Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7846

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
14-12-2011
Zaaknummer
09/758944-10 (dagvaarding I) en 09/655224-11 (dagvaarding II)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zie ook LJN BU7853 en BU7856. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in de kluis van het GWK in Delft. Gezien de wijze waarop de inbraak is gepleegd, moet deze grondig zijn voorbereid. Opvallend daarbij is dat de daders op zeer professionele wijze te werk zijn gegaan. Door de inbraak is voorts veel schade toegebracht aan de benadeelde, zowel als gevolg van het wegnemen door de daders van een aanzienlijk geldbedrag, als door de wijze waarop zij de kluis zijn binnengekomen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een deel van de opbrengst van de inbraak. Ten slotte heeft verdachte een stroomstootwapen voorhanden gehad. Gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/758944-10 (dagvaarding I) en 09/655224-11 (dagvaarding II)

Datum uitspraak: 14 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1],

geboren op [datum] 1973 te [plaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Rijnmond", Huis van Bewaring

De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 mei 2011, 16 augustus 2011, 9 november 2011 en 28 tot en met 30 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.M. Robert en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. D. Wolters, advocaat te Hoofddorp, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 oktober 2010

tot en met 11 oktober 2010 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening

in/uit het Grenswisselkantoor een kluis heeft weggenomen een of meer

geldbedragen (met in totaal een waarde van 325.307,52 euro), in elk geval enig

goed, geheel of ten dele toebehorende aan het Grenswisselkantoor gelegen aan

de [adres]te Delft, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of

verbreking, te weten door het boren en/of aanbrengen van een of meer gaten in

de wand van de kluis en/of de muur achter de kluis en/of de muren van een of

meer ruimtes achter de kluis;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 09 oktober 2010

tot en met 9 februari 2011 te Delft en/of Rotterdam en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

voorwerp, te weten een deel van de tussen 9 en 11 oktober 2010 gestolen

kluisinhoud van het Grenswisselkantoor gelegen aan de [adres]

te Delft (welke kluisinhoud in totaal een waarde had van ongeveer 325.307,52

euro), althans een of meer geldbedragen en/of huisraad, althans een of meer

goederen, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of

omgezet, althans van een voorwerp, te weten geldbedragen, gebruik heeft

gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding II

hij op of omstreeks 29 oktober 2010 te Delft (een) wapen(s) van categorie II

onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot

personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht,

voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Dagvaarding I

3.1.1 Inleiding 1*

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten en omstandigheden hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt van de hieronder geformuleerde bewijsvragen.

Tussen zaterdag 9 oktober 2010 17.30 uur en maandag 11 oktober 2010, 07.45 uur is er uit de kluis van de bank GWK Travelex, gevestigd bij het NS Station te Delft aan de [adres]geld weggenomen. Een werkneemster heeft de politie gewaarschuwd en heeft aangifte gedaan, nadat zij bij opening van de kluis op maandagmorgen heeft vastgesteld, dat er achter in de kluis een gat is gemaakt en in de kluis aanwezige kasten zijn opengemaakt.2* Er blijkt een bedrag van € 325.307,52 te zijn weggenomen.3* Vanuit een loze ruimte aan de achterzijde van het gebouw waarin GWK Travelex is gevestigd, aan welke zijde ook de kluis was gelegen, is in de circa 66 cm dikke buitenmuur van de kluis een gat gemaakt van 43 cm x 43 cm.4 Deze loze ruimte is te bereiken, zowel via een luik in de vloer van een kleine dienstruimte bij de toiletten op het hoger gelegen perron, als via een zogenaamde spanningsruimte. De deur van de dienstruimte bij de toiletten bleek te zijn geforceerd. De spanningsruimte is vanaf de openbare weg te betreden en normaal gesproken afgesloten met een slot.5*

De politie heeft tijdens het onderzoek beelden verzameld, welke door middel van beveiligingscamera's zijn gemaakt in de periode van vrijdag 8 oktober 2010, 17.00 uur en maandag 11 oktober 2010, 08.00 uur. Op die beelden is te zien,6* dat drie mannen, gekleed in werkkleding met daaroverheen een reflecterend hesje en een witte veiligheidshelm, op zaterdag 9 oktober 2010 na sluiting van GWK Travelex om 17.32 uur zich begeven naar de deur van de genoemde spanningsruimte en daar kennelijk naar binnengaan. Een van de mannen verlaat de ruimte om 18.10 uur met een kruiwagen. Op de beelden van die nacht om 00.28 uur zijn drie mannen met hesjes te zien, die kennelijk uit de spanningsruimte komen. Ook de volgende ochtend blijken twee mannen zich om 11.18 uur met een kruiwagen naar de spanningsruimte te begeven, terwijl even later, om 11.23 uur deze twee mannen zich met een statief en een kruiwagen weer van die ruimte verwijderen. Later die middag omstreeks 15.22 uur is te zien7* hoe drie mannen met veiligheidshesje en helm, terwijl een van de mannen een huishoudtrapje bij zich draagt naar de spanningsruimte gaan om even later (15.28 uur) weer te vertrekken, zonder trapje. Door de politie is in de ruimte een trapje aangetroffen8*.

In de directe omgeving van het station en GWK Travelex worden al geruime tijd werkzaamheden verricht, samenhangend met de aanleg van een spoortunnel door Delft. Onderzoek heeft uitgewezen, dat er op zaterdag 9 oktober 2010 en zondag 10 oktober 2010 geen werkzaamheden zijn verricht aan dit project.9* Ook in de spanningsruimten zijn in die periode geen werkzaamheden uitgevoerd of zijn er storingen geweest.10* Op grond hiervan is de conclusie gerechtvaardigd, dat de drie op de beelden zichtbare mannen betrokken zijn bij de inbraak en de diefstal.

Gelet op het voorgaande ligt ten aanzien van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 de vraag voor of verdachte een van de drie op de beelden zichtbare mannen is.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte een van de drie als bouwvakkers verklede daders is geweest en een van de daders van de kluiskraak is. Zij baseert dit op de analyse van zijn telefoonverkeer, de afgeluisterde telefoongesprekken en de belastende verklaringen.

3.1.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde. Indien verdachte van dit feit zou worden vrijgesproken, dient tevens vrijspraak voor het onder 2 ten laste gelegde te volgen, nu uit het dossier niet kan volgen dat hij op enigerlei wijze de beschikking heeft gehad over van de kluiskraak in het GWK afkomstig geld. Verdachte heeft een concrete en verifieerbare en niet als volslagen onwaarschijnlijk ter zijde te stellen verklaring afgelegd.

3.1.4 De beoordeling van de tenlastelegging

3.1.4.1 Algemene bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat niet is voldaan aan de voor het opnemen van telecommunicatie vereiste verdenking van een misdrijf, als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarmee is volgens de raadsman sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek, wat dient te leiden tot uitsluiting van al het bewijs dat op grond van de in strijd met de wet gegeven bevelen is verkregen.

De rechtbank stelt voorop dat het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot het bevelen van opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel, als bedoeld in artikel 126m Sv, inhoudt dat die bevoegdheid aan de officier van justitie is verleend. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt. Het staat daarbij in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een verdenking als bedoeld in artikel 126m, eerste lid, Sv en of het onderzoek dringend vordert dat gegevensverkeer wordt opgenomen. Bij deze laatste toetsing spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan bovenstaande wettelijke voorwaarden is voldaan. Ten slotte staat aan de rechtbank de rechtmatigheid van de toepassing van de bevoegdheid ter beoordeling. In het onderhavige geval, waarin de rechter-commissaris tevoren een machtiging heeft verstrekt, gaat het om de beantwoording van de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen (HR 30 maart 2010, LJN BL2828).

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting van 29 november 2011 vast dat de officier van justitie op 30 oktober 2010 in een ander onderzoek tegen verdachte mondeling heeft gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging verleent voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie van verdachte, welke vordering op 2 november 2010 schriftelijk is bevestigd. In het bijbehorende proces-verbaal van aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie van 31 oktober 2010 is voorts gemotiveerd aangegeven op grond waarvan verdachte als verdachte van een misdrijf, als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, is aangemerkt. In dat proces-verbaal wordt onder meer gewezen op de als betrouwbaar aangemerkte C.I.E.-informatie omtrent de handel in verdovende middelen door verdachte en de aanwezigheid van een vuurwapen in zijn woning alsmede de in zijn woning aangetroffen schriftelijke bescheiden met namen, telefoonnummers en bedragen. Daarnaast is op 29 oktober 2010 tijdens een doorzoeking van de woning van verdachte een vuilniszak met henneptoppen aangetroffen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, betekent de omstandigheid dat verdachte op 30 oktober 2010 - naar zeggen van de officier van justitie om tactische redenen - is heengezonden, dan ook niet dat op dat moment geen verdenking jegens verdachte meer bestond. Het verweer van de raadsman faalt in zoverre. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de rechter commissaris onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid de gevorderde machtiging kunnen verlenen. Niet valt in te zien waarom de tapgesprekken die met het bevel van 30 oktober 2010 zijn verkregen niet voor het bewijs in de onderhavige zaak mogen worden gebruikt.

3.1.4.2 Is verdachte een van de drie op de beelden zichtbare mannen?

Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn er camerabeelden van de directe omgeving van het station verzameld, waarop drie mannen in werkkleding zijn te zien. Een compilatie van deze beelden is op 9 november 2010 getoond in een uitzending van TV West en op 23 november 2010 in het programma Opsporing Verzocht. De beelden zijn ook ter terechtzitting bekeken en de rechtbank heeft deze beelden ook betrokken bij haar beraadslagingen in raadkamer.

Een van de verbalisanten heeft verklaard, in een van de drie mannen verdachte te kunnen herkennen aan de hand van recente foto's van verdachte met de bewegende beelden. De raadsman heeft aangevoerd, dat deze herkenningen van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat deze onbetrouwbaar zijn.

De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam dient te worden omgegaan met herkenningen van camerabeelden en de bewijskracht daarvan, met name als het de enige bewijsmiddelen zijn die betrokkenheid van een verdachte bij het hem ten laste gelegde kunnen aantonen. In het algemeen kan echter niet worden gezegd dat het bewijs, waarbij een tot dan toe niet bekende verdachte van beelden wordt herkend, onbetrouwbaar is en niet (mede) als overtuigend bewijs kan worden aangemerkt. De rechtbank acht het op zich goed voorstelbaar dat iemand die goed bekend is met een persoon, deze persoon kan herkennen aan bijvoorbeeld bepaalde uiterlijke kenmerken, zoals de houding, de manier van lopen of het postuur. Wat er ook zij van de herkenning door verbalisant [verbalisant 1], aan een de herkenning van verdachte door familieleden hecht de rechtbank dan ook aanzienlijk meer waarde.

Verdachte's zuster, [A]heeft verklaard dat zij de beelden van de inbraak bij het GWK tijdens een uitzending van TV West had bekeken en dat zij [verdachte 1] heeft herkend.11* Hier gaat het om een herkenning door iemand die verdachte goed kent, welke reëel is en zonder druk en vrij spontaan tot stand gekomen is.

De rechtbank stelt vast, dat er een overtuigende herkenning is van verdachte als een van de drie mannen zichtbaar op de beelden.

3.1.4.3 Andere herkenningen

Behalve verdachte's zuster zijn er kennelijk meer mensen, die verdachte als een van de drie op de beelden zichtbare mannen herkent. In een telefoongesprek op 1 januari 2011 te 13.13 uur tussen verdachte en zijn broer [B] komt het volgende aan de orde:

[B]: (...) dingetje kwam langs, [C] weet je

[verdachte 1]: okee, [C]... [C]...

[B]: hij zegt.. ik heb het op televisie gezien zegt ie, weet je

[verdachte 1]: okee

[B]: ik zeg euh... weet ie ook de naam, hij zegt ja, ik zeg […] (fon) hij zegt ja, hij zegt, de stillen kwamen voor de deur langs weet je

[verdachte 1]: ja

[B]: toen die binnen kwam, hij zegt ze zaten te kijken naar binnen, zo dus.. hij zegt waar ik ook kom hoor ik het weet je

(...)

[B]: ik zeg, hebben anderen herkend, hij zegt nee nee, hij zegt het leken op Turken, dus dat was het weet je, ik dacht laat ik dat even zeggen

[verdachte 1]: dus alleen mij?

(...)

[B]: ja, hij dus omdat ie jou kent, laten we zeggen, weet je

[verdachte 1]: ja

(...)

[verdachte 1]: en hoe denken zij erover?

[B]: nou ja, euh, slim alleen hij zegt jammer dat je in die dinges hebt gekeken, weet je12*

Niet alleen verdachte, ook een medeverdachte, [verdachte 2] wordt op de beelden van 'Opsporing Verzocht' herkend. De ex-vriendin van deze medeverdachte heeft in haar verhoor als getuige tegenover de politie verklaard, dat zij, nadat zij had gehoord dat er op televisie beelden waren getoond, zelf ook naar die beelden heeft gekeken en op die beelden [verdachte 2] heeft herkend 13*.

3.1.4.4 Onderlinge contacten tussen verdachte en medeverdachte [verdachte 2]

Uit taps blijkt, dat verdachte vanuit Turkije, waar hij op dat moment verblijft, daags na de uitzending van Opsporing Verzocht om 8.59 uur, 9.00 uur en 12.39 uur contact probeerde te zoeken met [verdachte 2].14* Ook zijn broer [B]probeert die dag om 10.19 uur [verdachte 2] te bereiken 15* maar deze is onbereikbaar. Na een uitzending van Opsporing Verzocht op 18 december 2010, waarin is bekend gemaakt dat er meer dan 25 tips zijn binnengekomen, probeert verdachte opnieuw telefonisch met [verdachte 2] in contact te treden 16*.

3.1.4.5 Forensisch bewijs?

De rechtbank moet vaststellen, dat forensisch onderzoek geen sporen heeft opgeleverd, die aan verdachte kunnen worden gerelateerd. Ook moet worden vastgesteld, dat een aantal vragen onbeantwoord is gebleven, met name de vraag of de daders zich aanvankelijk via de spanningsruimte toegang hebben verschaft tot de loze ruimte achter de kluis. In elk relaas bij de achtereenvolgende processen-verbaal wordt daar weliswaar steeds van uitgegaan maar in het proces-verbaal van sporenonderzoek wordt aangenomen, dat de loze ruimte is bereikt na het forceren van een deur van de dienstruimte bij de toiletten op het perron en vervolgens via een luik in de vloer van die dienstruimte 17*. De loze ruimte zou via de spanningsruimte weer zijn verlaten. Hoewel duidelijk is uit de camerabeelden met de drie mannen, dat de spanningsruimte door hen als toegang wordt gebruikt, valt niet uit te sluiten, dat de betreffende buitendeur van de spanningsruimte van binnenuit is geforceerd. Op een van de foto's bij het proces-verbaal van sporenonderzoek is bovendien te zien dat het slot van de deur aan de binnenzijde is beschadigd. Het dossier biedt geen inzicht in de vraag hoe die zichtbare schade kan zijn ontstaan en of het slot nog functioneerde toen de inbraak werd ontdekt. Aldus staat naar het oordeel van de rechtbank zelfs niet vast of er een sleutel is gebruikt voor het realiseren van de kluiskraak. Ook andere sporen geven geen uitsluitsel over het mogelijke aandeel van verdachte.

3.1.4.6 Historische verkeersgegevens telefoon verdachte

Bij binnentreding op 29 oktober 2010 in de woning van verdachte in een ander onderzoek is onder meer een Samsung mobiele telefoon 18* met het imeinummer [imeinummer] met het telefoonnummer 06-[nummer] aangetroffen. Voorts beschikte verdachte over een Nokia 97 met als nummer 06-[nummer]

Uit de historische verkeersgegevens is gebleken, dat verdachte medeverdachte [verdachte 2] in de maand oktober 2010 ruim 30 maal heeft gebeld 21* Ook op 9 oktober 2010 om 16.41 uur hebben zij gedurende 8 seconden telefonisch contact 22*. Daarna worden hun telefoons uitgeschakeld. Nadat verdachte zijn Nokia telefoon op 10 oktober 2010 om 01.27 uur weer inschakelt probeert hij contact te leggen met de telefoon van medeverdachte [verdachte 2]. Op zondag 10 oktober 2010 zijn er over en weer enkele korte contacten tussen verdachte en [verdachte 2] om 10.25 uur, 10.29 uur, 10.42 uur, 10.43 uur, 10.54 uur, 10.56 uur, 10.57 uur en 16.12 uur. 23*

Eerst op 24 november poogt verdachte opnieuw contact te leggen met [verdachte 2]

Voorts blijkt uit de historische gegevens, dat de Samsung telefoon van verdachte op:

- 9 oktober 2010 te 19.17.09, 19.17.08, 19.45.26, 19.53.13, 19.55.52, 23.02.03, 23.04.54 en 23.05.47 uur gebruik maakte van het basisstation 12169, 24* welke bereik heeft in [verdachte 2]spanningsruimte;25*

- 9 oktober 2010 te 23.49.34 en 23.54.48 uur gebruik maakte van het basisstation 49743, 26* welke bereik heeft in de kluisruimte en [verdachte 2]spanningsruimte;27*

- 10 oktober 2010 te 10.54.04, 10.54.50, 10.56.36 en 10.57.49 uur uitbelde naar de telefoon van medeverdachte [verdachte 2] en hierbij wederom gebruik maakte van het basisstation 49743.28*

De rechtbank stelt vast dat bovenstaande historische verkeersgegeven de in de inleiding omschreven verplaatsingen van de mannen op de camerabeelden ondersteunen.

3.1.4.7 Gesprek over eventuele te verwachten straffen

Op 2 januari 2011 te 10.33 uur vond het volgende gesprek plaats tussen verdachte (telefoonnummer [nummer]) en zijn broer [B] (telefoonnummer [nummer]):

[B]: Als ik jou was, dan zou ik effe goed nadenken... Als ik jou was en ik was gekomen [verdachte 1], dan had ik zoiets van euhh... en laten we zeggen dat ik m'n bagage minstens twee, drie jaar moet meedragen zeg maar weet je...

[verdachte 1]: Ja...

[B]: Met die dinges komen in ieder geval... en of ik dan alles wil achterlaten voor die euhh... ik moet zeggen29* dat... nou... ik persoonlijk niet zou komen.

(...)

[verdachte 1]: Van de andere kant... misschien...hooguit...euhh...laten we zeggen... 12 maanden of 15 maanden... weet je... en dan euhh...

[B]: Ja...

[verdachte 1]: Laatste vier, vijf maanden open...open euh...

[B]: Ja oké, ik begrijp het. Maar dan nog zou ik effe euhh...wachten...op wat zeggen ze over die anderen enzo weet je...

[verdachte 1]: Ja ja ja...

[B]: Jij moet het weten hoor, maar ja... ik zou dat niet achter me laten.

[verdachte 1]: Dat is ook zo, maar... ja maar kijk eens... gewoon puur... puur technisch gezien [B]... technische kant is dat uhhh... er is geen gevecht euhh...geen wapen niets, begrijp je?

[B]: ja

[verdachte 1]: Dus technisch vooral...daar kunnen ze gewoon niet omheen.30*

De inhoud van dit tapgesprek en het gegeven dat er tijdens de inbraak bij het GWK geen gevecht of wapens zijn gebruikt zouden er op kunnen duiden dat verdachte en zijn broer spreken over de betrokkenheid van verdachte en de eventuele te verwachten strafduur.

3.1.4.8 Buitenlandse valuta

Bij de kluiskraak zijn, zo blijkt uit de gegevens van GWL Travelex, verschillende buitenlandse valuta weggenomen, waaronder Amerikaanse dollars, Canadese dollars, Zwitserse franks en Zuid-Koreaanse won's.31* Voorts is gebleken is dat Zuid-Koreaanse won's in Nederland uitsluitend door GWK Travelex kantoren worden verkocht en ingekocht.32*

Onder verdachte zijn twee Amerikaanse dollarbiljetten van 1 dollar in beslag genomen.33*

Verdachtes zuster heeft verklaard dat verdachte haar in november 2010 had gevraagd om een stapeltje met buitenlandse valuta - waaronder Canadese dollars, Amerikaanse dollars, Koreaanse won's en Zwitsers geld te bewaren. Ze schatte dat het om 10 à 15 verschillende valuta's ging.34* Ze kon wel raden dat het geld was dat hij uit het GWK-kantoor had gestolen. Ze heeft het geld voor hem bewaard, maar uiteindelijk bij haar vriendin [D] neergelegd. Later heeft zij telefonisch een gesprek gehad met deze vriendin over de Canadese dollars die van [verdachte 1] waren. [verdachte 1] had [A]namelijk laten weten dat de Canadese dollars die hij in bewaring had gegeven, weg waren.35*

[D] heeft verklaard dat verdachtes zuster tegen haar had gezegd dat verdachte 'het in Delft had gepleegd' en dat verdachte heel veel geld bij de inbraak had gemaakt. Voorts heeft zij verklaard dat zij in de week voor het verhoor op 9 februari 2011 een stapel bankbiljetten van 5 euro en bankbiljetten 'van een ander land' van [A]had gekregen. De 5 eurobiljetten diende zij om te wisselen op de Haagse markt. Eind januari 2011 ontving zij 2 bankbiljetten van 50.000 Koreaanse won van verdachtes zuster.36*

Weliswaar heeft [D] bij de rechter-commissaris verklaard, dat zij zich niet kan herinneren, dat verdachtes zuster iets had gezegd over een inbraak in Delft en dat zij dacht dat het geld van verdachtes zuster was maar de getuige heeft bij de politie zeer gedetailleerd verklaard en daarom acht de rechtbank haar laatste verklaring bij de rechter-commissaris niet geloofwaardig

De verklaring van verdachte dat hij regelmatig verslaafden en zwervers hielp in ruil waarvoor hij buitenlandse valuta's ontving acht de rechtbank niet aannemelijk, mede gelet op de - hiervoor aangehaalde - verklaring van [A]dat ze 10 à 15 verschillende valuta's van verdachte had ontvangen.

3.1.4.9 Ander bewijs

Zoals hiervoor onder 3.1.1 overwogen, is er bij de inbraak een aanzienlijk bedrag weggenomen. Verdachte beschikt kort na 9 en 10 oktober 2010 kennelijk over aanzienlijke middelen. Bij doorzoeking in de woning van verdachte zijn bonnen aangetroffen inzake de aankoop van goederen tot een bedrag van € 4.285,17, alle in de periode van 19 oktober 2010 tot 8 november 201037. Dit gaat niet om spectaculaire uitgaven maar ze kunnen niet worden verklaard uit de reguliere inkomsten (een WAJONG-uitkering) van verdachte. Zijn verklaring dat het gaat om gelden, die hij heeft gespaard tijdens de periode dat hij TBS-gestelde was, heeft hij niet met stukken kunnen onderbouwen.

Voorts beschikte verdachte in november 2010 over een aanzienlijk contant geldbedrag van € 6.500,-, zo heeft zijn broer [B] verklaard. Hij heeft daarvan € 4.000,- overgeboekt naar een rekening in Turkije, het restant heeft hij in januari 2011 meegegeven aan medeverdachte [medeverdachte] 38*.

Hiervoor zijn de buitenlandse valuta al aan de orde geweest. Tenslotte dient nog te worden gewezen op een tapgesprek tussen verdachte en zijn broer [B]op 18 januari 2011, waarin verdachte zegt, dat hij 11.000 heeft betaald voor een stuk grond 39*. Ter zitting heeft verdachte geen aannemelijke alternatieve uitleg kunnen geven over de herkomst van dit geld.

3.1.4.10 Conclusie

Het vorenstaande overziende kan worden vastgesteld, dat verdachte en zijn medeverdachte [verdachte 2], beiden door goede bekenden op de camerabeelden van de drie mannen worden herkend. Dat verdachte en zijn medeverdachte twee van de drie mannen zijn wordt ondersteund door het feit, dat zij elkaar kenden en ook regelmatig telefonisch contact hadden en dat na 10 oktober 2010 geen telefonische contacten meer kunnen worden vastgesteld. Eerst na vertoning van de beelden bij Opsporing Verzocht zoekt verdachte weer contact met de medeverdachte, die zich onbereikbaar houdt. Voorts beschikte verdachte in de periode na 10 oktober 2010 over aanzienlijke geldbedragen, die niet kunnen worden verklaard.

Ondanks het ontbreken van rechtstreeks, bijvoorbeeld forensisch, bewijs komt de rechtbank op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen tot de slotsom, dat verdachte een van de drie mannen is die op de beelden zichtbaar zijn en die, zoals geconcludeerd onder 3.1.1, betrokken zijn bij de kluiskraak.

Voornoemde bewijsmiddelen in samenhang bezien acht de rechtbank het bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

3.2 Dagvaarding II

Op 29 oktober 2010 is er tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte aan de [adres] een stroomstootwapen aangetroffen.40* Verdachte heeft verklaard dat hij het stroomstootwapen van een vriend had gekregen.41*

Gelet op het aantreffen van het stroomstootwapen in de woning van verdachte en de verklaring van verdachte dat het wapen van hem is, acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen.

3.35 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart - zulks met verbetering van in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - bewezen dat:

Dagvaarding I

1.

hij in de periode van 09 oktober 2010 tot en met 11 oktober 2010 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een kluis heeft weggenomen geldbedragen (met in totaal een waarde van 325.307,52 euro), toebehorende aan het Grenswisselkantoor gelegen aan de [adres]te Delft, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door middel van braak door het aanbrengen van een gat in de wand van de kluis;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 09 oktober 2010 tot en met 9 februari 2011 te Delft en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, een deel van de tussen 9 en 11 oktober 2010 gestolen

kluisinhoud van het Grenswisselkantoor gelegen aan de [adres]te Delft (welke kluisinhoud in totaal een waarde had van ongeveer 325.307,52 euro), voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven

voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Dagvaarding II

hij op 29 oktober 2010 te Delft een wapen van categorie II onder 5°, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de bij dagvaarding I onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten primair verzocht om vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging in geval van gehele of gedeeltelijke bewezenverklaring verzocht om oplegging van een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest. Indien de rechtbank van oordeel is dat een bijkomende straf gerechtvaardigd is, heeft de verdediging verzocht om oplegging van een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

In het geval dat verdachte wordt vrijgesproken van de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten, heeft de verdediging ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit verzocht om toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe wordt aangevoerd dat de straf die doorgaans wordt opgelegd voor het bezit van een stroomstootwapen zeer gering is en dat verdachte ten gevolge van zijn detentie al meer dan genoeg gestraft is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij neemt de rechtbank het navolgende in overweging. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in de kluis van het GWK in Delft. Gezien de wijze waarop de inbraak is gepleegd, moet deze grondig zijn voorbereid. Opvallend daarbij is dat de daders op zeer professionele wijze te werk zijn gegaan. Door de inbraak is voorts veel schade toegebracht aan de benadeelde, zowel als gevolg van het wegnemen door de daders van een aanzienlijk geldbedrag, als door de wijze waarop zij de kluis zijn binnengekomen. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is dan ook geen sprake van een reguliere bedrijfsinbraak.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een deel van de opbrengst van de inbraak, waardoor die opbrengst aan het zicht van justitie en politie werd onttrokken en waarmee is getracht aan het geld een schijnbaar legale herkomst te verschaffen. Witwassen is een ernstig misdrijf omdat daardoor schade wordt toegebracht aan de integriteit van het economische en financiële verkeer.

Ten slotte heeft verdachte een stroomstootwapen voorhanden gehad.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 februari 2011 talrijke malen is veroordeeld wegens het plegen van vermogensdelicten, waarvoor hem deels langdurige gevangenisstraffen zijn opgelegd. Ook is aan verdachte in 1995 de maatregel van tbs opgelegd. Verdachte heeft zich van dit alles kennelijk niet veel aangetrokken.

In het voordeel van verdachte laat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf evenwel zwaar meewegen dat bij de inbraak in de kluis en de diefstal van het geld geen enkel geweld tegen personen is gebruikt.

Dit alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een lagere dient te worden opgelegd dan de officier van justitie heeft gevorderd en zij acht een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden een passende reactie op de door verdachte gepleegde feiten.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[E], heeft zich als gemachtigde van de benadeelde partij [F] (GWK Travelex N.V.) gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot

€ 330.483,33. Blijkens een handelsregister van de Kamers van Koophandel is gebleken dat [F] een van de bestuurders van GWK Travelex N.V. is.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft zij gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot hoofdelijke betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 165.241,66 subsidiair 365 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F] (GWK Travelex).

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd, dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien verdachte behoort te worden vrijgesproken. Als subsidiair standpunt is aangevoerd, dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal de vordering van € 330.483,33, dan ook hoofdelijk toewijzen.

Dit brengt mee, dat de verdachte hoofdelijk dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan daarnaast verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 165.241,66 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F] (GWK Travelex N.V.).

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage C aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerpen (twee Amerikaanse dollars) zullen worden verbeurdverklaard en dat de onder 10 en 11 genummerde voorwerpen (een slot en een sleutelbos met drie sleutels) zullen worden teruggegeven aan verdachte.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien bewezen wordt verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van het geldbedrag, de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder 1 genummerde voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan, dan wel dienen te worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Nu het belang van strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van de op de beslaglijst onder 10 en 11 genummerde voorwerpen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 47, 57, 311, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding I onder 1 en 2 en bij dagvaarding II tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

Dagvaarding I

ten aanzien van feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak

ten aanzien van feit 2:

witwassen

Dagvaarding II

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [F] (GWK Travelex), een bedrag van € 330.483,33, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 165.241,66 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [F] (GWK Travelex);

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 365 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 10 en 11 genummerde voorwerpen, te weten: 1 slot en 1 sleutelbos (met 3 sleutels);

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerpen, te weten: 2 Amerikaanse dollars.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Poustochkine, voorzitter,

mrs. Frenkel en Van Seventer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Glansbeek, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 december 2011.

Mr. Glansbeek is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's 1 tot en met 2941van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer 2010 208068, betreffende het onderzoek 15Delft100 van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen.

2* Proces-verbaal aangifte van 11 oktober 2010 door […], p. 75.

3* Proces-verbaal van verhoor benadeelde van 11 oktober 2010, p. 85.

4* Proces-verbaal sporenonderzoek van 4 mei 2011, p. 1809.

5* Idem, p. 1809 en 1810.

6* Proces-verbaal van bevindingen van 19 oktober 2010, p. 97 en 98.

7* Idem, p. 99

8* Proces-verbaal van bevindingen van 24 maart 2011, p.1030.

9* Proces-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2010, p. 110

10* Proces-verbaal van bevindingen van 25 oktober 2010, p. 111.

11* Proces-verbaal verhoor verdachte [A], p. 654.

12* Proces-verbaal van bevindingen, p. 497.

13* Proces-verbaal van verhoor getuige van 17 februari 2011, bladzijde 796, bovenaan.

14* Proces-verbaal van bevindingen afgeluisterde gesprekken, p. 399.

15* Proces-verbaal van bevindingen afgeluisterde gesprekken, p 399

16* Proces-verbaal van bevindingenafgeluisterde gesprekken, p 401

17* Proces-verbaal van sporenonderzoek, p 1808, p 1809 bovenaan.

18* Proces-verbaal met nummer 20102211353 (15Delft101) van binnentreden woning van de politie Haaglanden, p. 28.

19* Proces-verbaal aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie (tap), nr. 2010221353, als bijlage gevoegd bij proces-verbaal met nummer 20102211353, d.d. 31 oktober 2010, p. 3.

20* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p. 1687.

21* Proces-verbaal van bevindingen p 1728.

22* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p 1688.

23* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p 1690 en 1692 en proces-verbaal van bevindingen, p 1802 en volgende.

24* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p. 1689.

25* Proces-verbaal van bevindingen, p. 1805.

26* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p. 1690.

27* Proces-verbaal van bevindingen, p. 1805.

28* Proces-verbaal historische verkeersgegevens, p. 1692.

29* Proces-verbaal van bevindingen, p. 502.

30* Proces-verbaal van bevindingen, p. 402 en 503.

31* Proces-verbaal verhoor benadeelde […], p. 91.

32* Proces-verbaal van bevindingen, p. 1043.

33* Proces-verbaal kennisgeving van inbeslagneming, p. 1630.

34* Proces-verbaal verhoor verdachte [A], p. 686-687.

35* Proces-verbaal verhoor verdachte [A], p. 656 en proces-verbaal van bevindingen, p. 436.

36* Proces-verbaal verhoor verdachte [D], p. 659

37* Proces-verbaal financiële recherche unit inzake van 19 april 2011, p 13 en bijlage 12

38* Proces-verbaal van verhoor verdachte [B], p 2453

39* Proces-verbaal van bevindingen, p. 404 en 519 en bijlag 13 bij proces-verbaal financiële rechterche unit van 19 april 2011.

40* Proces-verbaal met nummer 20102211353 (15Delft101) van bevindingen, p. 26

41* Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 28 november 2011