Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU8355

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
16-12-2011
Zaaknummer
Awb 11/36240 en Awb 11/36236
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Hoewel volgens het door verweerder geformuleerde beleid, zoals neergelegd in paragraaf C14/5 van de Vc 2000, de ambtshalve verlening plaatsvindt in het kader van de asielprocedure en daaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit ook geldt voor de in artikel 3.17a, eerste lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 opgenomen toetsing aan artikel 8 EVRM, ziet de voorzieningenrechter thans - anders dan in de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 27 september 2011 (LJN BT8660) - geen grond voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval gehouden was in de asielprocedure ambtshalve te beoordelen of verzoekster op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf moet worden toegestaan. Doorslaggevend acht de voorzieningenrechter in dit verband de toelichting op de toevoeging van artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het VV 2000, waarop ook verweerder ter zitting uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan. Verweerder heeft derhalve terecht afgezien van een ambtshalve beoordeling van de opvolgende aanvraag aan artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Groningen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Zaaknummers: Awb 11/36240 (voorlopige voorziening)

Awb 11/36236 (beroep)

Uitspraak in het geschil tussen:

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van gestelde Somalische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

verzoekster,

mede namens haar minderjarige dochter

[naam],

geboren op [geboortedatum],

van onbekende nationaliteit,

gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek, advocaat te Groningen,

en

DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. F.W.A. Croonen, ambtenaar ten departemente.

1. Ontstaan en loop van het geschil

1.1. Op 1 november 2011 heeft verzoekster een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. Verweerder heeft bij besluit van 9 november 2011 afwijzend op de aanvraag beslist.

1.2. Op 9 november 2011 heeft verzoekster hiertegen beroep ingesteld.

1.3. Bij verzoekschrift van 9 november 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat uitzetting achterwege dient te worden gelaten tot op het beroep is beslist. Op 24 november 2011 zijn de gronden van het beroep en het verzoek ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, onder gelijktijdige verzending aan verzoekster.

1.5. Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van 29 november 2011. Verzoekster is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen. Het onderzoek is ter zitting gesloten.

2. Rechtsoverwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter kan, indien hij van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet bij kan dragen aan de beoordeling van de zaak, op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Partijen zijn bij de uitnodiging voor de zitting op deze bevoegdheid gewezen.

Feiten en standpunten van partijen

2.2. Verzoekster heeft eerder, te weten op 20 maart 2009, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 1 februari 2010 is deze aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder overwogen dat, gelet op de uitkomst van de taalanalyse van 4 november 2009, aan de door verzoekster gestelde herkomst uit Warsheekh (Zuid-Somalië) geen geloof wordt gehecht. Uit het rapport taalanalyse van 4 november 2009 blijkt namelijk dat verzoekster niet eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap van Zuid-Somalië en dat zij het Somalisch spreekt dat gangbaar is in het noorden van Somalië. Voorts heeft Bureau Land en Taal naar aanleiding van de door verzoekster ingediende zienswijze op 29 januari 2010 een weerwoord uitgebracht, waarin geconcludeerd wordt dat de gestelde herkomst van de moeder van verzoekster uit Somaliland - anders dan de gemachtigde van verzoekster het doet voorkomen - geen plausibele verklaring is voor het gegeven dat verzoekster niet het Somalisch spreekt zoals dat gangbaar is in haar gestelde directe leefomgeving, Warsheekh (Zuid-Somalië), maar Somalisch zoals dat gangbaar is in Noord-Somalië. Voorts heeft verweerder daarbij overwogen dat verzoekster de dichtstbijzijnde plaatsen bij Warsheekh niet weet te noemen, terwijl dit wel van iemand verwacht mag worden die stelt daar vanaf haar geboorte te hebben verbleven. Daarom wordt het asielrelaas, dat zich volgens verzoekster in Warsheekh heeft afgespeeld, evenmin geloofwaardig geacht.

Deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, heeft bij uitspraak van 17 december 2010, Awb 10/5026, het hiertegen gerichte beroep van 8 februari 2010 ongegrond verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) heeft bij uitspraak van 21 maart 2011, zaaknr. 201100712/1/V2, voornoemde uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarmee is de beslissing van 1 februari 2010 op de aanvraag van 20 maart 2009 in rechte onaantastbaar geworden.

2.3. Verzoekster heeft aan haar, thans aan de orde zijnde, opvolgende aanvraag van 1 november 2011 ten grondslag gelegd dat zij op [geboortedatum] is bevallen van een dochter en dat zij vreest dat haar dochter, bij terugkeer naar Somalië, gedwongen zal worden besneden. Dat levert een reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) op.

2.4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van dat artikel. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat vast blijft staan dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar herkomst moet worden gezocht in Zuid-Somalië, zoals in de vorige procedure reeds is overwogen en in rechte is komen vast te staan.

Voorts verklaart verzoekster zelf dat zij niet afkomstig is uit Noord-Somalië. Overwogen wordt dat dezerzijds niet valt te onderzoeken waar verzoekster is geboren, (laatstelijk) heeft verbleven noch van welk land zij de nationaliteit heeft dan wel heeft verkregen. Voorts is bekend uit algemene taalomschrijvingen dat de taal zoals deze in Noord-Somalië wordt gesproken, eveneens in Djibouti en bepaalde delen van Ethiopië wordt gesproken. Hieruit volgt dat de uitkomst van de taalanalyse, dat verzoekster Somalisch spreekt zoals gangbaar is in Noord-Somalië feitelijk betekent dat verzoekster afkomstig kan zijn uit Noord-Somalië maar ook Djibouti of (een deel van) Ethiopië. Nogmaals wordt overwogen dat verzoekster in de onderhavige procedure ontkend heeft derhalve niet heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk afkomstig is uit Noord-Somalië en daarmee de Somalische nationaliteit bezit. Nu verzoekster persisteert in de ongeloofwaardige verklaring dat zij afkomstig is uit Zuid-Somalië, blijft de mogelijkheid open dat zij de nationaliteit heeft van nog andere landen dan de hiervoor genoemde. In dit kader wordt door verweerder verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 5 juli 2010, Awb 10/21337.

Nu gelet op het vorenstaande niet kan worden vastgesteld wat de nationaliteit van verzoekster is, kan niet worden beoordeeld of de dochter van verzoekster te vrezen heeft voor besnijdenis in het land van herkomst van verzoekster. Immers, niet is vastgesteld aan welk land van herkomst het EVRM getoetst dient te worden. Derhalve komen zowel verzoekster als haar dochter niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van het beleid rondom vrouwenbesnijdenis, zoals verwoord in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2011/13 (WBV 2011/13).

2.5. Verzoekster handhaaft haar stelling dat zij in elk geval uit Somalië afkomstig is en dat op geen enkele wijze is gebleken van een herkomst van buiten Somalië. De praktijk van besnijdenis zoals die in Somalië plaatsvindt vormt derhalve een concrete dreiging voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Voorts is verzoekster van mening dat verweerder ten onrechte het feit dat zij gehuwd is met een Somalische asielzoeker die nog in de asielprocedure zit en die ook de vader van haar dochter is niet bij de huidige verblijfsaanvraag heeft betrokken. Inmiddels is op grond van artikel 3.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) juncto artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (Vv 2000) artikel 8 van het EVRM als ambtshalve toets geïntroduceerd. Uit het bestreden besluit blijkt niet van een dergelijke toets, terwijl de kern van deze aanvraag nu juist gevormd wordt, naast het beroep op artikel 3 van het EVRM, door het gezinsleven van verzoekster met haar echtgenoot en het recht op bescherming van het privéleven van haar dochter.

Beoordeling van het verzoek

2.6. Vooropgesteld moet worden dat met de uitspraak van de AbRS van 21 maart 2011, zaak nr. 201100712/1/V2, in rechte is komen vast te staan dat verweerder op goede gronden heeft besloten dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

2.7. Uit de rechtspraak van de AbRS - onder meer de uitspraak van 8 oktober 2007, AB 2007, 378 - volgt dat, indien na een eerdere afwijzende beslissing een materieel vergelijkbare beslissing wordt genomen, voorshands moet worden aangenomen dat het door de AbRS gehanteerde beoordelingskader in de weg staat aan een rechterlijke toetsing van dat besluit, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door hem aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45) voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.8. De AbRS merkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan, feiten of omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet vóór het nemen van dat besluit konden en derhalve gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve gelet op laatstgenoemde bepaling, behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke beoordeling rechtvaardigen, indien op voorhand uitgesloten is dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit en de overwegingen waarop dat rust.

2.9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door verzoekster ter ondersteuning van haar opvolgende asielaanvraag geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangedragen die maken dat een hernieuwde rechterlijke beoordeling dient plaats te vinden als hiervoor omschreven.

2.10. De voorzieningenrechter overweegt daartoe allereerst dat verzoekster aan de thans aan de orde zijnde opvolgende aanvraag van 1 november 2011 geen nieuwe feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, anders dan dat zij wel degelijk uit Zuid-Somalië afkomstig is. Nu verzoekster haar gestelde herkomst uit Zuid-Somalië en haar nationaliteit evenwel nog altijd niet aannemelijk heeft gemaakt, en voorts niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van rechtsoverweging 45 van het arrest van 19 februari 1998 van het EHRM (Bahaddar tegen Nederland), hiervoor onder 2.7. vermeld, is er voor een rechterlijke toetsing van het besluit van 9 november 2011, voor zover het ziet op verzoekster, geen plaats.

2.11. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat hoewel verzoekster haar vrees dat haar dochter bij terugkeer naar Somalië het slachtoffer zal worden van gedwongen besnijdenis niet voor het eerdere besluit van 1 februari 2010 heeft kunnen aanvoeren, omdat haar dochter is geboren na het betreffende besluit, deze vrees niet kan worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 17 december 2010 in rechte is komen vast te staan dat niet geloofwaardig is dat verzoekster afkomstig is uit Zuid-Somalië.

Nu niet in rechte vast staat wat de nationaliteit van verzoekster is, kan niet worden beoordeeld of de dochter van verzoekster te vrezen heeft voor besnijdenis in het land van herkomst van verzoekster, zo zij daarheen terugkeert. Dit betekent dat op voorhand is uitgesloten dat het beroep van verzoekster op artikel 3 van het EVRM in verband met de vrees voor gedwongen besnijdenis van haar dochter kan afdoen aan het eerdere besluit van 1 februari 2010 en de overwegingen waarop dat rust.

2.12. Aangezien er geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, en evenmin sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest Bahaddar, kunnen het bestreden besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen niet door de voorzieningenrechter worden getoetst.

Aan een beoordeling van hetgeen door verzoekster overigens in asielrechtelijke zin naar voren is gebracht en hetgeen in verband daarmee ter zitting is besproken, komt de voorzieningenrechter hierdoor niet meer toe.

2.13. Voor zover verzoekster heeft beoogd te betogen dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van een ambthalve toetsing van de opvolgende aanvraag aan artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.14. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat hij in het onderhavige geval niet gehouden was ambtshalve te toetsen of verzoekster op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf moet worden toegestaan. Verweerder heeft daarbij gewezen op de toelichting op artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het VV 2000 waaruit volgt dat de reikwijdte van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM is beperkt tot reguliere procedures.

2.15. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is de minister bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd te verlenen.

2.16. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, slechts ambtshalve worden verleend onder een beperking verband houdend met:

a. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;

b. verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling.

Ingevolge het tweede lid van deze bepaling kunnen bij ministeriële regeling andere beperkingen dan genoemd in het eerste lid worden aangewezen waaronder de verblijfsvergunning ambtshalve kan worden verleend.

2.17. Ingevolge artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het VV 2000 wordt, voor zover hier van belang, als beperking, bedoeld in artikel 3.6, tweede lid, van het Vb 2000 aangewezen de beperking "verblijf op grond van artikel 8 EVRM".

2.18. Volgens paragraaf C14/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) vindt -in het kader van de asielprocedure- de ambtshalve toets plaats, indien: a. de vreemdeling verklaringen aflegt waaruit kan worden afgeleid dat genoemd beleid op hem van toepassing is; b. de Minister op grond van de casus oordeelt dat ambtshalve dient te worden getoetst op de vreemdeling in aanmerking komt voor een ambtshalve te verlenen vergunning zoals bedoeld in artikel 3.6 Vb.

2.19. Artikel 3.17a, aanhef en onder d, van het VV 2000 is toegevoegd bij Regeling van de Minister van Justitie van 26 maart 2010, nr. 5647371/10, inhoudende wijziging van het VV 2000 (95e wijziging), Stcrt. 2010, nr 4949, van 31 maart 2010.

In de Toelichting op deze toevoeging is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

"Dit onderdeel maakt het mogelijk om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen in situaties waarin in een reguliere procedure wordt geconcludeerd dat uitzetting in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dit onderdeel ziet op aanvragen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die zijn ingediend onder een andere beperking dan gezinshereniging en waarbij de bevoegdheid ontbreekt om ambtshalve vanwege artikel 8 EVRM een verblijfsvergunning te verlenen."

2.20. Van een dergelijke aanvraag is ten aanzien van verzoeker geen sprake. Hoewel volgens het door verweerder geformuleerde beleid, zoals neergelegd in paragraaf C14/5 van de Vc 2000, de ambtshalve verlening plaatsvindt in het kader van de asielprocedure en daaruit zou kunnen worden afgeleid dat dit ook geldt voor de in artikel 3.17a, eerste lid, aanhef en onder d, van het VV 2000 opgenomen toetsing aan artikel 8 EVRM, ziet de voorzieningenrechter thans - anders dan in de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 27 september 2011 (LJN BT8660) - geen grond voor het oordeel dat verweerder in het onderhavige geval gehouden was in de asielprocedure ambtshalve te toetsen of verzoekster op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf moet worden toegestaan. Doorslaggevend acht de voorzieningenrechter in dit verband de hiervoor geciteerde toelichting op genoemd artikelonderdeel, waarop ook verweerder ter zitting uitdrukkelijk een beroep heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook terecht afgezien van een ambtshalve toetsing van de opvolgende aanvraag aan artikel 8 van het EVRM. In een eventueel door verzoekster op te starten reguliere procedure kunnen de aspecten ten aanzien van artikel 8 van het EVRM aan de orde komen.

2.21. Nu nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het beroep met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb ongegrond verklaard.

2.22. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

2.23. Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep, geregistreerd onder nummer Awb 11/36236, ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer Awb 11/36240, af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Laman, in aanwezigheid van

mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2011.

de griffier de rechter

Tegen de uitspraak inzake het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Tegen de uitspraak in de bodemzaak kunnen partijen binnen een week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift, in aanvulling op de vereisten gesteld in artikel 6:5 van de Awb, één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan het eerste lid of tweede lid van artikel 85 van de Vw 2000.