Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7751

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
11/33727
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenzaak. Arbeidsmarktaantekening. Namens de Minister voor Immigratie en Asiel is verklaard dat, indien sprake is van een kansrijke aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, het niet ongebruikelijk is dat in het paspoort van de vreemdeling de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist" wordt geplaatst. De aanvraag van de vreemdeling is kansrijk. Gelet hierop slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Omdat het bezwaar van de vreemdeling een redelijke kans van slagen heeft en op grond van een belangenafweging wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. De voorzieningenrechter draagt verweerder op in het paspoort van de vreemdeling de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunnig niet vereist" te plaatsen, geldig tot één jaar na de datum van indiening van de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/33727, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam verzoeker], verzoeker,

gemachtigde: mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.M. de Wit, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 13 oktober 2011 heeft verweerder in het paspoort van verzoeker de arbeidsmarktaantekening "arbeid niet toegestaan" geplaatst, geldig tot 13 januari 2012.

Tegen deze handeling heeft verzoeker bij faxbericht van 18 oktober 2011 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 18 oktober 2011 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

De zaak is op 21 november 2011 ter zitting behandeld.

Verzoeker is ter zitting verschenen bij gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

2.1.3. Ingevolge artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt voor de toepassing van deze afdeling met een beschikking tevens gelijkgesteld een handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van een vreemdeling als zodanig.

2.2. het standpunt van verweerder

Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is, omdat het plaatsen van een arbeidsmarktaantekening geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb en ook geen handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Voor zover wel sprake is van een dergelijke handeling, komt verzoeker niet in aanmerking voor de door hem gewenste arbeidsmarktaantekening. Verzoeker heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen het besluit van 6 juni 2011 tot intrekking van zijn verblijfsvergunning. De aanvraag van 20 juli 2011 tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, onder wijziging van de beperking, is niet tijdig ingediend en geeft geen recht op de door verzoeker gewenste arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist".

2.3. de gronden van het verzoek

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het plaatsen van een arbeidsmarktaantekening een handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. Verzoeker meent dat ten onrechte de arbeidsmarktaantekening "arbeid niet toegestaan" in zijn paspoort is geplaatst. Deze handelwijze is in strijd met artikel 13 van het Besluit 1/80. Verzoeker heeft een nieuwe aanvraag ingediend en hij voldoet gelet op de duur van zijn verbroken huwelijk aan alle voorwaarden voor verlening van de aangevraagde verblijfsvergunning. Verzoeker stelt dat in vergelijkbare gevallen de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist" wordt verstrekt.

2.4. het oordeel van de voorzieningenrechter

2.4.1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt verweerder niet bij het nemen van een beslissing op het bezwaar van verzoeker.

2.4.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat hij met de gewenste arbeidsmarktaantekening zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever - in ieder geval voorlopig - kan hervatten of voortzetten.

2.4.3. De voorzieningenrechter is met partijen van oordeel dat het plaatsen van een arbeidsmarktaantekening in een paspoort geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Met verzoeker en in navolging van onder meer de uitspraak van 9 mei 2011 van de rechtbank 's-Gravenhage (LJN BQ8294) en de uitspraak 11 mei 2011 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam (JV 2011/302), is de voorzieningenrechter van oordeel dat het plaatsen van een sticker in het paspoort met daarop de vermelding dat arbeid niet is toegestaan een handeling is in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vw 2000.

2.4.4. Verzoeker is van begin 2003 tot 6 juni 2011 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel "verblijf bij echtgenote [naam X] Bij besluit van 6 juni 2011 heeft verweerder de verblijfsvergunning ingetrokken omdat niet langer wordt voldaan aan de beperking waaronder deze is verleend. Op 20 juli 2011 heeft verzoeker een aanvraag gedaan tot verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning, onder wijziging van de beperking in "arbeid in loondienst".

Verweerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat, indien na intrekking van een verblijfsvergunning regulier wordt verzocht om een nieuwe verblijfsvergunning en deze aanvraag kansrijk is, het niet ongebruikelijk is dat in afwachting van de beslissing op die aanvraag een verblijfssticker in het paspoort wordt geplaatst met daarop de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist".

Verzoeker betoogt gemotiveerd dat zijn aanvraag van 20 juli 2011 voor inwilliging vatbaar is. Verweerder heeft ter zitting weliswaar naar voren gebracht dat verzoekers aanvraag gezien de geplaatste arbeidsmarktaantekening niet kansrijk wordt geacht, maar verweerder heeft geen enkel inhoudelijk argument ingebracht tegen het betoog van verzoeker over de inwilligbaarheid van de aanvraag van 20 juli 2011. Ook de voorzieningenrechter acht deze aanvraag kansrijk. De stelling van verweerder dat de aanvraag van 20 juli 2011 niet tijdig is ingediend kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Uit paragraaf B1/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 onder het kopje "niet-tijdig, maar binnen de redelijke termijn" volgt dat de aanvraag van 20 juli 2011 van verzoeker moet worden beoordeeld als een aanvraag om voortgezet verblijf.

2.4.5. Omdat de aanvraag van 20 juli 2011 van verzoeker kansrijk is en het niet ongebruikelijk is dat in geval van een kansrijke aanvraag de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist" in het paspoort wordt geplaatst, slaagt verzoekers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het bezwaar van verzoeker heeft dan ook een redelijke kans van slagen. Gelet hierop en bij afweging van de betrokken belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de door verzoeker gevraagde voorlopige voorziening te treffen. Ervan uitgaande dat verzoekers aanvraag van 20 juli 2011 wordt ingewilligd en dat de aan hem te verlenen verblijfsvergunning tenminste één jaar na de aanvraagdatum geldig zal zijn, zal de voorzieningenrechter bepalen dat de door verzoeker gewenste arbeidsmarktaantekening geldig is tot 20 juli 2012. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat er geen reden is om te veronderstellen dat zich voor 20 juli 2012 een in artikel 8:85, tweede lid, van de Awb genoemde situatie zal voordoen.

2.4.6. Omdat het verzoek wordt toegewezen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 aan hem vergoedt.

Tevens ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van deze wet, te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor de indiening van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoeker nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.7. Gezien het vorenstaande beslist de voorzieningenrechter als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- draagt verweerder op in het paspoort van verzoeker de arbeidsmarktaantekening "arbeid vrij toegestaan, tewerkstellingsvergunning niet vereist" te plaatsen, geldig tot 20 juli 2012;

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 152 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan verzoeker.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.