Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7714

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
940942 \ RL EXPL 10-7411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim; vordering gebaseerd op Verordening (EU) nr. 261/2004; financiële compensatie in het geval van langdurige vertraging van een vlucht.

In navolging van het HvJ EU in het zogenaamde Sturgeon-arrest (LJN: BK4714), honoreert de kantonrechter de aanspraak van de passagier op compensatie in het geval van een langdurige vertraging. Ingangsdatum wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/63
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

AmO

Rolnummer: 940942 \ RL EXPL 10-7411

10 augustus 2011

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: aanvankelijk mr. P. de Ruiter, daarna mr. J.W.L.M. ten Braak en thans

mr. A.E.C. Malizia,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TUI Airlines Nederland B.V., mede handelend onder de naam ArkeFly,

statutair gevestigd te Rijswijk (ZH), kantoorhoudende te Schiphol-Rijk,

gedaagde partij,

gemachtigden: mrs. R.L.S.M. Pessers, A.K. Sjouw en M. Lustenhouwer.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" en "ArkeFly".

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken:

- het exploot van dagvaarding van 5 maart 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van repliek, met producties;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte uitlaten producties van de zijde van [eiseres];

- de brief van ArkeFly van 12 april 2011, houdende een verzoek tot pleidooi;

- de rolbeslissing van 12 april 2011, waarbij de eerdere rolbeslissing waarin de zaak voor vonniswijziging naar de rol is verwezen, is ingetrokken en het pleidooiverzoek van ArkeFly is ingewilligd;

- de akte overlegging producties ten behoeve van de pleidooien van de zijde van ArkeFly, met producties;

- het verhandelde ter terechtzitting tijdens de op 4 juli 2011 gehouden pleidooien, waar ArkeFly vertegenwoordigd door C.E.R. Maasdam, bedrijfsjurist, met mr. Lustenhouwer namens haar gemachtigden is verschenen en waar [eiseres] is verschenen bij haar gemachtigde. Ook is kennis genomen van de aldaar overgelegde pleitnota's van beide partijen.

2. Feiten

2.1 ArkeFly is een chartermaatschappij. Zij sluit geen luchtvervoerovereenkomsten rechtstreeks met de passagiers, maar uitsluitend met touroperators.

2.2 [eiseres] heeft via een touroperator een reis geboekt naar Egypte. [eiseres] zou door ArkeFly van Amsterdam Schiphol Airport naar Hurgada, Egypte, en weer terug vervoerd worden.

2.3 De retourvlucht zou worden uitgevoerd onder vluchtnummer OR488. De oorspronkelijk geplande vertrektijd vanuit Hurgada d.d. 28 november 2009 was om 15.15 uur (lokale tijd); de oorspronkelijk geplande aankomsttijd in Amsterdam was op diezelfde dag om 20.15 uur (lokale tijd). De geboekte vlucht is uiteindelijk op 29 november 2009 om 23.13 uur - dus met een vertraging van ongeveer 26 uur - op Amsterdam Schiphol Airport geland.

3. Vordering

3.1 [eiseres] vordert dat ArkeFly bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 november 2009 en voorts vermeerderd met € 178,50 als vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van ArkeFly in de proceskosten.

3.2 Naast de hiervoor vermelde feiten wordt de vordering - zakelijk weergegeven - gegrond op de volgende stellingen. De geboekte vlucht is uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat daardoor aanspraak bestaat op compensatie op de voet van artikel 7 van de in deze toepasselijke EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening). Verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie, hierna aan te duiden als: HvJ EU), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714, welke uitspraak hierna zal worden aangeduid als: Sturgeon-arrest.

De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval € 600,-. ArkeFly heeft de verschuldigde vergoeding ondanks sommatie niet willen voldoen. ArkeFly dient de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en vertragingsrente te vergoeden.

4. Verweer

4.1. ArkeFly heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.

4.2. ArkeFly voert in dit verband - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

4.2.1. De Verordening is niet van toepassing. De vertraging heeft plaatsgevonden in een land buiten de Europese Unie, namelijk in Egypte. Nu [eiseres] ter plaatse is opgevangen in hotels en is verzorgd, bestaat er onder de Verordening geen recht op compensatie.

4.2.2. De Verordening geeft [eiseres] geen aanspraak op compensatie. Er is immers geen sprake van een annulering, maar van een vertraging. De Verordening voorziet niet in een compensatie op de voet van artikel 7 in het geval van vertraging. Het HvJ EU heeft in het Sturgeon-arrest weliswaar anderszins geoordeeld, maar dit arrest kan niet worden gevolgd omdat het in strijd is met het eerder door het HvJ EU gewezen IATA-arrest van 10 januari 2006 (NJ 2006/372, LJN: AU9523) en de Verordening (bij de uitleg die het HvJ EU in het Sturgeon-arrest daaraan heeft gegeven) in strijd is met het Verdrag van Montreal (d.d. 28 mei 1999, Trb. 2000/32) en verschillende communautaire rechtsbeginselen. Het Sturgeon-arrest geeft aanleiding tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Een beslissing in deze zaak zou met het oog daarop moeten worden aangehouden. Althans, een aanhouding is aan de orde gelet op de aan het HvJ EU naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde prejudiciële vragen. Een beslissing zou voorts moeten worden aangehouden in afwachting van een bij het gerechtshof Amsterdam aanhangige zaak en een mogelijke vordering tot cassatie in het belang der wet.

4.2.3. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn niet toewijsbaar omdat deze niet zijn onderbouwd.

5. Beoordeling

Toepasselijkheid van de Verordening

5.1 Allereerst is de vraag aan de orde of de Verordening van toepassing is in de hier aan de orde zijnde situatie. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.

5.2 De werkingssfeer van de Verordening blijkt uit artikel 3 van die Verordening. In lid 1 van dat artikel is (als hoofdregel) bepaald dat de Verordening, onder de in lid 2 gestelde voorwaarden, van toepassing is:

a. op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is (artikel 3 lid 1 onder a.);

b. op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is (artikel 3 lid 1 onder b.).

5.3 Vast staat dat [eiseres] is vertrokken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven, te weten van Hurgada in Egypte, naar Schiphol Airport, welke laatste luchthaven is gelegen op het grondgebied van een EU-lidstaat. Het staat niet ter discussie dat de geboekte vlucht is uitgevoerd door een communautaire luchtvaartmaatschappij. In zoverre is dus voldaan aan de in artikel 3 lid 1 onder b van de Verordening weergegeven hoofdregel.

Dat [eiseres] - naar de kantonrechter aanneemt op kosten van ArkeFly - in Hurgada is opgevangen, verzorgd en in hotels is ondergebracht, staat op grond van de in zoverre onvoldoende weersproken stellingen van ArkeFly vast. De toepasselijkheid van de Verordening is in zo'n geval echter eerst dan uitgesloten, indien daarbij ook nog compensatie of bepaalde voordelen zijn ontvangen. ArkeFly heeft zelf aangegeven dat dit laatste niet het geval is, zodat daarmee vaststaat dat de in artikel 3 lid 1 onder b van de Verordening gegeven uitzonderingsregel hier niet aan de orde is. De toepasselijkheid van de Verordening staat daarmee vast.

Aanspraak op compensatie

5.4 De vraag is vervolgens of ArkeFly gelet op het bepaalde in de Verordening gehouden is [eiseres] te compenseren voor het feit dat zij ongeveer 26 uur later dan de geplande aankomsttijd is aangekomen op de luchthaven van bestemming.

5.5 Het HvJ EU heeft zich over deze rechtsvraag uitgelaten in de zaken die hebben geleid tot het hiervoor onder punt 3.2 genoemde Sturgeon-arrest. In dat arrest heeft het HvJ EU - voor zover voor de onderhavige zaak van belang - beslist, dat op het in de Verordening toegekende recht op compensatie als bedoeld in artikel 7 ook aanspraak bestaat in het geval van een langdurige vertraging, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat deze vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Van een langdurige vertraging is naar het oordeel van het HvJ EU sprake indien de eindbestemming drie of meer uren na de oorspronkelijk door de luchtvaartmaatschappij geplande aankomsttijd wordt bereikt.

5.6 De kantonrechter volgt ArkeFly niet in haar standpunt dat het Sturgeon-arrest dwingt tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU, ook niet na afweging van de belangen van ArkeFly bij aanhouding en die van [eiseres] bij afdoening. Dienaangaande wordt overwogen dat de nationale rechter gebonden is aan hetgeen het HvJ EU heeft beslist over de uitlegging of de geldigheid van een handeling van een instelling van de gemeenschap (zoals de Verordening). Het staat de nationale rechter weliswaar vrij om zich, zo hij dit nodig oordeelt, opnieuw tot het HvJ EU te wenden met nadere prejudiciële vragen, maar in zo'n geval kan niet de geldigheid van het gewezen arrest aan de orde komen (HvJ EU 5 maart 1986 [Wünsche], LJN BE6107). Het Sturgeon-arrest is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk en laat - mede tegen de achtergrond van 's hofs eerdere jurisprudentie betreffende de Verordening, die consistent is - geen ruimte voor twijfel omtrent de geldigheid van de Verordening. In het bijzonder blijkt uit voormelde jurisprudentie dat het HvJ EU de compensatieregeling in de Verordening - al dan niet conform de uitleg die het daaraan in het Sturgeon-arrest heeft gegeven - niet in strijd acht met het bepaalde in artikel 29 van het Verdrag van Montreal, in welk artikel het exclusieve karakter van het Verdrag tot uitdrukking komt. Volgens het HvJ EU ziet het Verdrag van Montreal op de voorwaarden voor het instellen van een vordering tot vergoeding van individuele schade die het gevolg is van een vertraging, terwijl de Verordening ertoe strekt onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie te bieden voor identieke schade die (wat de situatie betreft waarop artikel 7 ziet) bestaat uit het geleden tijdsverlies op zichzélf. De twee regelingen kunnen volgens het HvJ EU om die reden naast elkaar bestaan. De omstandigheid dat in artikel 12 lid 1 van de Verordening is voorzien in de mogelijkheid de toegekende compensatie op grond van de Verordening in mindering te brengen op eventuele verdere compensatie, doet aan het voorgaande niet af.

Het Sturgeon-arrest geeft de kantonrechter dus geen aanleiding tot het stellen van nadere prejudiciële vragen. Het aan het HvJ EU voorleggen van de door ArkeFly geformuleerde vragen zou, gelet op het voorgaande, in feite neerkomen op het aan de orde stellen van de geldigheid van het Sturgeon-arrest, hetgeen zoals vermeld niet is toegestaan. Voor een aanhouding van de beslissing in afwachting van een antwoord van het HvJ EU op door andere rechters naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde vragen, of in afwachting van uitspraken van nationale appelrechters, ziet de kantonrechter tegen de achtergrond van het vooroverwogene evenmin drijfveren. De kantonrechter ziet verder geen reden te anticiperen op een mogelijk cassatieberoep "in het belang der wet".

5.7 De kantonrechter zal de onderhavige zaak derhalve thans afdoen en zich daarbij baseren op hetgeen is beslist in het Sturgeon-arrest en andere relevante uitspraken van het HvJ EU. Nu het HvJ EU in het Sturgeon-arrest niet anderszins heeft overwogen of beslist, geldt de daarin gegeven uitleg van de Verordening vanaf de datum dat deze in werking is getreden.

5.8 Het verweer van ArkeFly, dat een vertraging van circa 26 uur geen aanspraak doet ontstaan op de in artikel 7 van de Verordening vermelde compensatie, wordt verworpen. Het tegendeel volgt immers uit de beslissing van het HvJ EU in het Sturgeon-arrest.

5.9 Nu tussen partijen niet in geschil is dat voor het overige is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een op artikel 7 van de Verordening gebaseerde compensatie, is de vordering tot betaling € 600- toewijsbaar. De gevraagde wettelijke rente daarover is toewijsbaar met ingang van 27 december 2009, zijnde de dag waarop ArkeFly met de betaling van de compensatie in verzuim is geraakt . Dit is immers de dag waarop de brief van ArkeFly van 24 december 2009 [eiseres] zal hebben bereikt. Uit die brief heeft [eiseres] kunnen afleiden dat ArkeFly de hiervoor vastgestelde betalingsverplichting niet zou nakomen (artikel 6: 83 onder c BW). De brief van 4 december 2009 waarin [eiseres] aanspraak maakt op betaling van de hiervoor besproken compensatie, bevat geen termijnstelling, kan derhalve niet als een ingebrekestelling op de voet van artikel 6: 82 lid 1 BW worden aangemerkt en heeft het verzuim dus niet doen intreden.

De situatie bedoeld in artikel 6: 83 onder b BW doet zich hier niet voor.

Kosten

5.10 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, aangezien ArkeFly de vordering in zoverre heeft weersproken en [eiseres] in dat verweer geen aanleiding heeft gezien haar stellingen nader te onderbouwen.

5.11 ArkeFly zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt ArkeFly om tegen behoorlijk bewijs van betaling aan [eiseres] te voldoen, een bedrag van € 600,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 27 december 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt ArkeFly in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 695,93, waarvan € 450,- aan salaris voor de gemachtigde;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. H.S. Wiarda en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 augustus 2011.