Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8460

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
19-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/4611
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Rammelende aanwijzing van betaaldparkerenplaatsen.

Eiseres betwist dat de plaats waar zij haar auto heeft geparkeerd op de juiste wijze is aangewezen als plaats van parkeren waarvoor parkeerbelasting wordt geheven. In art. 225, eerste lid, en onderdeel a, Gemeentewet is in twee manieren van aanwijzing van betaaldparkerenplaatsen voorzien: bij belastingverordening of door het college van b&w krachtens de belastingverordening in daartoe aangewezen gevallen. Vaststaat dat de aanwijzing van de betaaldparkerenplaatsen is geschied bij de Parkeerverordening. De Parkeerverordening is vastgesteld door de gemeenteraad zodat van een bepaling van de plaats van het belaste parkeren door het college van b&w geen sprake is. Blijft over de mogelijkheid dat de Parkeerverordening moet worden aangemerkt als een belastingverordening. Daartegen pleit dat er naast de Parkeerverordening een Parkeerbelastingverordening is en voorts dat de Parkeerverordening niet de heffing en invordering van de parkeerbelasting betreft. Hoewel de raad de aanwijzing op een verwarrende manier heeft geregeld, is deze verwarring niet van dien aard dat enkel op grond daarvan geconstateerd moet worden dat de betaaldparkerenplaatsen niet op de juiste wijze zijn aangewezen. De rechtbank houdt het ervoor dat de gemeenteraad door het opnemen van de aanwijzing van de betaaldparkerenplaatsen in de Parkeerverordening aan deze verordening inzoverre het karakter van een belastingverordening heeft willen geven. Ten overvloede geeft de rechtbank verweerder in overweging om binnen de gemeentelijke organisatie aan te dringen op een regeling van de aanwijzing van de betaaldparkerenbplaatsen die meer in overeenstemming met art. 225, lid 1, aanhef en onderdeel a, Gemeentewet is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 277
FutD 2011-3187
Belastingblad 2012/73
V-N Vandaag 2011/3136
V-N 2012/7.26.8

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4611

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 17 november 2011 van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 13 april 2011 op het bezwaar van eiseres tegen de aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting [aanslagnummer].

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2011.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] als gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [C].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op 1 februari 2011, omstreeks 14:59 uur, stond de auto van eiseres, met kenteken [kentenkennummer], geparkeerd op een parkeerplaats, gelegen naast de Stevinstraat te Alphen aan den Rijn. Voor het parkeren van de auto had eiseres geen parkeerkaartje gekocht.

2. In de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2011 (Parkeerbelastingverordening) is bepaald dat onder de naam parkeerbelasting een belasting wordt geheven ter zake van het parkeren van een motorrijtuig op een daartoe in de Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren 1999 (Parkeerverordening) aangewezen plaats. In de Parkeerverordening is gebied I, in welk gebied de Stevinstraat ligt, aangewezen als plaats waar het regime betaald parkeren geldt.

3. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

4. Eiseres beantwoordt die vraag ontkennend en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De auto stond niet aan de Stevinstraat maar op een parkeerplaats die van de Stevinstraat is gescheiden door een stoep en met de Stevinstraat is verbonden door een oprit. Er is geen wettelijke grondslag voor de heffing omdat de Stevinstraat niet op de juiste wijze is aangewezen als een plaats waar uitsluitend tegen betaling van parkeerbelasting kan worden geparkeerd. Een duidelijke bebording ter plekke ontbreekt en het bord op de stoep tussen de Stevinstraat en de parkeerplaats ziet uitsluitend op de Stevinstraat. De parkeerplaats behoorde tot voor kort tot een school; dat de parkeerplaats niet langer tot de school behoorde was uit de feitelijke situatie ter plaatse niet kenbaar. Verweerder is in de uitspraak op bezwaar niet op de gronden van het bezwaar ingegaan en heeft derhalve het motiveringsbeginsel geschonden.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en voert daartoe - samengevat - het volgende aan. De Stevinstraat is in de Parkeerverordening aangewezen als gebied voor betaald parkeren. Eiseres is, voordat zij parkeerde, langs een zonebord gekomen. Daarmee is voldoende kenbaar gemaakt dat achter dit bord slechts tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd kan worden. Verder staan er in de Stevinstraat een herhalingsbord en een parkeerautomaat, beide in de onmiddellijke nabijheid van de plaats waar eiseres de auto heeft geparkeerd. Het parkeerterrein waar eiseres heeft geparkeerd is op geen enkele wijze afgescheiden van de Stevinstraat en maakt onderdeel uit van de openbare weg.

6. Artikel 2 van de Parkeerbelastingverordening luidt:

" Belastbaar feit

Onder de naam "parkeerbelastingen" worden de volgende belastingen geheven:

1 een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een daartoe in artikel 2 van de Parkeerverordening 1999 aangewezen parkeerapparatuurplaats, rekening houdend met de in deze verordening dan wel op of bij de parkeerapparatuur vermelde plaats, tijdstip en wijze;

2 een belasting ter zake van het parkeren van een motorvoertuig op een parkeerplaats binnen het vergunningengebied, als aangegeven in bijlage 1 van de Parkeerverordening 1999, waarvoor een van gemeentewege verleende vergunning noodzakelijk is."

Artikel 2 van de Parkeerverordening luidt:

"Plaatsaanduiding betaald parkeren

1 a het vergunningengebied met uitzondering van gebeid III en gebied IV, als aangegeven in de bijlagen 1a en 1b van deze verordening en de parkeerlocaties achteraf betalen;

b vervallen;

c de parkeervakken op het Stationsplein

d het parkeerterrein onder het winkelcentrum Ridderhof;

e een gedeelte van het ten westen van het wijkwinkelcentrum aan de Prinses Irenelaan gelegen parkeerterrein;

f een gedeelte van het Stadhoudersplein nabij de Prinses Irenelaan.

2 Het gebied als genoemd in het eerste lid, onder a, kan in de Verordening Parkeerbelastingen 1999 worden uitgesplitst ten aanzien van tarief, tijdvak en maatstaf van heffing."

Ingevolge de bijlage bij de Parkeerverordening ligt de Stevinstraat in gebied I.

7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar opvatting dat voor de heffing van parkeerbelasting op de Stevinstraat geen wettelijke grondslag bestaat omdat de Stevinstraat niet op de juiste wijze is aangewezen als gebied waar slechts tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

8. Ingevolge artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet worden de plaats, het tijdstip en de wijze van het parkeren waarvoor de parkeerbelasting wordt geheven, bepaald bij de belastingverordening dan wel door het college van burgemeester en wethouders krachtens de belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen. Vaststaat dat de aanwijzing van de plaats van het parkeren waarvoor de parkeerbelasting wordt geheven in dit geval is geschied bij de Parkeerverordening. De Parkeerverordening is vastgesteld door de gemeenteraad zodat van een bepaling van de plaats van het belaste parkeren door het college van burgemeesters en wethouders geen sprake is. Blijft over de mogelijkheid dat de Parkeerverordening moet worden aangemerkt als een belastingverordening in de zin van artikel 225, eerste lid, aanheft en onderdeel a, van de Gemeentewet. Daartegen pleit dat er naast de Parkeerverordening een Parkeerbelastingverordening is, waarin de voorschriften inzake de heffing en de invordering van de parkeerbelasting zijn opgenomen, en dat de Parkeerverordening, naar reeds blijkt uit haar benaming, niet de heffing en invordering van parkeerbelasting regelt, maar voorschriften bevat inzake de regulering van het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren.

9. Hoewel de raad, door de plaatsen waarop slechts tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden aan te wijzen in een verordening, die naar haar doel en strekking niet als een belastingverordening kan worden aangemerkt, op een enigszins verwarrende manier uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet, is deze verwarring niet van dien aard dat enkel op die grond geconstateerd moet worden dat de plaatsen van het betaald parkeren niet op de juiste wijze zijn aangewezen. De rechtbank houdt het ervoor dat de gemeenteraad door het opnemen van de aanwijzing van de plaatsen van het betaald parkeren in de Parkeerverordening, aan de Parkeerverordening in zoverre het karakter van een belastingverordening in de zin van artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet heeft willen geven.

Ten overvloede geeft de rechtbank verweerder in overweging om binnen de gemeentelijke organisatie aan de dringen op een regeling van de aanwijzing van de plaatsen waar tegen betaling van parkeerbelasting geparkeerd mag worden, die meer in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 225, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Gemeentewet.

10. Uit de door verweerder overgelegde foto van de situatie ter plaatse blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat er geen sprake is van een fysieke afscheiding tussen de parkeerplaats waar eiseres heeft geparkeerd en de Stevinweg. De aanwezigheid van een (herhalings)bordje met de aanduiding betaald parkeren en een parkeerautomaat laat er geen twijfel over bestaan dat ter plaatse voor het parkeren parkeerbelasting moet worden betaald. Voorts zijn er ter plaatse geen borden of andere kennisgevingen die bij eiseres de indruk hebben kunnen wekken dat er uitsluitend voor het parkeren op de Stevinstraat en niet voor het parkeren op de naast de Stevinstraat gelegen parkeerplaatsen parkeerbelasting verschuldigd is.

Gelet hierop kan er over de verschuldigdheid van de parkeerbelasting voor het onder 1. genoemde parkeren redelijkerwijs geen misverstand bestaan. Hieraan doet niet af dat de naast de Stevinstraat gelegen parkeerplaatsen in het verleden in gebruik waren bij een school en, naar de rechtbank begrijpt, om die reden buiten de heffing van de parkeerbelasting werden gehouden.

11. De grief, inhoudend dat de uitspraak op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd omdat verweerder niet op de gronden van bezwaar is ingegaan, vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in de feiten. In de uitspraak op bezwaar zet verweerder uiteen dat en waarom de door eiseres aangevoerde gronden van bezwaar niet kunnen afdoen aan de verschuldigdheid van parkeerbelasting. Eiseres kan worden toegegeven dat verweerder in de uitspraak op bezwaar de gronden van bezwaar van eiseres slechts oppervlakkig behandelt. Deze onvolkomenheid acht de rechtbank onvoldoende zwaarwegend om op grond daarvan te oordelen dat de uitspraak op bezwaar wegens een motiveringsgebrek vernietigd dient te worden.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

13. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

17 november 2011.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.