Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8487

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
09-752011-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft openlijk in vereniging geweld gepleegd tegen brandweerlieden op 31 december 2010. Jeugddetentie voor de duur van 3 weken. Zie ook LJN BU8488 (medeverdachte 4).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/752011-11

Datum uitspraak: 16 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 1 en 2 december 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. H. Bos, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 december 2010 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, P.J.W. Frisolaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in

vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer brandweerlieden, werkzaam bij korps Leidschendam/Voorburg welk geweld bestond uit

- het maken van joelende geluiden in de richting van die brandweerlieden en/of

- het meermalen (gericht) gooien en/of afsteken van vuurwerk in de richting van die brandweerlieden en/of

- het meermalen gooien van stenen in de richting van die brandweerlieden;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een schrikhek en/of drie (rood-witte) afzetbaakjes, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan aannemingsbedrijf Wallaard Noordeloos BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, opzettelijk en wederrechtelijk een schrikhek en/of drie (rood-witte) afzetbaakjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan aannemingsbedrijf Wallaard Noordeloos BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk voornoemd schrikhek en/of voornoemde afzetbaakjes op het vuur te gooien;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Inleiding 1

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Op 31 december 2010, rond 21.30 uur, arriveert de brandweer van het korps Leidschendam/Voorburg bij de Prins Johan Willem Frisolaan in Leidschendam. Een container en een zandbak staan in brand 2, waarin onder andere een schrikhek en afzetbaakjes zijn gegooid.3 De brandweer is op deze plaats opgewacht door een groep jongemannen die joelende geluiden maakte en is vervolgens door hen bestookt met vuurwerk.4 De brandweerlieden konden hierdoor niet starten met hun bluswerkzaamheden en moesten een veilig heenkomen zoeken. 5

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte samen met anderen in het openbaar geweld heeft gebruikt. Hij heeft met anderen zwaar vuurwerk op de brandweer afgeschoten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal dan wel vernieling door een schrikhek en afzetbaakjes op een vuur te gooien.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met stenen naar de brandweer heeft gegooid. Over feit 2 heeft zij opgemerkt dat te weinig bewijsmiddelen voorhanden zijn voor een bewezenverklaring.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft de verdachte ontkend een aandeel te hebben gehad in het gericht afsteken van zwaar vuurwerk naar de brandweer. Ter zitting heeft hij zich beroepen op zijn zwijgrecht.

Ter beoordeling van de tenlastelegging heeft de rechtbank allereerst gelet op de tweede verklaring van [F], waarin deze heeft aangegeven dat de verdachte de pion was waar alles om draaide, dat zijn spullen werden gebruikt om een groot vuur in de zandbak voor de flat te stichten en dat hij vuurwerk heeft afgestoken richting de brandweer. 6

Ter zitting is de getuige teruggekomen van deze verklaring. Hij heeft verklaard dat hij onder druk is gezet en dat er woorden in zijn mond zijn gelegd door de politie, die hij slechts hoefde te bevestigen. De rechtbank acht dit evenwel niet aannemelijk, mede gezien het proces-verbaal van bevindingen van 1 december 2011 waarin door een verbalisant uiteen is gezet dat de getuige wilde meewerken aan het onderzoek omdat hij politieagent wilde worden en dat de verbalisant open vragen heeft gesteld.7

De raadsvrouw heeft vraagtekens gezet bij het verhoor van deze getuige omdat op pagina 662 één doorlopend verhaal staat zonder dat daarbij vragen lijken te zijn gesteld. Het komt haar niet aannemelijk voor dat dit daadwerkelijk zo heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt hierover dat een proces-verbaal een zakelijke weergave is van - in dit geval - een verhoor. De wet eist niet dat letterlijk wordt weergegeven wat er is gezegd.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op de derde verklaring die [G] bij de politie heeft afgelegd. Hierin heeft hij aangegeven dat verdachte degene is geweest die de brand in de zandbak heeft aangestoken en vuurwerk heeft gegooid naar de brandweer. 8

Tot slot heeft anonieme getuige AA verklaard dat de jongen die hij kent als [verdachte], omstreeks 21.00 uur de zandbak aan de Prins Johan Willem Frisolaan in brand heeft gestoken 9 en vuurwerk in de richting van de brandweer heeft afgestoken toen deze het vuur wilde blussen.10

Over het gebruik van deze verklaring merkt de rechtbank het volgende op.

Het gebruik van verklaringen van personen wier identiteit niet blijkt wordt geregeld in artikel 344a Wetboek van Strafvordering (verder: Sv.). In lid 3 wordt bepaald dat een dergelijke verklaring voor het bewijs mag worden gebezigd indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en door de verdediging is niet gevraagd deze persoon te ondervragen. De rechtbank gebruikt naast deze verklaring ook de twee hiervoor genoemde verklaringen zodat aan het bepaalde in artikel 344a Sv wordt voldaan en de verklaring kan worden meegenomen voor het bewijs. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de raadsvrouw niet te kennen heeft gegeven dat zij de getuige wil ondervragen.

In verband met de strafoplegging heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of sprake is geweest van 'zwaar' vuurwerk. Naar de mening van de raadsvrouw kan dit niet worden vastgesteld omdat geen enkele deskundige zich hierover heeft uitgelaten. Hierover wordt als volgt overwogen.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat hij en zijn collega's werden bestookt met vuurwerk dat leek op zogenaamde Romeinse kaarsen, echter 'veel en veel zwaarder'.11 Daarnaast heeft [F] aangegeven dat hij heeft gezien dat verdachte naar zijn woning liep om Thunderkings te halen, waarvan hij weet dat het krachtige mortiertjes zijn, een soort vuurpijlen die aan het eind met een harde knal uit elkaar klappen.12

Gezien deze verklaringen acht de rechtbank bewezen dat de verdachte zwaar vuurwerk richting de brandweer heeft afgestoken. Wel deelt zij het standpunt van de raadsvrouw dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het gooien van stenen naar de brandweer. Er kan niet worden vastgesteld dat dit is gebeurd.

Feit 2

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit feit vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de belastende verklaring van [H] niet gebruikt kan worden omdat hij onbetrouwbaar is en een bewezenverklaring vervolgens niet kan worden gebaseerd op enkel de verklaringen van anonieme getuigen.

De rechtbank heeft geconstateerd dat er enkele belastende verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot de rol van de verdachte bij het feit. Allereerst heeft [H] aangegeven dat hij de verdachte met borden heeft zien slepen en dat deze op het vuur zijn gegooid. De anonieme getuige R heeft gezien dat de verdachte in ieder geval twee rood/witte afzetpalen heeft gepakt en op het vuur heeft gegooid dat in de zandbak woedde. Tot slot heeft de anonieme getuige MH verklaard dat jongens uit de groep onder meer rood/witte afzetpaaltjes op het vuur hebben gegooid.

Over de verklaring van [H] overweegt de rechtbank als volgt. Op de zitting heeft de rechtbank eerst de gijzeling van deze getuige bevolen omdat hij onwillig was om vragen te beantwoorden en vervolgens is een proces-verbaal van meineed opgemaakt omdat er grote twijfels zijn gerezen over het waarheidsgehalte van zijn verklaringen. Daarbij komt dat niet uitgesloten kan worden dat deze getuige zijn eigen aandeel bij de ongeregeldheden tracht te bagatelliseren. Dit alles noopt de rechtbank tot grote terughoudendheid bij het gebruik van welke verklaring dan ook van deze getuige. De rechtbank twijfelt ernstig aan zijn geloofwaardigheid en acht zijn verklaringen dan ook niet bruikbaar acht voor het bewijs.

Zoals al eerder door de rechtbank is overwogen, wordt het gebruik van verklaringen van anonieme getuigen beheerst door artikel 344a, lid 3 Sv. Een dergelijke verklaring kan voor het bewijs worden gebezigd indien de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal en door de verdediging niet is gevraagd deze persoon te ondervragen. Nu er naast twee anonieme getuigenverklaringen geen ander bewijs voorhanden is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, wordt niet voldaan aan de eis neergelegd in artikel 344a, lid 3 Sv. De rechtbank zal de verdachte daarom van dit feit vrijspreken wegens gebrek aan wettig bewijs.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

hij op 31 december 2010 te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg, met anderen, op de openbare weg, P.J.W. Frisolaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen brandweerlieden, werkzaam bij korps Leidschendam/Voorburg welk geweld bestond uit

- het maken van joelende geluiden in de richting van die brandweerlieden en

- het meermalen (gericht) gooien en afsteken van vuurwerk in de richting van die brandweerlieden.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie met aftrek van voorarrest. Voorts heeft zij verzocht op te leggen een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 6 weken, met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde van 31 december 2011, 12.00 uur tot 1 januari 2012, 12.00 uur, wordt verboden zijn woning te verlaten. Tot slot heeft zij gevorderd dat het opgeschorte bevel voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat zich een viertal onherstelbare vormverzuimen heeft voorgedaan: de verdachte is onrechtmatig aangehouden, zijn telefoon is ten onrechte getapt, de verhoren van verdachten en getuigen zijn niet opgenomen en er is bij medeverdachten selectief geseponeerd. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Zij heeft geconcludeerd tot het gelijktrekken van de straffen van verdachte en zijn medeverdachten, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen. Zij heeft voorts verzocht geen huisarrest voor oud en nieuw op te leggen, nu de moeder van verdachte van plan is om met haar kinderen oud en nieuw buiten Leidschendam te vieren.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Vormverzuimen

De raadsvrouw heeft betoogd dat zich vormverzuimen hebben voorgedaan. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

De aanhouding van de verdachte

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte twee maanden na het gebeuren om 6.00 uur van zijn bed is gelicht en is aangehouden, terwijl hij al in de nacht van 31 december 2010 op 1 januari 2011 was opgepakt voor openbare dronkenschap en is heengezonden met een boete. Zij vindt het moeilijk te geloven dat de verdachte toen nog niet in beeld was voor het openlijk geweld tegen de brandweer.

De rechtbank interpreteert dit betoog als een verweer dat de aanhouding onrechtmatig is geweest en zij overweegt hierover als volgt.

De verdachte is nadat hij in verzekering is gesteld, voorgeleid bij de rechter-commissaris. De toenmalige raadsman van de verdachte heeft geen opmerkingen gemaakt over de wijze van aanhouding en over de inverzekeringstelling en de rechter-commissaris was van oordeel dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig was. Tegen dat oordeel staat geen hoger beroep open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen laat niet toe dat bij de behandeling ter zitting alsnog beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de aanhouding die aan de rechter-commissaris hadden kunnen worden voorgelegd.13 Het verweer treft geen doel.

Het tappen van de telefoon van de verdachte

Voorts heeft de raadsvrouw bepleit dat zonder dringende noodzaak de telefoon van de verdachte is getapt. Er waren al voldoende andere onderzoeksresultaten en de taps hebben niets opgeleverd, wat het Openbaar Ministerie had kunnen en moeten voorzien.

Bij de beoordeling van dit betoog stelt de rechtbank voorop dat het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel inhoudt dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het is in eerste instantie ter beoordeling aan de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in art. 126m, eerste lid, Sv. en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Aan de zittingsrechter ten slotte staat de rechtmatigheid van de toepassing van deze bevoegdheid ter beoordeling. In het wettelijk systeem houdt die beoordeling, in een geval als het onderhavige waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, een beantwoording in van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen. Voorts omvat die beoordeling de vraag of het gebruik dat de officier van justitie vervolgens heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot het bevelen van het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel in overeenstemming is met die machtiging en ook overigens rechtmatig is.14

De rechtbank stelt vast dat de machtiging van de rechter-commissaris en het bevel van de officier van justitie om de mobiele telefoon van de verdachte te tappen zijn verleend op

4 februari 2011. Dat was gebaseerd op een proces-verbaal van 2 februari 2011, onder andere inhoudende dat vanaf 7 februari 2011 media ingeschakeld zouden worden en er flyers verspreid zouden worden om zo getuigen te bewegen zich te melden bij de politie. De rechtbank is van oordeel dat de rechter-commissaris onder deze omstandigheden in redelijkheid de machtiging heeft kunnen afgeven. Het betoog faalt dan ook.

Het opnemen van de verhoren van getuigen/verdachten

De raadsvrouw heeft aangegeven dat de verhoren van getuigen en verdachten niet zijn opgenomen terwijl er twijfels zijn over de inhoud van de processen-verbaal. Er is niet te toetsen wat wel en wat niet klopt.

De rechtbank overweegt dat het opnemen van verhoren de nodige zekerheid geeft, maar stelt vast dat thans geen rechtsregel een opname verplicht, zodat dit verweer niet kan slagen.

Het gelijkheidsbeginsel

Tot slot heeft de raadsvrouw bepleit dat het Openbaar Ministerie zaken tegen medeverdachten heeft geseponeerd terwijl niet duidelijk is hoe hun zaken verschillen van die van de verdachte.

De rechtbank ziet dit betoog als een beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en hierover wordt als volgt overwogen. Het opportuniteitsbeginsel brengt met zich dat de verantwoordelijkheid tot vervolging van verdachten van strafbare feiten in beginsel bij het Openbaar Ministerie ligt. Daarbij heeft het de vrijheid bepaalde verdachten wél, en bepaalde verdachten níet te vervolgen, al dient het zich wel te houden aan de beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank heeft niet kunnen constateren dat het Openbaar Ministerie willekeurig heeft gehandeld bij het bepalen wie er wel en niet werd vervolgd. Derhalve wordt dit verweer verworpen.

Omdat geen vormen zijn verzuimd, zal er geen strafvermindering plaatsvinden.

Zaaksgebonden factoren

De verdachte heeft samen met anderen in het openbaar geweld gebruikt tegen brandweerlieden door gericht, zwaar vuurwerk op hen af te schieten. Er was een vooropgezet plan gemaakt waarbij vuur was gestookt in een zandbak en een container met het doel de brandweer te laten uitrukken en deze vervolgens te bestoken met vuurwerk. Voor de brandweerlieden was het dermate bedreigend dat zij niet met het bluswerk konden starten en dit pas konden doen onder begeleiding van de politie. De kans op serieus letsel was zeker aanwezig. De rechtbank ziet dit feit dan ook als een aanslag op de brandweer. Het is onacceptabel dat personen die een publieke functie uitoefenen zo in gevaar worden gebracht en op dergelijke wijze het werken onmogelijk wordt gemaakt. Een forse straf is, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook op zijn plaats.

Persoonsgebonden factoren

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 oktober 2011, in het verleden is veroordeeld voor brandstichting en vernieling, openlijk geweld en straatschenderij, waarvoor hij werkstraffen heeft gekregen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het Raadsrapport civiele zaken, d.d. 30 juni 2011 en d.d. 23 augustus 2011.

Tijdens de zitting hebben zowel de verdachte als zijn moeder aangegeven dat het momenteel goed gaat met de verdachte. Hij luistert, is beter aan te sturen en hij gaat naar school, stage en werk. De rechtbank constateert dat dit beeld wordt bevestigd door het raadsonderzoek strafzaken.

Het is naar het oordeel van de rechtbank evenwel zorgelijk dat de verdachte geen openheid van zaken wenst te geven over de vraag of hij nog steeds "foute" vrienden ontmoet in zijn kelderbox zoals in het verleden veelvuldig is gebeurd. Dit doet de rechtbank vrezen voor herhaling tijdens de komende oud en nieuw periode. De rechtbank weegt verder ook mee de omstandigheid dat hij geen openheid van zaken heeft willen geven en evenmin spijt heeft getoond.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat gezien voornoemde strafverhogende omstandigheden, de rol van de verdachte bij het tenlastegelegde feit en de eerdere veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten waarvoor hij steeds een werkstraf heeft gehad, het opleggen van opnieuw een werkstraf een gepasseerd station is. De eis van de officier van justitie doet naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden onvoldoende recht aan de ernst van het strafbare feit. Alleen een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur vormt naar het oordeel van de rechtbank een passende reactie.

Gezien het grote risico dat de verdachte tijdens de komende oud en nieuw periode wederom dergelijke strafbare feiten zal plegen zal de rechtbank tevens het reeds opgeschorte bevel bewaring opheffen en een bevel gevangenneming geven, zodat de verdachte tijdens de komende jaarwisseling niet buiten is.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

63, 77a, 77g, 77h, 77i, 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 3 weken;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het opgeschorte bevel bewaring van de verdachte;

beveelt de gevangenneming van de verdachte;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.A. van Steen, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. Moussault, kinderrechter,

en mr. drs. S.M. Borkent, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van R. van Ast en mr. Y.D. David, griffiers.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 december 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1573 2011002737-16, doorgenummerd 1 t/m 790.

2 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 1e en 2e alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte [aangever 2], p. 461, 2e alinea en proces-verbaal van verhoor getuige R, p. 447, regel 18 t/m 21.

4 Idem, p. 662 een na laatste alinea en proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 3e alinea.

5 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 4e alinea.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [F], p. 663, 3e alinea.

7 Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1573 2011002705-189.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [G], p. 724, 2e alinea.

9 Proces-verbaal verhoor getuige AA, p. 431, 2e alinea.

10 Idem, p. 432, 1e drie regels.

11 Proces-verbaal van aangifte [aangever 1], p. 424, 4e alinea.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [F], p. 662, halverwege.

13 HR 8 mei 2001, NJ 2001, 587, m.nt. J.M. Reijntjes.

14 HR 11 oktober 2005, LJN: AT4351, HR 31 januari 2006, LJN: AU 8292 en HR 21 november 2006, LJN: AY9673.