Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7732

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/12217
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

AIVD, visum.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt dat, indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in het ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, er geen aanleiding bestaat om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht.

Indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan verweerder derhalve afzien van inzage in de onderliggende stukken. Dit betekent echter niet, anders dan door verweerder is betoogd, dat inzage in de onderliggende stukken van een ambtsbericht er in alle gevallen toe leidt dat het betreffende ambtsbericht aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mag worden. In het onderhavige geval is sprake van een ambtsbericht waar in het geheel geen feiten en omstandigheden zijn genoemd die tot de conclusie leiden dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het ambtsbericht bestaat enkel uit de conclusie dat eiser een dergelijk gevaar vormt. Hoe tot deze conclusie is gekomen is niet inzichtelijk. Onder deze omstandigheden is het voor eiser onmogelijk om zich te verweren tegen deze conclusie van de AIVD. Hem is immers niet bekend op grond van welke feiten en omstandigheden wordt geconcludeerd dat hij een gevaar is voor de nationale veiligheid. Verweerder kon het onderhavige ambtsbericht dan ook niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit, ook niet na - bericht van - inzage in de onderliggende stukken.

Verweerders stelling ter zitting dat hij gehouden was om het visum te weigeren omdat artikel 32 van de Visumcode een verplichting bevat om het visum te weigeren indien er een gevaar bestaat voor de nationale veiligheid, kan niet worden gevolgd. De in artikel 32 van de Visumcode vervatte verplichting om een visum te weigeren indien de aanvrager een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ontslaat verweerder immers niet van de plicht om te motiveren waarom de betreffende vreemdeling geacht moet worden een dergelijk gevaar te vormen. Een ambtsbericht als het onderhavige kan in dit kader niet als een voldoende motivering worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat verweerder, zoals ook ter zitting is betoogd, een grote discretionaire ruimte heeft bij het verlenen van visa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 11/12217

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [1945], van Russische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. B. Wegelin, advocaat te Amsterdam

en

de minister van Buitenlandse Zaken,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Damminga, werkzaam bij verweerders ministerie.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een visum voor kort verblijf met als doel “zakelijk bezoek” afgewezen. Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 21 mei 2010 ongegrond verklaard. Dit besluit is later ingetrokken. Bij besluit van 5 april 2011 heeft verweerder het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Op 8 april 2011 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2011. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1. Voor een onderdaan van een derde land geldt op grond van artikel 5, eerste lid, onder e, van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen, voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden als toegangsvoorwaarde, dat hij niet kan worden beschouwd als een bedreiging van de openbare orde, de binnenlandse veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van één van de lidstaten, en met name niet om dezelfde redenen met het oog op weigering van toegang gesignaleerd staat in de nationale databanken van de lidstaten.

1.2. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode) wordt een visum - voor zover van belang - geweigerd indien de aanvrager niet voldoet aan de hiervoor genoemde toegangsvoorwaarde.

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Daaraan heeft verweerder een telefonisch advies van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: de AIVD) ten grondslag gelegd. Dit advies is bij brief van 23 december 2009 bevestigd. Deze brief luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Om redenen van nationale veiligheid adviseer ik u het voornoemde visum te weigeren”.

3. Tussen partijen is in geschil of verweerder op grond van dit advies van de AIVD tot weigering van het visum heeft kunnen overgaan.

4.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat het in de brief van 23 december 2009 neergelegde advies van de AIVD dient te worden aangemerkt als een ambtsbericht van de AIVD dat is uitgebracht in het kader van de uitoefening van zijn taak. De AIVD heeft immers op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten 2002 in het belang van de nationale veiligheid tot taak om onderzoek te verrichten met betrekking tot organisaties en personen die door de doelen die zij nastreven, dan wel door hun activiteiten, aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor het voortbestaan van de democratische rechtsorde, dan wel voor de veiligheid of voor andere gewichtige belangen van de staat.

4.2. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat, indien uit een ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusie vervat in het ambtsbericht ten grondslag zijn gelegd en deze conclusie niet onbegrijpelijk is zonder nadere toelichting, er geen aanleiding bestaat om de aan dat ambtsbericht ten grondslag liggende stukken in te zien, tenzij de desbetreffende vreemdeling concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat ambtsbericht naar voren heeft gebracht. De rechtbank wijst onder meer op de uitspraken van de Afdeling van

4 juli 2006 (LJN: AY3839) en 29 september 2010 (LJN: BN8600).

4.3. Indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan verweerder derhalve afzien van inzage in de onderliggende stukken. Dit betekent echter niet, anders dan door verweerder is betoogd, dat inzage in de onderliggende stukken van een ambtsbericht er in alle gevallen toe leidt dat het betreffende ambtsbericht aan de besluitvorming ten grondslag gelegd mag worden. In het onderhavige geval is sprake van een ambtsbericht waar in het geheel geen feiten en omstandigheden zijn genoemd die tot de conclusie leiden dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Het ambtsbericht bestaat enkel uit de conclusie dat eiser een dergelijk gevaar vormt. Hoe tot deze conclusie is gekomen is niet inzichtelijk. Onder deze omstandigheden is het voor eiser onmogelijk om zich te verweren tegen deze conclusie van de AIVD. Hem is immers niet bekend op grond van welke feiten en omstandigheden wordt geconcludeerd dat hij een gevaar is voor de nationale veiligheid. Verweerder kon het onderhavige ambtsbericht dan ook niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit, ook niet na - bericht van - inzage in de onderliggende stukken.

4.4. Verweerders stelling ter zitting dat hij gehouden was om het visum te weigeren omdat artikel 32 van de Visumcode een verplichting bevat om het visum te weigeren indien er een gevaar bestaat voor de nationale veiligheid, kan niet worden gevolgd. De in artikel 32 van de Visumcode vervatte verplichting om een visum te weigeren indien de aanvrager een gevaar vormt voor de nationale veiligheid ontslaat verweerder immers niet van de plicht om te motiveren waarom de betreffende vreemdeling geacht moet worden een dergelijk gevaar te vormen. Een ambtsbericht als het onderhavige kan in dit kader niet als een voldoende motivering worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat verweerder, zoals ook ter zitting is betoogd, een grote discretionaire ruimte heeft bij het verlenen van visa.

5. De conclusie is dan ook dat verweerder het ambtsbericht van 23 december 2009 niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft kunnen leggen, nu daarin geen enkel feit en/of omstandigheid is genoemd op grond waarvan tot de conclusie wordt gekomen dat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de motiveringsplicht zoals genoemd in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd zal de rechtbank onbesproken laten.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 437,- en een wegingsfactor 1).

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de recht¬bank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 152,- (zegge: honderd tweeënvijftig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, en mrs. A.J.R.M. Vermolen en A.J. van Putten, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2011.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.