Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7698

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
13-12-2011
Zaaknummer
973760/10-19417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim; vordering gebaseerd op Verordening (EU) nr. 261/2004; financiële compensatie in het geval van langdurige vertraging van een vlucht.

In navolging van het HvJ EU in het zogenaamde Sturgeon-arrest (LJN: BK4714), honoreert de kantonrechter de aanspraak van de passagiers op compensatie in het geval van een langdurige vertraging.

Voor het eerst tijdens pleidooi gedane beroep luchtvaartmaatschappij op reductieregeling bij vertraging van minder dan vier uur, wordt als tardief buiten beschouwing gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector kanton

Locatie 's-Gravenhage

es

Rolnummer: 973760/10-19417

11 oktober 2011

Vonnis in de zaak van:

[eiseres] en [eiser],

beide wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. D.F. Smulders (DAS Rechtsbijstand),

tegen

de besloten vennootschap TUI Airlines Nederland B.V.,

mede handelend onder de naam ArkeFly,

gevestigd en kantoorhoudende te Rijswijk,

gedaagde partij,

gemachtigden: mrs. M. Lustenhouwer en J.D. van de Meent.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]" en "ArkeFly".

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken:

- het exploot van dagvaarding van 8 juni 2010, met producties;

- de conclusie van antwoord en de incidentele conclusie tot aanhouding tot na wijzen arrest Hof van Justitie Europese Unie, tevens conclusie van antwoord, met producties;

- de conclusie van antwoord in het incident, met producties;

- de rolbeslissing van 2 maart 2011, waarbij het verzoek tot aanhouding van ArkeFly - in verband met de (voorgenomen) voorlegging van nadere prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie door andere rechters - is afgewezen;

- de conclusie van dupliek, met producties;

- de akte uitlaten producties van de zijde van [eisers]

- het verhandelde ter terechtzitting tijdens de op 30 augustus 2011 gehouden pleidooien, waar beide partijen - [eisers] bij hun gemachtigde en ArkeFly vertegenwoordigd door mr. C.E.R. Maasdam, bedrijfsjurist, en bijgestaan door mrs. R.L.S.M. Pessers en G.J. van de Beek- zijn verschenen, alsmede de aldaar overgelegde pleitnota's van beide partijen en de op voorhand door ArkeFly overgelegde producties. [eisers] zijn niet verschenen, zoals op voorhand aangekondigd.

2. Feiten

2.1 ArkeFly is een chartermaatschappij. Zij sluit geen luchtvervoerovereenkomsten rechtstreeks met de passagiers, maar uitsluitend met touroperators.

2.2 [eisers] hebben via een touroperator een reis geboekt naar Curaçao, Nederlandse Antillen. Het gezelschap zou door ArkeFly van Amsterdam Schiphol Airport naar Curaçao en weer terug vervoerd worden.

2.3 De heenvlucht zou worden uitgevoerd onder vluchtnummer OR 365. De geboekte vlucht is met een vertraging van ongeveer 4 uur en 30 minuten in Curaçao geland.

3. Vordering

3.1 [eisers] vorderen dat ArkeFly bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 april 2010 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van ArkeFly in de proceskosten.

3.2 Naast de hiervoor vermelde feiten wordt de vordering - zakelijk weergegeven - gegrond op de volgende stellingen. De geboekte vlucht is uitgevoerd met een zodanig langdurige vertraging, dat daardoor aanspraak bestaat op compensatie op de voet van artikel 7 van de in deze toepasselijke EG-verordening 261/2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (hierna: de Verordening). Verwezen wordt naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (thans geheten: Hof van Justitie, hierna aan te duiden als: HvJ EU), van 19 november 2009 in de zaak met nummers C-432/07 en C 402/07, NJ 2010/137, LJN: BK4714, welke uitspraak hierna zal worden aangeduid als: Sturgeon-arrest.

De aanspraak op compensatie bedraagt in dit geval € 600,- per persoon, dus € 1.200,- in totaal (2 x € 600,-). ArkeFly heeft de verschuldigde vergoeding ondanks sommatie niet willen voldoen. ArkeFly dient de gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en vertragingsrente te vergoeden.

4. Verweer

4.1. ArkeFly heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in zijn hun vordering, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten.

4.2. ArkeFly voert in dit verband - zakelijk weergegeven - het volgende aan.

4.2.1. De verordening geeft [eisers] geen aanspraak op compensatie. Er is immers geen sprake van annulering, maar van vertraging. De Verordening voorziet niet in een compensatie op de voet van artikel 7 in het geval van vertraging. Het HvJ EU heeft in het Sturgeon-arrest weliswaar anderszins geoordeeld, maar dit arrest kan niet worden gevolgd omdat het in strijd is met het eerder door het HvJ EU gewezen IATA-arrest van 10 januari 2006 (NJ 2006/372, LJN: AU9523) en de Verordening (bij de uitleg die het HvJ EU in het Sturgeon-arrest daaraan heeft gegeven) in strijd is met het Verdrag van Montreal (d.d. 28 mei 1999, Trb. 2000/32) en verschillende communautaire rechtsbeginselen. Het Sturgeon-arrest geeft aanleiding tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU. Een beslissing in deze zaak zou met het oog daarop moeten worden aangehouden. Althans, een aanhouding is aan de orde gelet op de aan het HvJ EU naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde prejudiciële vragen. Een beslissing zou voorts moeten worden aangehouden in afwachting van een bij een gerechtshof aanhangige zaak en een mogelijke vordering tot cassatie in het belang der wet.

4.2.2. Voor toewijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten is geen plaats omdat deze niet zijn onderbouwd.

5. Beoordeling

Aanspraak op compensatie

5.1 De kantonrechter stelt vast dat in de situatie die in deze zaak aan de orde is, de Verordening van toepassing is. Partijen twisten daarover ook niet.

5.2 De vraag is vervolgens of ArkeFly gelet op het bepaalde in de Verordening gehouden is [eisers] te compenseren voor het feit dat zij ongeveer 4 uur en 30 minuten later dan de geplande aankomsttijd zijn aangekomen op de luchthaven van bestemming.

5.3 Het HvJ EU heeft zich over deze rechtsvraag uitgelaten in de zaken die hebben geleid tot het hiervoor onder punt 3.2 genoemde Sturgeon-arrest. In dat arrest heeft het HvJ EU - voor zover voor de onderhavige zaak van belang - beslist, dat op het in de Verordening toegekende recht op compensatie als bedoeld in artikel 7 ook aanspraak bestaat in het geval van een langdurige vertraging, tenzij de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat deze vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. Van een langdurige vertraging is naar het oordeel van het HvJ EU sprake indien de eindbestemming drie of meer uren na de oorspronkelijk door de luchtvaartmaatschappij geplande aankomsttijd wordt bereikt.

5.4 De kantonrechter volgt ArkeFly niet in haar standpunt dat het Sturgeon-arrest dwingt tot het stellen van nadere prejudiciële vragen aan het HvJ EU, ook niet na afweging van de belangen van ArkeFly bij aanhouding en die van [eisers] bij afdoening. Dienaangaande wordt overwogen dat de nationale rechter gebonden is aan hetgeen het HvJ EU heeft beslist over de uitlegging of de geldigheid van een handeling van een instelling van de gemeenschap (zoals de Verordening). Het staat de nationale rechter weliswaar vrij om zich, zo hij dit nodig oordeelt, opnieuw tot het HvJ EU te wenden met nadere prejudiciële vragen, maar in zo'n geval kan niet de geldigheid van het gewezen arrest aan de orde komen (HvJ EU 5 maart 1986 [Wünsche], LJN BE6107). Het Sturgeon-arrest is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk en laat - mede tegen de achtergrond van 's hofs eerdere jurisprudentie betreffende de Verordening, die consistent is - geen ruimte voor twijfel omtrent de geldigheid van de Verordening. In het bijzonder blijkt uit voormelde jurisprudentie dat het HvJ EU de compensatieregeling in de Verordening - al dan niet conform de uitleg die het daaraan in het Sturgeon-arrest heeft gegeven - niet in strijd acht met het bepaalde in artikel 29 van het Verdrag van Montreal, in welk artikel het exclusieve karakter van het Verdrag tot uitdrukking komt. Volgens het HvJ EU ziet het Verdrag van Montreal op de voorwaarden voor het instellen van een vordering tot vergoeding van individuele schade die het gevolg is van een vertraging, terwijl de Verordening ertoe strekt onmiddellijke en gestandaardiseerde compensatie te bieden voor identieke schade die (wat de situatie betreft waarop artikel 7 ziet) bestaat uit het geleden tijdsverlies op zichzélf. De twee regelingen kunnen volgens het HvJ EU om die reden naast elkaar bestaan. De omstandigheid dat in artikel 12 lid 1 van de Verordening is voorzien in de mogelijkheid de toegekende compensatie op grond van de Verordening in mindering te brengen op eventuele verdere compensatie, doet aan het voorgaande niet af.

Het Sturgeon-arrest geeft de kantonrechter dus geen aanleiding tot het stellen van nadere prejudiciële vragen. Het aan het HvJ EU voorleggen van de door ArkeFly geformuleerde vragen zou, gelet op het voorgaande, in feite neerkomen op het aan de orde stellen van de geldigheid van het Sturgeon-arrest, hetgeen zoals vermeld niet is toegestaan. Voor een aanhouding van de beslissing in afwachting van een antwoord van het HvJ EU op door andere rechters naar aanleiding van het Sturgeon-arrest gestelde vragen, of in afwachting van uitspraken van nationale appelrechters, ziet de kantonrechter tegen de achtergrond van het vooroverwogene evenmin drijfveren. De kantonrechter ziet verder geen reden te anticiperen op een mogelijk cassatieberoep "in het belang der wet".

5.5 De kantonrechter zal de onderhavige zaak derhalve thans afdoen en zich daarbij baseren op hetgeen is beslist in het Sturgeon-arrest en andere relevante uitspraken van het HvJ EU. Nu het HvJ EU in het Sturgeon-arrest niet anderszins heeft overwogen of beslist, geldt de daarin gegeven uitleg van de Verordening vanaf de datum dat deze in werking is getreden.

5.6 Het verweer van ArkeFly, dat een vertraging van circa 4 uur en 30 minuten geen aanspraak doet ontstaan op de in artikel 7 van de Verordening vermelde compensatie, wordt verworpen. Het tegendeel volgt immers uit de beslissing van het HvJ EU in het Sturgeon-arrest.

Reductieregeling: vertraging minder dan vier uur

5.7 Het gaat in deze zaak om een niet-intracommunautaire vlucht met een reisafstand van meer dan 3500 km. Dit zo zijnde, leidt het vooroverwogene tot de conclusie dat [eisers] aanspraak hebben op een op artikel 7 lid 1 van de Verordening gebaseerde compensatie van € 600,- per persoon voor de heenreis.

5.8 ArkeFly beroept zich eerst tijdens het pleidooi er op dat ten aanzien van de heenvlucht slechts aanspraak bestaat op 50% van deze compensatie, aangezien deze minder dan 4 uur vertraagd is. De gemachtigde van [eisers] heeft zich tijdens het pleidooi bezwaar gemaakt tegen dit verweer en gesteld dat hij op dat moment niet adequaat op het verweer kon reageren. Hij heeft verzocht om een termijn om zich bij akte over dit nieuwe verweer uit te laten. De kantonrechter laat het door Arkefly eerst tijdens pleidooi aangevoerde verweer als tardief aangevoerd buiten beschouwing, nu het een verweer is dat is gebaseerd op stukken die reeds bij conclusie van antwoord voor Arkefly bekend waren of hadden moeten zijn en thans de wederpartij geen gelegenheid heeft om hierop te reageren.

5.9 De hoofdsom ad € 1.200,- wordt gezien het hiervoor overwogene dan ook toegewezen. De gevraagde wettelijke rente daarover is toewijsbaar met ingang van 5 mei 2010 nu ArkeFly blijkens de op dat punt niet weersproken stellingen van [eisers] op die datum door de brief van de gemachtigde van [eisers] vanaf 20 april 2010 in verzuim is geraakt. Nu [eisers] rente vordert vanaf 30 april 2010 en niet meer kan worden toegewezen dan dat er wordt gevorderd, wordt de rente vanaf 30 april 2010 toegewezen.

Kosten

5.10 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ad € 178,50 zijn toewijsbaar. [eisers] hebben na het door Arkefly bij conclusie van antwoord gevoerde verweer hun vordering op dit punt nader onderbouwd en het verweer van Arkefly hiermee deugdelijk gemotiveerd weerlegd en de juistheid van de aan de vordering ten grondslag gelegde stellingen voorshands voldoende aannemelijk gemaakt. In de conclusie van dupliek heeft Arkefly nagelaten, hoewel dat op haar weg had gelegen, om inhoudelijk op de repliek van [eisers] te reageren. Nu Arkefly het verweer, tegenover de gemotiveerde weerlegging daarvan door [eisers], niet nader heeft gestaafd, is de kantonrechter van oordeel dat Arkefly het verweer onvoldoende onderbouwd heeft.

5.11 ArkeFly zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure - die van het "aanhoudingsverzoek" daaronder mede begrepen - worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt ArkeFly om tegen behoorlijk bewijs van betaling aan [eisers] te voldoen, een bedrag van € 1.378,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.200,-vanaf 30 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt ArkeFly in de overige kosten van de procedure, die van het "aanhoudingsincident" daaronder mede begrepen, tot op heden aan de zijde van [eisers] begroot op € 1.045,93, waarvan € 750,- aan salaris voor de gemachtigde;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. R.J. ter Kuile en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2011.