Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9094

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/8371 WVW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking erkenning bedrijfsvoorraad van een automobielbedrijf na meervoudige overtreding zonder ongeldigverklaring van het afgegeven handelarenkentekenbewijs. Onduidelijkheid voor verzoeker over de mogelijkheid na de intrekking van de erkenning bedijfsvoorraad nog gebruik te maken van handelarenkentekenplaten (wel voor proefritten in het kader van reparatie, niet voor proefritten in het kader van verkoop vanuit de bestaande bedrijfsvoorraad ?). Gelet op deze onduidelijkheid is intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad voorshands een te zware sanctie. Volgt schorsing tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/8371 WVW

uitspraak ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], gevestigd te [plaats],

tegen

de algemeen directeur van de Dienst Wegverkeer (RDW), verweerder.

ter zake van het besluit van 25 oktober 2011, waarbij de erkenning bedrijfsvoorraad en de daarbij behorende bevoegdheden van verzoeker - ingaande 5 werkdagen na dagtekening van dit besluit - zijn ingetrokken en het aan verzoekers bedrijf afgegeven handelaars-kentekenbewijs ongeldig wordt verklaard per 12 december 2011.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 28 oktober 2011 bezwaar gemaakt.

Tevens heeft hij bij ongedateerde brief, ontvangen op 2 november 2011, de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is op 25 november 2011 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, vergezeld van zijn [zus].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.G. Frielink.

Overwegingen

1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2 Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat bij een controle op 29 september 2011 is geconstateerd dat:

i verzoeker het voertuig met [kentekennummer 1] in de bedrijfsvoorraad heeft aangemeld, zonder dat het overschrijvingsbewijs (deel II) aan hem was overhandigd. Hierdoor heeft verzoeker niet voldaan aan artikel 12, tweede lid, van de Regeling erkenning bedrijfsvoorraad (hierna: de Regeling). Deze overtreding wordt aangemerkt als een categorie II-overtreding, zoals genoemd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW (hierna: de Toezichtbeleidsbrief).

ii verzoeker de kentekenbewijzen van de voertuigen met [kentekennummer 2] en [kentekennumer 3] niet kon tonen. Hierdoor heeft verzoeker niet voldaan aan artikel 11, tweede lid, van de Regeling. Beide overtredingen worden aangemerkt als een categorie II-overtreding, zoals genoemd in de Toezichtbeleidsbrief.

iii het voertuig met [kentekennummer 4] geparkeerd stond aan de [a-straat] te [plaats]. Hierdoor heeft verzoeker niet voldaan aan artikel 9, achtste lid, van de Regeling. Deze overtreding wordt aangemerkt als een categorie II-overtreding, zoals genoemd in de Toezichtbeleidsbrief.

3 Verzoeker kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hij stelt dat het bestreden besluit buitenproportioneel is. Hierbij wijst verzoeker op het feit dat nooit eerder onregelmatigheden zijn geconstateerd en op de (financiële) gevolgen, waaronder in het uiterste geval sluiting van het bedrijf.

4.1 Ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) kan de Dienst Wegverkeer aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is motorrijtuigen en aanhangwagens, waarvan hij de eigendom heeft verkregen, in zijn bedrijfsvoorraad op te nemen.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling voorschriften worden vastgesteld die aan een erkenning worden verbonden en kunnen met betrekking tot die voorschriften regels worden vastgesteld.

4.2 In artikel 65, tweede lid, aanhef en onder c, van de WVW 1994 kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

4.3 Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Regeling moet het erkende bedrijf het bij en krachtens de wet bepaalde omtrent de bedrijfsvoorraad, de erkenning alsmede de registratie, het gebruik en de beëindiging van de registratie van de tot de bedrijfsvoorraad behorende voertuigen in acht nemen.

Ingevolge het zevende lid van dit artikel draagt het erkende bedrijf er zorg voor dat alleen voertuigen die bestemd zijn om te worden verkocht, bewaard of bewerkt in de bedrijfs-voorraad worden en zijn opgenomen.

4.4 Ingevolge artikel 12, tweede lid, van de Regeling mag het bedrijf het voertuig voor

registratie in bedrijfsvoorraad aanmelden pas nadat het deel I B en het deel II, het deel I B en het overschrijvingsbewijs dan wel voor wat betreft een voor 31 mei 2004 afgegeven kentekenbewijs, het deel II en het overschrijvingsbewijs van het voor het betrokken voertuig afgegeven kentekenbewijs aan het erkende bedrijf is overgedragen.

4.5 Met betrekking tot het toezicht op de erkenning bedrijfsvoorraad voert de RDW het beleid dat is neergelegd in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van

1 oktober 2011.

In Hoofdstuk 4 (Overtredingen en sancties) van het Algemeen Deel van de Toezicht-beleidsbrief is onder paragraaf 4.5 (Categorisering overtredingen en stroomschema, meervoudige overtreding) bepaald:

"In het stroomschema is uitgegaan van een enkelvoudige overtreding. Het kan voorkomen dat er bij u, bij één bedrijfsbezoek of steekproefcontrole verschillende overtredingen worden geconstateerd. Als bij u verschillende overtredingen zijn geconstateerd, zal in beginsel de volgende regel worden toegepast:

Wanneer tijdens één bedrijfsbezoek of controle meerdere overtredingen worden geconstateerd, dan wordt dit beschouwd als een meervoudige overtreding. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de categorieën van de verschillende overtredingen bij elkaar worden opgeteld en dat een sanctie wordt opgelegd overeenkomstig de som van de categorieën. Is echter sprake van maximaal twee overtredingen, beide van de categorie I of II, dan worden de categorieën niet opgeteld maar wordt een sanctie opgelegd overeenkomstig de categorie behorend bij de zwaarste van de twee overtredingen. (zie voorbeelden schema)

In alle gevallen wordt uw historie meegeteld bij het bepalen van de sanctiezwaarte."

In paragraaf 4.6 (Soorten sancties) is bepaald dat de RDW verschillende sancties kent, waaronder de intrekking voor onbepaalde tijd. Dit betekent dat de erkenning is ingetrokken. Om weer in aanmerking te komen voor een erkenning moet een nieuwe aanvraag worden ingediend bij de RDW.

5.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar de Toezichtbeleidsbrief van 1 september 2010. Ter zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat de Toezichtbeleidsbrief van 1 oktober 2011 van toepassing is en dat bij de inwerkingtreding van deze Toezichtbeleidsbrief de Toezichtbeleidsbrief van 1 september 2010 is ingetrokken.

De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat verweerder de vermelding van de onjuiste grondslag in de te nemen beslissing op bezwaar kan herstellen.

5.2 Verweerder heeft voorts ter zitting medegedeeld dat sprake is van drie overtredingen en dat het tweede feit, zoals weergegeven bij overweging 2 onder ii van deze uitspraak, is aangemerkt als één overtreding.

6.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker heeft erkend dat hij niet volgens de regels heeft gehandeld. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen grond voor de conclusie dat verweerder verzoekers handelwijze ten onrechte heeft aangemerkt als meervoudige overtreding. Dat verzoeker bij zijn bezwaarschrift afschriften van de kentekenbewijzen die betrekking hebben op het bij overweging 2 onder ii van deze uitspraak vermelde feit heeft meegezonden, kan hier niet aan afdoen. Dit geldt evenzeer voor het feit dat verzoeker daags na het bestreden besluit een vervangend kentekenbewijs heeft aangevraagd voor het voertuig met [kentekennummer 1].

Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat verzoeker artikel 12, tweede lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 9, achtste lid, van de Regeling heeft overtreden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder de in geding zijnde overtredingen niet heeft mogen aanmerken als categorie II-overtredingen. Nu sprake is van een meervoudige overtreding, te weten 3 categorie II-overtredingen, worden de categorieën van de geconstateerde overtredingen bij elkaar opgelegd. Bij een uitkomst van IV of hoger, wordt de sanctiezwaarte van categorie IV aangehouden. Volgens het stroomschema dient in dat geval een intrekking van de erkenning voor onbepaalde tijd te worden opgelegd, zoals verweerder ook gedaan heeft.

6.2.1 Verweerder heeft in het bestreden besluit overwogen dat de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad gepaard gaat met intrekking van de mogelijk aan verzoeker en bij de erkenning bedrijfsvoorraad behorende bevoegdheden, zoals On-Line Registratie Auto Demontage (ORAD), On-Line Registratie Export Handelaren (OREH), Versnelde Afgifte en Tenaamstelling Voertuigbedrijf (TV), op grond van artikel 65, tweede lid, van de WVW 1994. Het RDW-schild dient te worden geretourneerd aan de RDW, tenzij verzoeker hiernaast nog over een geldige andere RDW-erkenning beschikt. Alle nog in verzoekers bezit zijnde bedrijfsvoorraadpassen en vrijwaringsbewijzen dient verzoeker na datum van intrekking per omgaande te retourneren aan de RDW. De aan verzoeker afgegeven stickers dienen ter stond te worden verwijderd. Deze intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad kan gevolgen hebben voor de heffing van motorrijtuigenbelasting door de Belastingdienst.

Verweerder heeft in zijn voornemen van 11 oktober 2011 tevens het op grond van artikel 58, tweede lid, onder f, van de WVW 1994 aan verzoekers bedrijf afgegeven handelaarskentekenbewijs per 12 december 2011 ongeldig verklaard. Dit onderdeel heeft verweerder in het bestreden besluit niet gehandhaafd. De voorzieningenrechter gaat er derhalve vanuit dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid die artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f. van de WVW 1994 juncto artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c., van het Kentekenreglement hem toekent in het geval van de intrekking van een erkenning bedrijfsvoorraad.

Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat de voertuigen die thans in de bedrijfsvoorraad van verzoeker zijn opgenomen nog mogen worden verkocht. Een koper kan het kenteken op zijn naam laten overschrijven, waarna het voertuig uit de bedrijfsvoorraad gaat. Voor de voertuigen die in de bedrijfsvoorraad zijn opgenomen hoeft verzoeker geen motorrijtuigenbelasting te betalen en geldt geen apk-plicht. De intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad heeft derhalve op dit punt geen gevolgen voor verzoeker. Er mogen echter geen voertuigen meer worden opgenomen in de bedrijfsvoorraad.

Voorts heeft verweerder medegedeeld dat het bestreden besluit niet expliciet ziet op intrekking van de bevoegdheid om gebruik te maken van de handelaarskentekenplaat, maar dat dit wel een gevolg is van de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad. Het is verzoeker niet toegestaan om gebruik te maken van de handelaarskentekenplaat, waar het gaat om bijvoorbeeld een proefrit in het kader van verkoop van auto's. Verzoeker mag de handelaarskentekenplaat wel gebruiken voor reparatiedoeleinden, indien hij de handelaarskentekenbewijs ook voor dat doel heeft gekregen. Verweerder heeft in dit kader medegedeeld dat er geen verschillende handelaarskentekenplaten bestaan, uitgegeven ten behoeve van één van beide genoemde gebruiksdoeleinden (verkoop en reparatie). Indien een handelaarskentekenbewijs is afgegeven, is het niet mogelijk om dit gedeeltelijk ongeldig te verklaren. Ongeldigverklaring van het kentekenbewijs bij een gedeeltelijk verbod om gebruik te maken van de kentekenplaat is geen optie, als het gebruik nog wel is toegestaan voor reparatiedoeleinden.

6.2.2 Niet in geschil is dat eiser nooit eerder is gewaarschuwd dan wel een sanctie is opgelegd ter zake van een overtreding van de Regeling.

De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder ter zitting niet duidelijk heeft kunnen maken welke situatie na de intrekking van zijn erkenning bedrijfsvoorraad tegemoet gaat waar het betreft het gebruik van het handelaarskentekenbewijs. Het is verzoeker toegestaan om voertuigen uit de bedrijfsvoorraad te verkopen, maar hij mag de desbetreffende klanten geen proefrit laten maken met gebruik van deze kentekenplaat. Indien klanten geen proefrit kunnen maken met de handelaarskentekenplaat, dan heeft dit verzekeringstechnische gevolgen. Dit betekent dat de kans dat een voertuig uit de bedrijfsvoorraad gaat bijzonder klein moet worden geacht en verzoeker ernstig wordt belemmerd in zijn bedrijfsvoering. Hierbij is niet zonder betekenis dat verzoeker geen mogelijkheden heeft om proefritten op eigen terrein te maken. Verweerder heeft dit niet betwist. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat uit het betreffende toekenningsbesluit zou moeten blijken in welke hoedanigheid aan verzoeker een handelaarskentekenbewijs is afgegeven, maar heeft ten aanzien van verzoeker niet concreet kunnen maken voor welke doeleinden het gebruik van deze kentekenplaat precies is toegestaan. Ook overigens heeft verweerder geen duidelijkheid kunnen geven wat de precieze gevolgen voor verzoeker zijn na de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad.

Gelet op het feit dat het ten aanzien van verzoeker gaat om de zwaarste sanctie uit de Toezichtbeleidsbrief 2011, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat, gelet op het ontbreken van duidelijkheid over de precieze gevolgen voor verzoeker, de sanctie thans onevenredig moet worden geacht in verhouding tot de ernst van de geconstateerde overtreding.

7 Het verzoek om een voorlopige voorziening komt derhalve voor toewijzing in aanmerking, op de wijze zoals in het dictum is omschreven.

8 Verzoeker heeft verzocht om vergoeding van gemaakte reiskosten op basis van de kosten openbaar vervoer tweede klasse. Verweerder wordt veroordeeld in de door verzoeker

gemaakte kosten, waarbij een bedrag van € 10,60 (treinretour [plaats]-

's-Gravenhage) wordt toegekend. De gedeclareerde reiskosten die niet verzoeker zelf betreffen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Verzoeker heeft voorts verzocht om vergoeding van verletkosten van € 100,-- (4 uren).

In artikel 2, eerste lid, van het Bpb, voor zover hier van belang, is bepaald dat het bedrag van de kosten bij de uitspraak als volgt wordt vastgesteld:

d. ten aanzien van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel d: overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 4,54 en € 53,09 per uur.

De rechtbank ziet aanleiding om de verletkosten van verzoeker vast te stellen op een bedrag van € 100,-- (4 uren à € 25,--).

Het totaal door verweerder te vergoeden bedrag aan proceskosten bedraagt € 110,60.

Voorts dient verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat het bestreden besluit van 25 oktober 2011 wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de te nemen beslissing op bezwaar;

2 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van in totaal € 110,60;

3 gelast dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ad € 152,-- vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, rechter, in aanwezigheid van

A.J. Faasse-van Rossum, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2011.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.