Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8488

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
09/752012-11, 09/765165-09 (tul), 09/920489-09 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011, meermalen, met anderen, openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen brandweerlieden en politieagenten. Jeugddetentie voor de duur van 5 weken. Zie ook LJN BU8487 (medeverdachte 1).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers 09/752012-11, 09/765165-09 (tul), 09/920489-09 (tul)

Datum uitspraak: 16 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 4],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 1 december 2011, 2 december 2011 en 9 december 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. F. van Dijk, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, meermalen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, P.J.W. Frisolaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen een of meer brandweerlieden, werkzaam bij korps Leidschendam/Voorburg welk geweld bestond uit

- het maken van joelende geluiden in de richting van die brandweerlieden en/of

- het meermalen (gericht) gooien en/of afsteken van vuurwerk in de richting van die brandweerlieden en/of

- het meermalen gooien van stenen in de richting van die brandweerlieden en/of tegen een of meer politie-agenten werkzaam in dienst van Politiekorps Haaglanden (te weten [politieagent 1] en/of [politieagent 2] en/of [politieagent 3] en/of [politieagent 4]), welk geweld bestond uit

- het blokkeren van de doorgang van het voertuig van die politie-agenten en/of

- het meermalen (gericht) gooien van vuurwerk en/of stenen en/of glas tegen en/of in de richting van die politie-agenten;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een kantoorpand aan de P.J.W. Frisolaan (nr. 21) heeft weggenomen een zaklantaarn (merk Makita), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Vidomes, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een ruit van dat kantoorpand te forceren door er met een baksteen tegen te slaan, in elk geval door middel van braak/verbreking;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,, in elk geval in Nederland, een zaklantaarn heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die zaklantaarn (merk Makita) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed betrof;

art 417bis lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Inleiding 1

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 31 december 2010, rond 21.30 uur, arriveert de brandweer van het korps Leidschendam/Voorburg bij de Prins Johan Willem Frisolaan in Leidschendam. Een container en een zandbak staan in brand 2, waarin onder andere een schrikhek en afzetbaakjes zijn gegooid.3 De brandweer is op deze plaats opgewacht door een groep jongemannen die joelende geluiden maakte en is vervolgens door hen bestookt met zwaar vuurwerk.4 De brandweerlieden konden hierdoor niet starten met hun bluswerkzaamheden en moesten een veilig heenkomen zoeken. 5

Daarnaast zijn op 1 januari 2011, tussen 00.00 uur en 1.00 uur vier verbalisanten van de politie Haaglanden aangekomen op de Johan Willem Frisolaan.6 Ter hoogte van portiek F werden de twee dienstvoertuigen bekogeld met vuurwerk en voorwerpen door een groep jongeren.7 8 Ook hier dient de rechtbank na te gaan of de verdachte er een aandeel in heeft gehad.

Tot slot is er op 1 januari 2011, rond 00.15 uur, ingebroken in het pand van het bedrijf Vidomes, gelegen aan de Johan Willem Frisolaan 21. Er is daar onder andere een zaklantaarn gestolen. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte de zaklantaarn heeft gestolen of dat hij deze wellicht in bezit heeft gehad terwijl hij wist of had moeten weten dat deze gestolen was.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met anderen in het openbaar geweld heeft gebruikt. Hij heeft met anderen zwaar vuurwerk op de brandweer en politie afgeschoten en stenen gegooid naar de politie.

Daarnaast verwijt zij hem dat hij een zaklantaarn voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat deze gestolen was.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van hetgeen hem onder feit 2, primair is ten laste gelegd en dat zij wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het tenlastegelegde feit 1 en feit 2, subsidiair, heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor feit 1 vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte heeft ontkend te hebben gejoeld of vuurwerk te hebben gegooid. Dat laatste heeft hij met name niet gedaan omdat de vader van een vriend die avond dienst had als brandweerman. Daarnaast is door aangever [aangever 1] verklaard dat zij zijn bestookt terwijl zij aan het blussen waren, terwijl de getuigen A en CT hebben aangegeven dat de brandweer zich heeft teruggetrokken voordat ze begonnen waren met blussen. Ook voor het overige zijn er onvoldoende bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

Over feit 2, primair, heeft de raadsman aangegeven dat er veel onduidelijkheid is: zo hebben meerdere mensen ten tijde van de inbraak een bivakmuts gedragen. Ook hier dient vrijspraak te volgen.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft hij aangegeven dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit blijkt dat de verdachte wetenschap heeft gehad over de diefstal van de zaklantaarn. Naar de mening van de raadsman dient in ieder geval te worden vrijgesproken van de opzetheling.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1:

Het wettelijke kader

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen kan worden bewezen indien een verdachte een wezenlijke of significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld, waarbij de bijdrage niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. Het enkele aanwezig zijn bij de groep die geweld pleegt en geen afstand van de groep nemen is onvoldoende op tot een bewezenverklaring te kunnen komen.9

Het gebruik van geweld tegen de brandweer

Heeft de verdachte een rol gehad bij het plegen van het geweld?

De verdachte heeft erkend dat hij één of twee stuks vuurwerk heeft weggegooid, maar dat dat niet gericht was naar de brandweer.

De rechtbank acht evenwel bewezen dat de verdachte vuurwerk richting de brandweer heeft afgestoken en ook overigens heeft bijgedragen aan het openlijk geweld. Wel zal de verdachte worden vrijgesproken van het gooien met stenen naar de brandweer, nu niet vaststaat dat er naar de brandweer stenen zijn gegooid. Zij acht daartoe de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Allereerst heeft [J] in haar tweede verklaring bij de politie verklaard dat '[verdachte]' vuurwerk naar de brandweer heeft gegooid.10

Daarnaast heeft de anonieme getuige AA aangegeven dat '[verdachte]' degene was die als eerste vuurwerk naar de brandweer heeft gegooid.11

Over het bezigen van deze verklaring voor het bewijs merkt de rechtbank het volgende op.

Het gebruik van verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt wordt geregeld in artikel 344a Wetboek van Strafvordering. In lid 3 wordt bepaald dat een dergelijke verklaring voor het bewijs mag worden gebruikt indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en door de verdediging niet is gevraagd deze persoon te ondervragen. De rechtbank gebruikt naast deze verklaring ook vier andere verklaringen zodat er voldoende ander bewijs is. Daarnaast heeft de raadsman niet te kennen gegeven dat hij de getuige wil ondervragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze verklaring kan worden gebruikt voor het bewijs.

Voorts heeft de rechtbank gelet op de tweede verklaring van [F], inhoudende dat '[verdachte]' heeft geprobeerd anderen op te jutten, dat '[verdachte]' om vuurwerk vroeg om op de brandweer af te kunnen schieten. Daarnaast heeft '[verdachte]' brand gesticht in de afvalcontainers en stond hij midden op de weg te schreeuwen.

Op zitting van de medeverdachten is de getuige teruggekomen van deze verklaring. Hij heeft verklaard dat hij onder druk is gezet en dat er woorden in zijn mond zijn gelegd door de politie, die hij slechts hoefde te bevestigen. De rechtbank acht dit evenwel niet aannemelijk gezien het proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2011 waarin door een verbalisant uiteen is gezet dat de getuige wilde meewerken aan het onderzoek omdat hij politieagent wilde worden en dat de verbalisant open vragen heeft gesteld.

Tot slot heeft de verdachte ter zitting erkend dat hij ter plaatse is geweest en dat het kan zijn dat hij door zijn gedrag anderen heeft opgejut.12

Het gebruik van geweld tegen de politie

Heeft de verdachte een aandeel heeft gehad bij het plegen van dit openlijk geweld?

De verdachte heeft ontkend dat hij geweld heeft gebruikt tegen de politie. Naar eigen zeggen was hij niet ter plaatse. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[J] heeft verklaard dat zij zeker weet dat '[verdachte]' stenen heeft gegooid naar de politie. 13 Daarnaast heeft [verdachte 3] aangegeven dat hij mensen hoorde roepen om te gaan gooien toen de politie kwam, dat vervolgens vijf à tien mensen met verschillende voorwerpen hebben gegooid, wellicht met stenen. Hij weet zeker dat de verdachte heeft gegooid.14

De raadsman heeft betoogd dat uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 465 blijkt dat de verdachte niet bij de groep aanwezig was ten tijde van het door die groep vuurwerk afschieten naar de politie. Immers, de verbalisanten zagen de man met de zaklamp in hun richting lopen toen de politie werd bestookt. Daarnaast is het ook niet mogelijk om de politie met vuurwerk te bestoken als de verdachte een zaklamp in zijn handen heeft. Voor het aansteken van vuurwerk heeft men twee handen nodig.

Dit verweer treft geen doel. De rechtbank overweegt hierover dat de verbalisanten omstreeks 00.30 uur naar de Johan Willem Frisolaan zijn gegaan omdat er een ruit zou zijn vernield. Ter plaatse zien zij bij ingang F een behoorlijk aantal jongeren staan. Eén van de verbalisanten stapt uit en ziet vervolgens dat politiewagens worden bestookt met vuurwerk. De verbalisant keert terug naar haar auto en zij en haar collega zien dan een man in een groene jas met een bivakmuts op met een grote sterke felle lamp schijnen.15

Hieruit blijkt dat de verdachte wel degelijk ter plaatse was ten tijde van het bestoken van de politie met vuurwerk. De verdachte heeft ter zitting bekend een bivakmuts te hebben gedragen en een zaklamp voorhanden te hebben gehad.16 Pas later komt de verdachte de verbalisanten tegemoet lopen. Dat de verdachte een zaklamp in zijn handen heeft, sluit niet uit dat hij met stenen heeft gegooid. Aan de omstandigheid dat de verdachte niet met vuurwerk zou hebben gegooid, kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend omdat de verdachte wel met stenen heeft gegooid en daarmee een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld en hij dus ook verantwoordelijk wordt gehouden voor het gooien van het vuurwerk door anderen in het kader van het uitoefenen van het openlijk geweld.

Gezien boven genoemde verklaringen acht de rechtbank ook verdachtes deelname aan het geweld tegen de politie bewezen.

Feit 2: de inbraak in het bedrijfspand

Heeft de verdachte ingebroken in het pand?

De verdachte heeft toegegeven dat hij een zaklantaarn bij zich heeft gehad, maar hij heeft ontkend dat hij deze heeft gestolen. Hij heeft deze gekregen, maar hij weet niet meer van wie omdat hij aangeschoten was. Een getuige heeft de zaklamp die is gestolen herkend op een foto die in het dossier is gevoegd. Op deze foto is de verdachte herkend als degene die de zaklamp bij zich heeft.

De anonieme getuige CT heeft hierover het meest belastend verklaard: de getuige heeft gezien dat de verdachte heeft stilgestaan voor het pand Prins Johan Willem Frisolaan 21 en de ruit heeft ingegooid. De getuige zegt de verdachte te hebben herkend aan de bivakmuts die hij een groot gedeelte van de avond heeft gedragen.

De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij een bivakmuts heeft gedragen die avond.

De rechtbank wijst op het proces-verbaal van bevindingen van pagina 465, inhoudende dat rond het tijdstip van de inbraak er meerdere personen aanwezig zijn geweest die een bivakmuts hebben gedragen. Het is daarom onduidelijk of de verdachte degene is die de ruit heeft ingegooid. De rechtbank zal daarom de verdachte vrijspreken van de inbraak.

Heeft de verdachte de zaklantaarn in het bezit gehad terwijl hij wist of had moeten weten dat deze gestolen was?

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte ter plaatse was toen de inbraak werd gepleegd en hij enkele ogenblikken later de zaklantaarn heeft gekregen. Het kan volgens haar dan ook niet anders dan dat hij heeft geweten dat deze gestolen was.

De rechtbank overweegt hierover dat dit een mogelijk scenario is, maar dat dit onvoldoende wordt ondersteund door bewijsmiddelen. Daarbij is mede van belang dat het gaat om een zaklamp die de verdachte zou hebben gekregen terwijl het donker was. Hij hoefde er - mede gelet op de aard van het voorwerp - op dat moment niet per definitie op bedacht te zijn dat deze gestolen was. Daarom zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op meer tijdstippen in de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, meermalen, met anderen, op of aan de openbare weg, P.J.W. Frisolaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen meer brandweerlieden, werkzaam bij korps Leidschendam/Voorburg welk geweld bestond uit

- het maken van joelende geluiden in de richting van die brandweerlieden en

- het meermalen (gericht) gooien en afsteken van vuurwerk in de richting van die brandweerlieden

en

tegen politie-agenten werkzaam in dienst van Politiekorps Haaglanden (te weten [politieagent 1] en [politieagent 2] en [politieagent 3] en [politieagent 4]), welk geweld bestond uit

- het blokkeren van de doorgang van het voertuig van die politie-agenten en

- het meermalen (gericht) gooien van vuurwerk en stenen en glas tegen en in de richting van die politie-agenten.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 2, primair ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 en 2, subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende jeugddetentie en tot voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat het de verdachte wordt verboden om tussen 31 december 2011, 12.00 uur en 1 januari 2012, 12.00 uur, buiten de woning te verblijven.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht een werkstraf op te leggen welke ongeveer gelijk is aan die van de medeverdachten omdat de rol van de verdachte nauwelijks van hen verschilt. Daarnaast heeft hij gevraagd aan de verdachte geen huisarrest voor oud en nieuw op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft tijdens de afgelopen jaarwisseling tot twee maal toe samen met anderen in het openbaar geweld gebruikt tegen hulpverleners. Er is een plan gemaakt waarbij vuur is gestookt in een zandbak en een container met het doel de brandweer te laten uitrukken en vervolgens te bestoken met zwaar vuurwerk. Voor de brandweerlieden was het zodanig bedreigend dat zij niet met het bluswerk hebben kunnen starten en dit pas konden doen onder begeleiding van de politie. De kans op serieus letsel was zeker aanwezig. De rechtbank is van oordeel dat dit een aanslag op de brandweer is geweest. Daarnaast heeft hij ook samen met anderen zwaar vuurwerk en stenen gegooid naar de politie toen deze poolshoogte kwam nemen vanwege een vernieling. Ook hier was er een risico op letsel. Het is onacceptabel dat personen die een publieke functie uitoefenen in gevaar worden gebracht en op dergelijke wijze het werken onmogelijk wordt gemaakt. Een forse straf is dan ook op zijn plaats.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 26 oktober 2011, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Hij is vorig jaar veroordeeld voor drie straatroven en een bedreiging en in het verleden ook voor nog een andere bedreiging. Daarnaast heeft hij een transactie aanvaard voor openlijke geweldpleging. Voorts heeft de rechtbank gelet op het feit dat de verdachte een eerdere werkstraf niet goed heeft afgerond en dus de vervangende jeugddetentie heeft moeten uitzitten.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 10 maart 2011 en 16 juni 2011. Deze rapporten houden onder meer het volgende in.

De verdachte is een 17-jarige jongen die reeds veelvuldig in aanraking is gekomen met politie en justitie. Sinds de laatste meervoudige kamer-zitting van maart 2010 heeft hij geen contact meer gehad met de politie. In de thuissituatie gaat het redelijk goed. Hij is afhankelijk van structuur en duidelijkheid. De Multi Dimensionale Familie Therapie is positief afgesloten, maar de ouders zijn onvoldoende bij machte de verdachte de structuur te bieden die hij nodig heeft, met name als vader in het buitenland verblijft omdat hij strikter is. Positief is dat hij gestopt is met blowen.

Daarnaast is de heer [jeugdreclasseringswerker], de jeugdreclasseringsmedewerker van de verdachte, ter zitting gehoord. Hij heeft aangegeven dat hij nauwelijks contact heeft met de verdachte en dat de verdachte vindt dat hij geen hulp nodig heeft. De verdachte gaat niet naar school en heeft geen bijbaan. De heer [jeugdreclasseringswerker] heeft aangegeven dat hij voornemens is de verdachte terug te melden, omdat de verdachte zich niet laat begeleiden. Voorts heeft hij opgemerkt dat indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, er gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen enkele reden is om van jeugddetentie af te zien.

De rechtbank is van oordeel dat gezien het feit dat er een plan was, dat het vuurwerk gericht was tegen personen met een publieke functie, dat er een risico was op serieus letsel en gezien de documentatie met meerdere geweldsfeiten, alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. De officier van justitie heeft met voormelde factoren onvoldoende rekening gehouden bij haar eis. Hier doet niet aan af dat de rechtbank voor een feit heeft vrijgesproken waarvoor de officier van justitie juist een bewezenverklaring heeft gevorderd.

Het is naar het oordeel van de rechtbank zorgelijk dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en geen enkele spijt heeft betuigd voor de door hem gepleegde feiten. Verder heeft hij voor de komende periode geen enkele dagbesteding. Deze omstandigheden doen de rechtbank vrezen voor herhaling tijdens de komende oud en nieuw periode. De rechtbank zal daarom het reeds opgeschorte bevel bewaring opheffen en een bevel gevangenneming geven, zodat de verdachte tijdens de komende jaarwisseling niet buiten is.

7. De vorderingen tenuitvoerlegging

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de kinderrechter d.d. 22 september 2009 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Voorts heeft zij de tenuitvoerlegging verzocht van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 12 april 2010 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van 50 dagen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot de voorwaardelijk opgelegde werkstraf heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte deze wil uitvoeren.

Ten aanzien van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie heeft hij primair verzocht hiervan de proeftijd te verlengen met één jaar, en subsidiair tot toewijzing van de vordering met omzetting naar een werkstraf.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vorderingen van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de twee voorwaardelijk opgelegde straffen, te weten de werkstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie en de jeugddetentie voor de duur van 50 dagen. De verdachte heeft zich immers wederom schuldig gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding de jeugddetentie van 50 dagen om te zetten in een werkstraf.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

77a, 77g, 77h, 77i, 77dd, 77ee, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2, primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 5 WEKEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het opgeschorte bevel voorlopige hechtenis van de verdachte;

beveelt de gevangenneming van de verdachte;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde jeugddetentie.

Ten aanzien van 09/765165-09 (tul):

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 20 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 10 DAGEN.

Ten aanzien van 09/920489-09 (tul):

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

jeugddetentie voor de duur van 50 DAGEN.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Moussault, kinderrechter,

en mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. Y.D. David, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1573 2011002737-16, doorgenummerd 1 t/m 790.

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 1e en 2e alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever 2], p. 461, 2e alinea en proces-verbaal van verhoor getuige R, p. 447, regel 18 t/m 21.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [F], p. 662 een na laatste alinea en proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 3e alinea.

5 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 4e alinea.

6 Proces-verbaal van aangifte [aangever 3] en [politieagent 4], p. 747.

7 Idem, p. 748.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 744.

9 HR 11 november 2003, LJN AL6209.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [J], p. 653, 10e alinea.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige AA, p. 432.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 december 2011, verklaring van verdachte.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [J], p. 652, 9e en 10e alinea en p. 653 1e alinea.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 3], p. 691, laatste alinea en p. 692, 1e twee alinea's.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 464.

16 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 9 december 2011, verklaring van de verdachte.