie aangehouden op verdenking van kinderontvoering.

2.10. Ten tijde van de behandeling van dit kort geding was de man nog niet voorgeleid aan de rechter-commissaris.

3. Het geschil

3.1. De vrouw vordert, zakelijk weergegeven, de man te veroordelen:

a. al het nodige te doen en zijn volledige medewerking te verlenen om te bewerkstelligen dat de minderjarigen binnen een week na betekening van dit vonnis zijn afgeleverd bij de vrouw in Nederland;

b. de vrouw te informeren over de exacte verblijfplaats van de minderjarigen;

c. de vrouw het Nederlandse paspoort van de minderjarigen te verstrekken, dan wel toestemming te geven voor de afgifte van een nieuw of vervangend paspoort, bij gebreke waarvan dit vonnis als vervangende toestemming geldt voor het aanvragen van een eigen reisdocument voor de minderjarigen;

d. de vrouw op zijn kosten een vertaling in het Arabisch en in het Berbers te verschaffen ten behoeve van zijn familie en de Marokkaanse autoriteiten met daarin de in de dagvaarding vermelde inhoud, met bepaling dat als de man met de verschaffing van deze verklaringen in gebreke blijft, dit vonnis in de plaats treedt van deze verklaringen;

e. ervoor te zorgen dat de minderjarigen gedurende de periode totdat zij terug zijn bij de vrouw dagelijks telefonisch contact met haar hebben;

f. de vrouw te voorzien van recente foto’s van de minderjarigen;

g. telefonisch contact op te nemen met zijn familie (of de personen die op dit moment voor de minderjarigen zorgen) en hen te bevelen de kinderen onmiddellijk naar Nederland te doen laten terugkeren, in het bijzijn van de vrouw, de voorzieningenrechter of een door de voorzieningenrechter aan te wijzen persoon en een tolk, en de mogelijkheid te bieden dat deze personen met de familie (of de personen die op dit moment voor de minderjarigen zorgen) zullen spreken;

h. een en ander met primair verlof voor dadelijke lijfsdwang totdat de minderjarigen in Nederland bij de vrouw zijn aangekomen en subsidiair op straffe van een dwangsom;

i. en met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure, alsmede de kosten verbonden aan het uitvoering geven aan alle veroordelingen in dit vonnis.

3.2. Daartoe voert de vrouw het volgende aan.

Tijdens de ziekenhuisopname van de vrouw in oktober 2010 heeft de man zonder toestemming van de vrouw de minderjarigen naar Marokko gebracht. De man is vervolgens zijn toezegging om na het herstel van de vrouw de minderjarigen weer terug naar Nederland te brengen niet nagekomen. De vrouw is er in Marokko niet in geslaagd de minderjarigen mee naar Nederland te nemen. Zonder de medewerking van de man zal dit ook niet lukken.

In maart 2011 is het de vrouw duidelijk geworden dat de man geen medewerking zal verlenen aan teruggeleiding van de minderjarigen.

Navraag bij de CA leert dat teruggeleidingsverzoeken aan Marokko door de Marokkaanse Centrale Autoriteit nog niet adequaat worden opgepakt. De vrouw heeft er dan ook weinig vertrouwen in dat langs deze weg de teruggeleiding van de minderjarigen zal worden geëffectueerd.

De vrouw heeft dan ook recht op en een spoedeisend belang bij toewijzing van haar vorderingen op straffe van dadelijke lijfsdwang. Dit geldt temeer, nu de man voornemens is zich op (zeer) korte termijn voorgoed in Marokko te vestigen. Daarmee is dadelijke lijfsdwang het enige middel waarmee de vrouw de teruggeleiding van de minderjarigen kan bewerkstelligen. Aangezien Nederland de gewone verblijfplaats is van de minderjarigen, is de voorzieningenrechter op grond van de Verordening Brussel II bis en het Kindbeschermingsverdrag bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van de vrouw.

3.3. De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat de door haar gevorderde teruggeleiding van de minderjarigen gebaseerd is op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna ‘het HKOV’). Daarnaast heeft zij betoogd dat de (internationale) bevoegdheid van de voorzieningenrechter gebaseerd kan worden op de Verordening betreffende de bevoegdheid en erkenning en tenuitvoerlegging van de beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel II bis) en op het Verdrag inzake de bevoegdheid, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen 1996 (hierna ‘het Haags Kinderbeschermingsverdrag’).

4.2. De man heeft verweer gevoerd tegen de door de vrouw gevorderde teruggeleiding.

4.3. Met de vrouw beschouwt de voorzieningenrechter de gevorderde teruggeleiding en de aanverwante vorderingen als vorderingen gebaseerd op het HKOV, waarbij Nederland en Marokko beide partij zijn. De stelling van de vrouw dat de internationale bevoegdheid van de voorzieningenrechter om kennis te nemen van deze vorderingen ook op Brussel II bis en/of het Haags Kinderbeschermingsverdrag bewerkstelligd kan worden, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onjuist. Met verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 19 oktober 2009 (LJN: BL0893) en van de (zeer recente) uitspraak van de Hoge Raad van 9 december 2011 (LJN: BU2834) is de voorzieningenrechter van oordeel dat een op het HKOV gebaseerde vordering tot teruggeleiding van een minderjarige die beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt. De bevoegdheid voor kennisneming van een vordering tot teruggeleiding, een ordemaatregel, kan ook niet worden gebaseerd op het Haags Kinderbeschermingsverdrag of Brussel II bis.

4.4. Anders dan in de door de vrouw aangehaalde zaken, is hier de staat waarnaar de minderjarigen zijn overgebracht wel partij bij het HKOV. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de Marokkaanse Centrale Autoriteit conform het HKOV zal handelen. Daar komt bij dat de vrouw ook zelf in Marokko een procedure tot teruggeleiding aanhangig kan maken. Zolang deze wegen niet zijn bewandeld, komt de voorzieningenrechter ook geen bevoegdheid toe op grond van artikel 9 Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5. Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd zal verklaren ten aanzien van de door de vrouw gevorderde teruggeleiding. Nu het gevorderde onder a tot en met g als een samenhangend geheel beschouwd moet worden, strekt de onbevoegdheid zich uit tot al deze vorderingen.

4.6. Het voorgaande neemt niet weg dat partijen in het belang van de minderjarigen moeten trachten overeenstemming te bereiken over hun gewone verblijfplaats. In afwachting daarvan moet de man alles in het werk stellen om het contact tussen de minderjarigen en de vrouw te bevorderen. Nu de man in dit verband ter zitting heeft verklaard de minderjarigen niet hun moeder te willen onthouden en dat hij bereid is nogmaals een bezoek van de vrouw aan de minderjarigen te financieren, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de man hieraan zijn medewerking zal verlenen.

4.7. Slotsom van het voorgaande is dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart ten aanzien van het gevorderde. In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen van de vrouw;

- bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vink en in het openbaar uitgesproken op 14 december 2011.

WJ