Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU9046

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-12-2011
Datum publicatie
22-12-2011
Zaaknummer
11/18398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mvv, artikel 8 EVRM, artikel 3 IVRK, best interests of the child

De rechtbank volgt verweerder niet in diens stelling dat het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 9 IVRK faalt omdat het bestreden besluit geen besluit is dat de dochter, maar eiseres betreft. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt dat met betrekking tot de interpretatie van artikel 8 EVRM, het EHRM de vraag of sprake is van schending van het EVRM beantwoordt vanuit het perspectief van het betrokken kind en niet alleen of voornamelijk vanuit het perspectief van de ouder(s).

Hoewel verweerder de belangen van de dochter zorgvuldig heeft geïnventariseerd, heeft hij zonder nadere motivering omtrent de wijze waarop de belangen van de dochter zijn gewogen in het kader van het "best interests of the child" beginsel zoals dit voortvloeit uit voornoemde jurisprudentie van het EHRM, ten onrechte geconcludeerd dat doorslaggevend gewicht toegekend kon worden aan de omstandigheden dat eiseres nimmer een verblijfstitel heeft gehad die het uitoefenen van familie- of gezinsleven hier te lande mogelijk maakt en dat de openbare orde in het geding is, waarbij verweerder niet heeft betrokken dat de dochter hierdoor (tijdelijk) dreigt te worden uitgesloten van een voor haar ontwikkeling van groot belang zijnde relatie met haar biologische moeder. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de verklaringen van instanties en professioneel betrokkenen met betrekking tot de situatie van de dochter onderbouwde stelling dat een onderbreking in de aanwezigheid van eiseres in het leven van de dochter leidt tot een verstoring van de ontwikkeling van de dochter. Verweerder heeft niet gemotiveerd of de belangen van de dochter in het licht van de "best interests of the child" al dan niet van doorslaggevende betekenis hadden moeten zijn in het kader van de belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM, door in het bestreden besluit het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid en onder l, Vw 2000 met de in rechtsoverweging 2.8 aangegeven motivering, die uitsluitend ziet op (gedragingen van) eiseres, af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/18398

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum],

van Surinaamse nationaliteit,

IND dossiernummer [nummer], eiseres,

gemachtigde mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam;

en

Minister voor Immigratie en Asiel als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. L.H.C. de Vries,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 21 december 2010 heeft eiseres een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij dochter *’ ingediend. Bij besluit van 21 december 2010 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 21 december 2010 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 3 mei 2011 ongegrond verklaard. Bij brief van 31 mei 2011 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 27 juni 2011. Op 20 juli 2011, 22 juli 2011 en 16 augustus 2011 zijn nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 4 oktober 2011 door een enkelvoudige kamer behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens met toepassing van artikel 8:10, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verwezen naar een meervoudige kamer.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat zij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor zij een verblijfsvergunning heeft aangevraagd en zij daarvoor niet kan worden vrijgesteld.

2.2 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14, Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Artikel 3.71, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) bepaalt dat een dergelijke aanvraag in dat geval wordt afgewezen.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb 2000 kan de vreemdeling, van wie de uitzetting in strijd met artikel 8 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) zou zijn, worden vrijgesteld van het vereiste van het beschikken over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM heeft, voor zover thans van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op onbekende datum naar Nederland gekomen, naar zij zelf stelt was dit in 1993. Op 13 december 2000 is haar dochter geboren. De dochter heeft de Surinaamse nationaliteit.

Bij uitspraak van de kinderrechter van 13 augustus 2001 is de dochter onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst omdat eiseres kampte met alcohol- en drugsproblematiek en een zwervend bestaan leidde. Sedertdien heeft de dochter in verschillende pleeggezinnen en instellingen verbleven.

Bij beschikking van 12 september 2007 is eiseres ontheven uit het ouderlijk gezag en is het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering belast met de voogdij over de dochter.

Bij besluit van 12 november 2009 is de dochter een reguliere vergunning voor bepaalde tijd (twee jaar) onder de beperking 'verblijf conform beschikking Minister' verleend.

Eiseres is altijd met de dochter in contact gebleven. Deze omgang is niet gericht op permanente terugkeer van de dochter bij eiseres. Eiseres is de enige beschikbare biologische ouder.

De dochter was ten tijde van het bestreden besluit tien jaar oud.

2.4 Eiseres heeft, samengevat weergegeven, betoogd dat de weigering haar vrijstelling op grond van het bepaalde in artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb 2000 te verlenen in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt. Zij stelt dat de belangenafweging in haar voordeel uit moet vallen omdat:

a. verweerder ten onrechte haar criminele antecedenten ten nadele van haar heeft gewogen en

b. verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van haar minderjarige dochter. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres zich beroepen op artikel 3, artikel 6, tweede lid en artikel 9 van het VN Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: het IVRK) en de arresten van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) in de zaak Rodrigues da Silva van 31 januari 2006 (JV 2006/90, LJN: AV3568) en de zaak Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011 (55597/09, JV 2011, 402) (hierna: het arrest Nunez). Daarbij heeft eiseres zich beroepen op diverse zich in het dossier bevindende stukken van instanties en professioneel betrokkenen met betrekking tot de situatie van de dochter.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Niet in geschil is dat tussen eiseres en de dochter sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

2.7 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), onder meer de uitspraak van 23 maart 2007 (LJN: BA2163), wordt inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM aangenomen, indien een verblijfstitel wordt ontnomen die de desbetreffende vreemdeling feitelijk tot uitoefening van zijn privéleven of familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde. Niet in geschil is dat daarvan in deze zaak geen sprake is.

Niettemin kunnen zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, een positieve verplichting voor de staat voortvloeit om de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM.

Bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv kan worden tegengeworpen dient uit een op het concrete geval toegespitste belangenafweging te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM.

Bij deze beoordeling dient, zoals ook blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 27 oktober 2010 (LJN: BO2098), een volledige toets aan artikel 8 van het EVRM plaats te vinden.

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, onder meer het arrest van 25 april 2007, nr. 16351/03, Konstatinov tegen Nederland (JV 2007/251), dient bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een “fair balance” te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM vloeit voort dat verweerder bij deze belangenafweging een zekere beoordelingruimte ("a certain margin of appreciation") toekomt.

2.8 Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit doorslaggevend gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiseres nimmer een verblijfstitel heeft gehad die het uitoefenen van familie- en gezinsleven hier te lande mogelijk maakt en aan de omstandigheid dat de openbare orde in het geding is. Volgens verweerder dienen de door eiseres in het verleden gemaakte keuzes dan ook voor haar verantwoordelijkheid te komen.

2.9 Met betrekking tot de beroepsgrond als hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 2.4. sub a acht de rechtbank het terecht dat verweerder ten nadele van eiseres heeft meegewogen dat zij verschillende malen vanwege misdrijven is veroordeeld. Aan dit oordeel doet niet af dat eiseres deze veroordelingen achteraf betreurt en zij zich sinds 2009 niet meer aan enig strafbaar feit schuldig heeft gemaakt. De rechtbank volgt hierbij het standpunt van verweerder dat het gaat om recidive. Dat de strafbare feiten zijn gerelateerd aan de verslavingsproblematiek van eiseres brengt niet mee dat het algemeen belang dat gediend is met de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten moet wijken voor het belang van eiseres om hier ten lande haar gezinsleven met de dochter te onderhouden. Hier doet het betoog van eiseres, waarin zij stelt dat zij hard werkt haar verslavingsprobleem op te lossen, niet aan af.

2.10 Met betrekking tot de beroepsgrond als hiervoor genoemd onder rechtsoverweging 2.4. sub b overweegt de rechtbank als volgt.

2.10.1 Verweerder heeft zich voor wat betreft het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 9 van het IVRK op het standpunt gesteld dat, voor zover deze artikelen al een direct toepasbare norm inhouden, dit beroep faalt, omdat het bestreden besluit geen beslissing is die het kind zelf betreft en eiseres zich reeds hierom niet op deze artikelen van het IVRK kan beroepen.

2.10.2 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het IVRK vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind een eerste overweging.

2.10.3 De rechtbank volgt verweerder niet in diens stelling dat het beroep van eiseres op de artikelen 3 en 9 van het IVRK faalt omdat het bestreden besluit geen besluit is dat de dochter, maar eiseres betreft.

Zoals blijkt uit de Nota van Toelichting bij de wet tot ratificering van het IVRK (TK 1992-1993, 22855, (R1451), nr. 3, pagina 15) zijn de bepalingen van het IVRK van toepassing op alle kinderen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden. Uit artikel 3 van het IVRK volgt dat "bij alle maatregelen", zo ook voor vreemdelingrechtelijke besluiten die een kind rechtstreeks raken, geldt dat op grond van het IVRK het belang van het kind een eerste overweging moet vormen.

2.10.4 Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag op welke wijze verweerder met het door eiseres gedane beroep op artikelen van het IVRK rekening dient te houden met de belangen van de dochter.

2.10.5 Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2007

(LJN: AZ9524) overweegt de rechtbank dat uit deze uitspraak volgt dat de Afdeling de woorden "de eerste overweging" in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelse versie -"a primary consideration"- zo verstaat dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. De Afdeling verwijst hierbij naar haar uitspraak van

13 september 2005 in zaak onder nummer 200507132/1, AB 2005, 429, waarin zij heeft overwogen dat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm bevat die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet- en regelgeving.

Uit de uitspraak van 22 februari 2011 van de Afdeling (LJN: BP5932) volgt dat voor zover artikel 3 van het IVRK al een direct toepasbare norm inhoudt, deze geen verdere strekking heeft dan dat bij procedures rekening moet worden gehouden met belangen van daarbij betrokken kinderen.

2.10.6 De rechtbank overweegt dat bijvoorbeeld uit de arresten van het EHRM in de zaak Maslov tegen Oostenrijk van 23 juni 2008, EHRC 2008, 9, JV 2008, 267 (hierna: het arrest Maslov) en het arrest Nunez blijkt dat het EHRM het IVRK weliswaar niet rechtstreeks toepast, maar het IVRK gebruikt als interpretatiemiddel voor de rechten die in het EVRM zijn neergelegd.

In het geval van toetsing aan artikel 8 van het EVRM dienen hierbij de “best interests of the child” eveneens in de belangenafweging te worden betrokken. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 82 in het arrest Maslov: “ (...)The Court's case-law under Article 8 has given consideration to the obligation to have regard to the best interests of the child in various contexts (for instance in the field of child care; see Scozzari and Giunta v. Italy [GC], nos. 39221/98 and 41963/98, § 148, ECHR 2000-VIII), including the expulsion of foreigners (see Üner, cited above, § 58). In Üner the Court had to consider the position of children as family members of the person to be expelled. It underlined that the best interests and well-being of the children, in particular the seriousness of the difficulties which any children of the applicant were likely to encounter in the country to which the applicant was to be expelled, was a criterion to be taken into account when assessing whether an expulsion measure was necessary in a democratic society. […]. In this connection the Court observes that European Union law also provides for particular protection of minors against expulsion (see paragraph 41 above, Article 28 § 3(b) of Directive 2004/38/EC). Moreover, the obligation to have regard to the best interests of the child is enshrined in Article 3 of the United Nations Convention on the Rights of the Child.”

In het arrest Nunez overweegt het EHRM in dit verband in rechtsoverweging 78: "However, the Court will examine whether particular regard tot the children's best interest would nonetheless upset the fair balance under Article 8" en onder rechtsoverweging 84: “Having regard to all of the above considerations […] the Court is not convinced in the concrete and exceptional circumstances of the case that sufficient weight was attached to the best interests of the children for the purposes of Article 8 of the Convention. Reference is made in this context also to Article 3 of the UN Convention on the Rights of the Child, according to which the best interests of the child shall be a primary consideration in all actions taken by public authorities concerning children (see Neulinger and Shuruk v. Switzerland [GC], no. 41615/07, § 135, ECHR 2010-...)”.

2.10.7 De rechtbank overweegt dat uit vorenstaande jurisprudentie van het EHRM volgt dat met betrekking tot de interpretatie van artikel 8 van het EVRM, het EHRM de vraag of sprake is van schending van het EVRM beantwoordt vanuit het perspectief van het betrokken kind en niet alleen of voornamelijk vanuit het perspectief van de ouder(s) (de "best interests of the child"). De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook vanuit dit kader toetsen.

2.11 Niet in geschil is dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie-of gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Eiseres is uit het ouderlijk gezag ontheven en de voogdijinstelling geeft geen toestemming voor een verhuizing van de dochter naar Suriname. Dit betekent dat indien eiseres niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste het contact met de dochter zoals dit ten tijde van het bestreden besluit vorm en inhoud werd gegeven (tijdelijk) geen doorgang kan vinden.

Hoewel verweerder de belangen van de dochter zorgvuldig heeft geïnventariseerd, heeft hij zonder nadere motivering omtrent de wijze waarop de belangen van de dochter zijn gewogen in het kader van het "best interests of the child" beginsel zoals dit voortvloeit uit voornoemde jurisprudentie van het EHRM, ten onrechte geconcludeerd dat doorslaggevend gewicht toegekend kon worden aan de omstandigheden dat eiseres nimmer een verblijfstitel heeft gehad die het uitoefenen van familie- of gezinsleven hier te lande mogelijk maakt en dat de openbare orde in het geding is, waarbij verweerder niet heeft betrokken dat de dochter hierdoor (tijdelijk) dreigt te worden uitgesloten van een voor haar ontwikkeling van groot belang zijnde relatie met haar biologische moeder.

Hierbij betrekt de rechtbank dat verweerder blijkens het bestreden besluit inziet dat de dochter een onzekere periode in haar leven doormaakt en dit in het voordeel van eiseres heeft gewogen. Volgens verweerder is echter onvoldoende aangetoond dat de dochter onoverkomelijke problemen zal ondervinden als haar moeder terugkeert naar Suriname. Daarbij stelt verweerder dat het aan de hulpverleners is de dochter bij deze verandering in haar leven te begeleiden. Verweerder vindt het daarbij niet onredelijk van eiseres te verlangen dat zij vanuit Suriname het contact met de dochter tracht voort te zetten door inzet van moderne communicatiemiddelen en regelmatige bezoeken op basis van een visum kort verblijf.

Uit de brief van 7 april 2011 van vaktherapeut V. van "F", academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie, blijkt dat deze therapeut adviseert eiseres en de dochter niet uit elkaar te halen omdat de therapie dan niet voortgezet kan worden. Eiseres is daarin namelijk een belangrijke factor. Volgens V. zal de dochter dan geen enkel vertrouwen meer hebben in de therapie, noch in afspraken met volwassenen. De ervaring leert volgens hem dat deze kinderen, indien er geen adequate behandeling is, later in de criminaliteit of de prostitutie terecht komen.

Volgens de brief van 29 november 2010 van J., jeugdbeschermer bij het Leger des Heils, zal het onderbreken van het contact tussen de dochter en eiseres invloed hebben op de ontwikkeling van eiseres en is het in verband met de identiteitsontwikkeling van de dochter belangrijk dat zij haar moeder blijft zien.

Deze stelling wordt nogmaals bevestigd in de brief van 27 december 2010 van J, in welke brief het belang dat eiseres in het leven van de dochter blijft wordt benadrukt, omdat zij de enige constante factor is het leven van de dochter is geweest.

Volgens de e-mail van 1 februari 2011 van G., gezinsgroepswerker van de Stichting S., zullen de gevolgen van het scheiden van eiseres en de dochter zeer schadelijk zijn. Eiseres heeft de dochter met acht maanden naar een pleeggezin gebracht om haar een betere toekomst te bieden dan zij zelf kon bieden en ondanks dat moeder en dochter gescheiden leven bezoekt eiseres haar dochter en maakt zij deel uit van het leven van de dochter. Moeder en dochter hebben een emotionele band met elkaar. Moeder voorziet in de basisbehoeftes van de dochter doordat zij troost en rust bij haar moeder vindt.

De brief van 15 maart 2011 van G., gezinsgroepswerker van de Stichting S., geeft observaties weer van de dochter nadat eiseres haar dochter niet kon bezoeken en de dochter niet bij haar moeder kon verblijven omdat eiseres in vreemdelingenbewaring verbleef. Nadat moeder vrijkwam was de dochter rustiger, vrolijker en minder extreem in haar emoties.

In beroep heeft eiseres een schriftelijke verklaring over de schoolsituatie van de dochter van

L., leerkracht van groep zes van basisschool "B" te A., gedateerd 15 juli 2011, overgelegd. De verklaring beschrijft gedragveranderingen die zich bij de dochter voordeden gedurende de periode dat haar moeder in vreemdelingenbewaring verbleef, welk gedrag nooit eerder werd vertoond toen de dochter nog in contact met moeder was. De leerkracht benoemt dat de dochter agressief en snel boos was, vaak ruzie maakte en altijd verdrietig was. Ook haar leerprestaties leden daaronder. De leerkracht uit in de verklaring de zorg dat indien eiseres terugkeert naar Suriname het gedrag en de leerprestaties van de dochter achteruit gaan.

Eveneens in beroep heeft eiseres een uitgebreide rapportage gedateerd op 20 juli 2011 van mr. J. Werner van Defence for Children met betrekking tot de dochter en eiseres overgelegd. Deze rapportage benoemt de belangen van de dochter zoals deze voortkomen uit de diverse en hiervoor genoemde rapportages en bevindingen en plaatst deze in het licht van het door eiseres gedane beroep op de artikelen 3, 6, tweede lid, en 9, van het IVRK en artikel 8 van het EVRM.

Als derde stuk werd in beroep een brief van 28 juli 2011 van K, klinisch psycholoog en psychotherapeut van "F", academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie overgelegd, waaruit volgt dat hoewel eiseres gedurende de eerste negen levensjaren van de dochter, ondanks haar verslavingsproblematiek, weliswaar een marginale maar toch belangrijke rol heeft gespeeld in het leven van haar dochter, de moeder-dochter relatie zich aan het herstellen en versterken is. Uit het bij eiseres en de dochter gedane onderzoek bleek dat de ouder-kind relatie het beste omschreven kan worden als een enigszins ambivalente gehechtheid, waarbij de dochter ervaart dat ze haar moeder nodig heeft maar haar dit tegelijkertijd ook onzeker maakt of haar moeder haar weer moet verlaten vanwege de afgewezen aanvraag om een verblijfsvergunning. K verwijst naar wetenschappelijk onderzoek waaruit blijkt dat ouders essentieel zijn voor het welbevinden van hun kinderen, ook al zijn zij niet met ouderlijk gezag belast. K. is van mening dat de zich herstellende gehechtheidrelatie tussen de dochter en haar moeder ernstig in het geding komt als eiseres zonder dochter naar Suriname moet vertrekken en dat dit tot uiteenlopende gedragsproblemen zal leiden. Op intrapsychisch niveau zal dit leiden tot zich terugtrekken uit en afsluiten voor de buitenwereld. Behandeling van dergelijke externaliserende en tevens internaliserende problemen als gevolg van voor het kind niet in te voelen besluiten zijn bijzonder moeilijk en soms zelfs onmogelijk te behandelen, aldus K.

Als vierde en laatste stuk werd in beroep een brief van 20 september 2011 van V., voogd bij het Leger des Heils overgelegd, waarin de voogd stelt dat het contact tussen de dochter en haar moeder voor de dochter erg belangrijk is. De voogd signaleert dat het in de periode dat eiseres gedetineerd was met de dcohter minder goed ging. Sinds moeder vrij is is het gedrag van de dochter beter, zijn haar schoolresultaten omhoog gegaan en komt zij gelukkiger over.

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder, uitgaande van het in rechtsoverweging 2.10.7 benoemde toetsingskader, onvoldoende ingegaan op de door eiseres met verklaringen van instanties en professioneel betrokkenen met betrekking tot de situatie van de dochter onderbouwde stelling dat een onderbreking in de aanwezigheid van eiseres in het leven van de dochter leidt tot een verstoring van de ontwikkeling van de dochter.

Verweerder heeft niet gemotiveerd of de belangen van de dochter in het licht van de "best interests of the child" al dan niet van doorslaggevende betekenis hadden moeten zijn in het kader van de belangenafweging in de zin van artikel 8 van het EVRM, door in het bestreden besluit het beroep op vrijstelling als bedoeld in artikel 3.71, tweede lid en onder l, Vw 2000 met de hiervoor in rechtsoverweging 2.8 aangegeven motivering, die uitsluitend ziet op (gedragingen van) eiseres, af te wijzen.

Het besluit ontbeert dan ook een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

2.12 Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit zal worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking. De rechtbank zal op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb - gelet op de belangen van eiseres en de dochter - ambtshalve een voorlopige voorziening treffen als vermeld in het dictum.

2.13 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 3 mei 2011;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaar dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

- treft de voorlopige voorziening dat eiseres de beslissing op het bezwaar in Nederland mag afwachten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,=, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank;

- gelast dat verweerder het griffierecht ad € 152,= aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Loenen, voorzitter, mr. J.F.M.J. Bouwman en mr. W.J.B. Cornelissen, rechters, en in het openbaar uitgesproken door mr. M. van Loenen, in tegenwoordigheid van A. van den Ham als griffier, op 15 december 2011.

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.