Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7736

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
960704 \ RL EXPL 10-14409
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim; vordering gebaseerd op Verordening (EU) nr. 261/2004; financiële compensatie in het geval van langdurige vertraging van een vlucht. Verval van de vordering.

Bekrachtiging proceshandelingen van een minderjarige na diens meerderjarig worden.

De vordering van de passagiers is vervallen, want niet binnen de in artikel 8:1835 BW gestelde termijn - van twee jaar te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van (de geplande) aankomst op de bestemming - ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/20
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

AmO

Rolnummer: 960704 \ RL EXPL 10-14409

9 augustus 2011

Vonnis in de zaak van:

1. [eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiser sub 2]

wonende te [woonplaats],

3. [eiser sub 3]

wonende te [woonplaats],

4. [eiser sub 4]

wonende te [woonplaats],

5. [eiser sub 5]

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

hierna gezamenlijk aan te duiden als: "de passagiers",

gemachtigde: mr. A.C. van Schaick,

tegen

de besloten vennootschap TUI Airlines Nederland B.V.,

mede handelend onder de naam ArkeFly,

gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,

gedaagde partij,

gemachtigden: mrs. R.L.S.M. Pessers, A.K. Sjouw en M. Lustenhouwer,

hierna aan te duiden als "ArkeFly".

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken:

- het exploot van dagvaarding van 10 mei 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de incidentele conclusie tot aanhouding tot na wijzen arrest Hof van Justitie Europese Unie, met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident, met producties;

- de rolbeslissing van 28 oktober 2010, waarbij het verzoek tot aanhouding van ArkeFly - in verband met de (voorgenomen) voorlegging van nadere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie door andere rechters - is afgewezen;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de brief van 3 maart 2011 van de zijde van ArkeFly, houdende een verzoek tot pleidooi;

- de brief van de griffier aan partijen van 15 juli 2011, waarin wordt meegedeeld dat op hun eenparige verzoek - door ArkeFly verwoord bij brief van 12 juli 2011 - het op 20 juli 2011 geplande pleidooi schriftelijk zal worden gehouden;

- de pleitaantekeningen van de zijde van de passagiers, tevens houdende een reactie op de pleitnotities van ArkeFly;

- de pleitnotities en de aanvullende pleitnotities van de zijde van ArkeFly, mede bevattende een reactie op de pleitnota van de passagiers.

2. Feiten

2.1 ArkeFly is een chartermaatschappij. Zij sluit geen luchtvervoerovereenkomsten rechtstreeks met passagiers, maar uitsluitend met touroperators.

2.2 De passagiers hebben via een touroperator een reis geboekt naar Curaçao. Het gezelschap zou door ArkeFly op 24 december 2007 van Amsterdam Schiphol Airport naar Curaçao en op 8 januari 2008 weer terug naar Amsterdam vervoerd worden.

2.3 De heen- en de terugvlucht zijn met een vertraging van meer dan tien uur uitgevoerd. Eiser sub 1 is om zakelijke redenen met een andere dan de geboekte vlucht naar Nederland teruggereisd.

3. Vordering

3.1 De passagiers vorderen gezamenlijk dat ArkeFly bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 5.400,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en met veroordeling van ArkeFly in de proceskosten.

3.2 Naast de hiervoor vermelde feiten wordt de vordering - zakelijk weergegeven - gegrond op de volgende stellingen. De geboekte vluchten zijn uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat daardoor aanspraak bestaat op compensatie op de voet van artikel 7 van de in deze toepasselijke EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening). Verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie, hierna aan te duiden als: HvJ EU), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714, welke uitspraak hierna zal worden aangeduid als: Sturgeon-arrest.

De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval € 600,- voor eiser sub 1 en € 1.200,- voor de overige passagiers. ArkeFly heeft de verschuldigde vergoeding ondanks sommatie niet willen voldoen. ArkeFly dient de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en vertragingsrente te vergoeden.

4. Verweer

4.1. ArkeFly heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de passagiers in hun vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van de passagiers in de proceskosten. Ten aanzien van eiser sub 5, verder te noemen: [M.], beroept ArkeFly zich erop dat hij als minderjarige niet op eigen naam als eiser heeft kunnen optreden en dat zijn ouders niet over de benodigde machtiging van de kantonrechter beschikten om voor hem de procedure te beginnen.

Verder beroept ArkeFly zich onder meer op verval van de gepretendeerde vordering, nu deze niet is ingesteld binnen de in artikel 35 van het Verdrag van Montreal, althans artikel 8: 1835 BW, gestelde termijn.

5. Beoordeling

niet-ontvankelijkheid minderjarige

5.1 De kantonrechter zal allereerst het verweer van ArkeFly bespreken dat erop neerkomt dat [M.] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij minderjarig was ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding.

5.2 Terecht voert ArkeFly aan dat minderjarigen niet bevoegd zijn als procespartij op te treden; zij dienen in de procedure te worden vertegenwoordigd door een wettelijke vertegenwoordiger die voor een optreden ten behoeve van de minderjarige als eisende partij machtiging behoeft van de kantonrechter. Verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 1:253k in verbinding met artikel 1:349 BW.

5.3 [M.] is geboren op [1992]. Dit betekent dat hij minderjarig was toen de dagvaarding werd uitgebracht. Niet zijn ouder(s) als zijn vertegenwoordiger(s), maar hijzelf is opgetreden als eisende partij. In beginsel staat dit aan zijn ontvankelijkheid in de weg.

5.4 De omstandigheid dat - zoals hier het geval is - een minderjarige in de loop van de procedure meerderjarig wordt, maakt op zichzelf niet dat zo'n gebrek wordt geheeld. Dit is alleen dan anders in het geval de door de onbevoegde verrichte en dus nietige proceshandelingen (zoals het uitbrengen van de dagvaarding) na het meerderjarig worden door hem worden bekrachtigd. Na zo'n bekrachtiging wordt de proceshandeling geacht vanaf de aanvang geldig te zijn geweest. Dit is bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad.

5.5 In deze zaak is de conclusie van repliek genomen nadat [M.] meerderjarig is geworden. Het in die conclusie gestelde kan worden aangemerkt als een bekrachtiging van de nietige proceshandelingen. Dit betekent dat de door [M.] uitgebrachte dagvaarding geldig is, zodat het hier besproken verweer van ArkeFly moet worden verworpen.

vervaltermijn

5.6 Het beroep van ArkeFly op de vervaltermijn treft echter wel doel. De navolgende overwegingen leiden tot die conclusie.

5.7 Het luchtvaartrecht wordt beheerst door diverse verdragen, in het bijzonder door het Verdrag van Montreal. Materie die niet geregeld wordt door deze verdragen, wordt beheerst door het nationale recht.

5.8 Anders dan ArkeFly tot uitgangspunt neemt, is op de onderhavige zaak niet het Verdrag van Montreal van toepassing. Dit blijkt uit hetgeen is overwogen en beslist in het Sturgeon-arrest, gelezen tegen de achtergrond van eerdere jurisprudentie van het HvJ EU. Daaruit blijkt dat naar het oordeel van het HvJ EU het Verdrag van Montreal ziet op de voorwaarden voor het instellen van een vordering tot vergoeding van individuele schade die het gevolg is van een vertraging. De Verordening daarentegen, strekt er naar 's hofs oordeel toe onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie te bieden voor identieke schade die (voor wat het hier gevorderde betreft) bestaat uit het geleden tijdsverlies op zichzélf. De twee regelingen bestaan volgens het HvJ EU naast elkaar.

5.9 Of de vordering van de passagiers is vervallen kan dus niet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van het Verdrag van Montreal. In zoverre komt de kantonrechter hiermee terug op het standpunt ingenomen vóór het Sturgeon-arrest.

5.10 Er dient te worden teruggevallen op het nationale recht; op de regeling van afdeling 13 van de 20ste titel van boek 8 BW om precies te zijn, aangezien het hier gaat om een vordering terzake van een overeenkomst van luchtvervoer. In zo'n geval geldt een vervaltermijn van twee jaar, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van (de geplande) aankomst op de bestemming. Dit volgt uit artikel 8:1835 BW. Aan de algemene verjaringstermijn van boek 3 BW wordt dan niet toegekomen.

5.11 Waar de passagiers niet later dan op 9 januari 2008 weer naar Nederland zijn teruggekeerd, leidt het vooroverwogene tot de conclusie dat hun vorderingen al waren vervallen toen op 10 mei 2010 de dagvaarding in deze zaak werd uitgebracht. De passagiers kunnen daarom niet in hun vordering worden ontvangen.

5.12 De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, met uitzondering van de kosten gemoeid met het door ArkeFly opgeworpen "incident", die voor haar rekening zullen blijven. ArkeFly heeft die kosten immers nodeloos veroorzaakt.

Beslissing

De kantonrechter:

I. verklaart de passagiers niet-ontvankelijk in hun vordering;

II. veroordeelt ArkeFly in de kosten van het "incident", tot op heden aan de zijde van de passagiers begroot op € 125,- aan salaris voor de gemachtigde;

III. veroordeelt de passagiers in de overige kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van ArkeFly begroot op € 750,- aan salaris voor de gemachtigde;

IV. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de betalingsveroordelingen.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.C. Gerritse en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2011.