Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7607

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
390614 - HA ZA 11-974
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwtijdverlenging UAV?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2013/45 met annotatie van L.H. Muller, J.H.G.M. van Goch
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 390614 / HA ZA 11-974

Vonnis van 7 december 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap

[A] INSTALLATIETECHNIEK B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

advocaat mr. M.R. Ruygvoorn te Utrecht,

tegen

de rechtspersoon naar publiek recht

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Rijksgebouwendienst),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Huith te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [A] en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 maart 2011 met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie met producties;

- het tussenvonnis van 22 juni 2011 waarin een comparitie van partijen is bevolen;

- de akte intrekking eis in reconventie van 13 juli 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 26 oktober 2011 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van mr. Huith van 9 november 2011.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Op 1 februari 2006 heeft de Staat opdracht gegeven aan (de rechtsvoorganger van) [A] tot het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van de renovatie en uitbreiding van de hoofdzetel van het toenmalige Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De aanneemsom bedroeg € 14.974.500,- excl. BTW. In de opdrachtbrief van 1 februari 2006 is opgenomen dat op het werk de Uniforme Administratieve Voorwaarden 1989 voor de uitvoering van werken (hierna: UAV 1989) van toepassing zijn tenzij daarvan in het bestek wordt afgeweken. Als datum voor de start van de werkzaamheden wordt in de brief 17 februari 2006 genoemd.

2.2.Bij brief van 17 februari 2006 heeft [A] de opdracht aanvaard.

2.3.In het op het werk toepasselijke bestek zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

01.02.08 Uitvoeringsduur, uitstel van oplevering

06. Oplveringsdatum delen van het werk

De onderstaande delen van het werk moeten uiterlijk op de genoemde datum worden opgeleverd.

- opleveringsdatum:

fase 1: 19-01-2007, (geplande start 17-01-2006).

fase 2: 01-02-2008, (geplande start 16-02-2007).

fase 3: 03-11-2008, (geplande start 03-03-2008).

fase 4: 18-12-2009, (geplande start 01-12-2008)

De genoemde startdata zijn indicatief. Bij wijziging van deze data zullen de opleveringsdata zodanig worden aangepast dat de duur van de betreffende fase gelijk blijft.

(...)

01.02.13 Wijziging tijdstippen van uitvoering

01. Wijziging tijdstippen van uitvoering

De aanvang van de in bestekcode 01.02.08/06 genoemde uitvoeringsfasen is indicatief.

De opdrachtgever zal de aannemer uiterlijk 8 weken voor aanvang van de fasen 2, 3 en 4 schriftelijk de definitieve aanvangsdatum mededelen. De aannemer kan bij wijziging van de aanvangsdatum geen recht op verrekening doen gelden.

(...)

01.02.42 Kortingen

01. Kortingsbedrag

De korting, bedoeld in paragraaf 42 van de U.A.V., bedraagt per dag: 2.500 euro per fase.

2.4.Het bestek is aangevuld met vijf nota's van wijziging en aanvullingen. In de eerste nota van wijziging is paragraaf 49 lid 1 tot en met 5 UAV komen te vervallen en is opgenomen dat geschillen zullen worden onderworpen aan het oordeel van de in eerste aanleg bevoegde Nederlandse rechter.

2.5.Tussen de Staat en de verschillende bij het werk betrokken aannemers is in mei 2006 een Coördinatie-overeenkomst gesloten (hierna: de Coördinatie-overeenkomst). Artikel 2 geeft een algemene regeling teneinde in geval van vertraging te komen tot overleg tussen alle betrokken partijen om het project op de meest efficiënte wijze voort te zetten en te voltooien. Verder zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

"Artikel 3

1. Indien het niet mogelijk is gebleken om de in artikel 2, lid 4 bedoelde regeling te treffen, zal de partij die vertraging of andere moeilijkheden blijft ondervinden jegens de partij die met zijn leveranties of werkzaamheden op het algemene tijdschema en/of gedetailleerde werkplan ten achter blijft aanspraak kunnen maken op vergoeding van vertragingsschade. Indien deze aanspraak wordt geëffectueerd, is de partij die met zijn leveranties of werkzaamheden op het algemene tijdschema en/of gedetailleerde werkplan ten achter blijft gehouden deze schade aan de partij die vertraging blijft ondervinden te vergoeden. De vertragingsschade wordt gefixeerd op een bedrag van € 450,- voor iedere dag waarop vertraging wordt ondervonden.

2. Partijen doen uitdrukkelijk afstand van elke aanspraak op schadevergoeding op de opdrachtgever op welke juridische grondslag dan ook, behoudens in het geval van opzet of grove nalatigheid van de opdrachtgever.

Artikel 4

1. Indien en voor zover het ten achter blijven op het algemene tijdschema en/of gedetailleerde werkplan van een partij is toe te rekenen aan de opdrachtgever, is de opdrachtgever gehouden om aan de partijen die hierdoor vertragingsschade ondervinden, deze vertragingsschade te vergoeden.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3 kan aan de opdrachtgever als vertragingsschade uitsluitend in rekening worden gebracht de op het werk betrekking hebbende rechtstreeks geleden schade, indien en voor zover deze met bewijsstukken kan worden aangetoond.

Artikel 8

1. Alle geschillen, daaronder begrepen die welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd, welke naar aanleiding van deze coördinatie-overeenkomst, en van de uitvoering daarvan, of van de overeenkomsten welke uit deze coördinatie-overeenkomst mochten voortvloeien, of van de uitvoering daarvan, tussen partijen mochten ontstaan, zullen worden onderworpen aan het oordeel van de in eerste instantie bevoegde Nederlandse rechter.

2. (...)."

2.6.Bij brief van 14 mei 2007 aan (hoofd)aannemer Van Eesteren heeft [A] haar zorgen geuit over de uitloop van de werkzaamheden. Die zorgen heeft zij bij brief van 22 november 2007 aan Van Eesteren herhaald.

2.7.Bij brief van 25 juni 2007 heeft [A] aan Bouwstart, de onderneming die namens de Staat de directie over het werk voerde, haar zorgen geuit over vertraging in de uitvoering van het werk. Die zorgen zijn herhaald bij brief van 10 september 2007.

2.8.De Staat heeft bij brief van 9 oktober 2007 onder meer als volgt gereageerd:

"in artikel 3, lid 2 van de coördinatieovereenkomst staat het volgende: (...). Onder opzet versta ik in dit verband ook een door de opdrachtgever geaccepteerde bestekswijziging die een consequentie in de planning tot gevolg heeft."

2.9.Op 15 november 2007 is namens de Staat aan [A] onder meer geschreven:

"Bovenstaande argumentatie toont aan dat er onvoldoende afstemming is tussen de uitvoerende partijen. Ook [A] heeft hierin zijn verantwoordelijkheid. Wel kan worden erkend dat de oorzaak van de vertraging in bepaalde gevallen bij JP van Eesteren ligt en dat de installatietechnische werkzaamheden vertragen, omdat zij volgen op de bouwkundige werkzaamheden. In geen geval kan de opdrachtgever verantwoordelijk worden gesteld voor dergelijke vertragingen."

2.10.Fase 1 van het werk is opgeleverd op 6 februari 2008.

2.11.Op 14 mei 2008 heeft [A] de Staat aangeschreven met betrekking tot de uitvoeringsplanning van fase 2. Bij brief van 21 juli 2008 heeft de Staat te kennen gegeven niet aansprakelijk te zijn voor vertraging in de uitvoering van de werkzaamheden. Tussen partijen is vervolgens nader gecorrespondeerd over vergoeding van de schade van [A] als gevolg van de vertraging in de uitvoering van de werkzaamheden. Bij brief van 10 oktober 2008 heeft de advocaat van [A] de Staat gesommeerd over te gaan tot betaling van de facturen ter zake schadevergoeding van € 401.604,- en € 215.233,- te vermeerderen met een bedrag van € 25.203,86 aan wettelijke handelsrente. Bij brief van 20 oktober 2008 heeft de advocaat van [A] de Staat verzocht aansprakelijkheid "ter zake van de vergoeding van onderhavige kostenpost" te erkennen, bij gebreke waarvan opschorting van de werkzaamheden werd aangekondigd. De schade werd in deze brief begroot op (oorspronkelijk) € 1.508.188,-. Namens de Staat is bij brief van 29 oktober 2008 afwijzend op deze verzoeken gereageerd, waarna [A] bij brief van 18 november 2008 aan de Staat te kennen heeft gegeven dat zij haar werkzaamheden met ingang van 17 november 2008 heeft opgeschort.

2.12.Het overleg dat vervolgens tussen partijen op gang is gekomen heeft geleid tot betaling door de Staat van een bedrag van in totaal € 660.601,13 incl. BTW voor de vertraging in fase 1 en de "bouwluwe" periode tussen fase 1 en 2. Voorts is door de Staat een bedrag van € 127.400,21 incl. BTW betaald aan "inefficiëntie fase 1".

2.13.[A] heeft haar werkzaamheden daarop met ingang van 2 december 2008 hervat. Fase 2 is opgeleverd op 8 februari 2010.

2.14.Bij e-mail van 12 maart 2009 heeft de Staat laten weten dat fase 3 en fase 4 zouden worden samengevoegd. In een bij deze mail gevoegd memo is opgenomen dat de start van de bouwkundige werkzaamheden op 26 mei 2010 zou plaatsvinden.

2.15.Bij brief van 24 maart 2010 heeft de Staat [A] laten weten dat de startdatum voor de bouwkundige werkzaamheden voor fase 3 / 4 wordt verschoven naar 17 augustus 2010 én dat die datum de definitieve datum is als bedoeld in artikel 01.02.13 van het bestek.

2.16.In het kader van de onderhandelingen tussen partijen over een minnelijke regeling is een stuk opgesteld met de titel "aspecten die betrokken moeten worden bij de afhandeling van de totale vertragingsschade van fase 1 t/m 4". De tekst daarvan luidt:

"Wat is tot op heden bereikt.

1. Bouwplaatskosten fase 1 en tussenfase zijn volledig vergoed over de periode waarvoor de Rgd verantwoordelijk is (rekenkundige data). Deze bedragen ca. € 10.000,- per week (excl. indexering). Die voor fase 2 t/m 4 kunnen op overeenkomstige wijze worden vergoed.

2. Aanneemsom fase 1 is geïndexeerd als gevolg van de bouwtijdverlenging naar de rekenkundige opleverdatum.

3. compensatie omzet door meerwerk. Voor fase 1 was dit € 3.570.000 ofwel 63%.

4. Boeteclausule schuift mee naar de werkelijke data, thans de oplevering op 4 april 2012.

5. Indexering van een fase schuift steeds mee naar de werkelijke startdata en wordt voor elke fase opnieuw bepaald.

6. Er is geen gebruik gemaakt van het gestelde in het bestek art. 01.02.09 en .13. De in het bestek genoemde aanvangsdata van een fase zijn indicatief. Uiterlijk 8 weken voor aanvang van een fase moet de aanvangsdatum zijn vastgesteld. Wijziging van de aanvangsdatum geeft dan geen recht op verrekening van de kosten. Vergoeding van de bouwplaatskosten over de langere tussenfase heeft echter wel plaatsgevonden.

7. De kosten voor inefficiency fase 1 zijn vergoed. Het samenvoegen van fase 3 en 4 geeft een aanzienlijke efficiencyverbetering."

2.17.In de uitvoering van de werkzaamheden is vertraging ontstaan. De Staat heeft voor de vertraging gedeeltelijk bouwtijdverlenging toegestaan. De vertraging en de toegestane bouwtijdverlenging zijn als volgt:

Vertraging in weken Bouwtijdverlenging in weken

Fase 1 51 34

Tussenfase 1/2 (vertraging start

fase 2) 22,5 22,5

Fase 2 28 19

Tussenfase 3/4 (vertraging

start fase 3) 20,3 20,3

Fase 4 5,7 5,7

totaal 127,5 101,5

3.De vordering

3.1.[A] vordert dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. de Staat veroordeelt tot betaling van € 913.243,34 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over de posten waaruit dit bedrag is opgebouwd;

2. de Staat veroordeelt tot betaling van € 6.422,- te vermeerderen met de wettelijke rente, aan buitengerechtelijke kosten;

3. voor recht verklaart dat [A] met betrekking tot fase 1 recht heeft op additionele bouwtijdverlenging van 17 kalenderweken, leidend tot een totale bouwtijdverlenging van 51 weken;

4. voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade voor zover die bestaat uit de verplichting voor [A] tot voldoening van de schade die door [A] ingeschakelde derden (onderaannemers) hebben geleden als gevolg van de vertraging in de uitvoering van de respectieve fasen in het kader waarvan door die derden werkzaamheden dienden te worden verricht en voor zover die uitloop is te wijten aan, althans in de risicosfeer ligt van de Staat;

5. verklaart voor recht dat de Staat niet gerechtigd is tot een korting als bedoeld in paragraaf 42 UAV jo. artikel 01.02.42 van het bestek;

6. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding, de nakosten daaronder begrepen.

3.2.Aan deze vorderingen legt [A], samengevat weergegeven, ten grondslag dat de uitvoering van de werkzaamheden grote vertraging heeft opgelopen wegens omstandigheden die aan de Staat als opdrachtgever te wijten zijn. [A] heeft daardoor schade geleden die de Staat moet dragen. [A] heeft daarnaast recht op toekenning van een additionele bouwtijdverlenging, terwijl de Staat, nu de oorzaak van de vertraging aan hem te wijten is, geen korting mag toepassen wegens overschrijding van de opleveringstermijn.

3.3.De door [A] geleden schade bestaat uit bouwplaatskosten, directe uren, leegloop, onderaanneming, rentederving en indexeringskosten. [A] baseert haar vorderingen met betrekking tot de door haar geleden schade die bestaat uit de bouwplaatskosten, directe uren, leegloop en onderaanneming primair op het bepaalde in artikel 4 van de Coördinatie-overeenkomst. Subsidiair zoekt zij de grondslag voor deze vordering in artikel 7:753 BW, meer subsidiair in de paragrafen 14 leden 1 en 4, 26 lid 7, 29 leden 2 en 3 en 34 van de UAV en meest subsidiair op het bepaalde in artikel 6:212 BW. Daarnaast heeft [A] door de vertraging haar werkzaamheden later kunnen factureren dan voorzien, waardoor zij aanspraak kan maken op een rentevergoeding. Tot slot stelt [A] gerechtigd te zijn om na 10 oktober 2007 de tussen partijen overeengekomen indexering toe te passen.

3.4.De Staat voert gemotiveerd verweer. Op stellingen en weren van partijen wordt hierna, waar nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleidende opmerking

4.1.De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van mr. Huith van 9 november 2011 waarin enkele opmerkingen met betrekking tot de inhoud van het proces-verbaal worden gemaakt. De rechtbank heeft deze brief aan het proces-verbaal gehecht. Waar nodig heeft de rechtbank het proces-verbaal gelezen met inachtneming van de in die brief gemaakte opmerkingen.

Vertragingsschade

4.2.[A] heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen haar vordering met betrekking tot de vertragingsschade opgedeeld in claims I, II en III (productie 16). Daarbij is claim I gebaseerd op de uitloop van fase 1 (17 weken), claim II op de uitloop van fase 2 (9 weken) en is claim III de uitloop van de bouwluwe periode tussen fase 2 en fase 3. Bij bespreking van de vordering met betrekking tot de vertragingsschade zal de rechtbank dit onderscheid zoveel mogelijk volgen.

Claim I en II

4.3.Claim I vindt haar grondslag primair in het bepaalde in artikel 4 van de Coördinatie-overeenkomst. Daarmee kan dit deel van de vordering volgens lid 1 van artikel 4 slechts slagen "indien en voor zover het ten achter blijven op het algemene tijdschema en/of gedetailleerde werkplan van een partij is toe te rekenen aan de opdrachtgever." Uit het tweede lid volgt dat uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komt de "op het werk betrekking hebbende rechtstreeks geleden schade, indien en voor zover deze met bewijsstukken kan worden aangetoond". De Staat heeft gemotiveerd betwist dat de vertraging, voor zover deze niet reeds heeft geleid tot het verlenen van bouwtijdverlenging, aan hem is te wijten en heeft voorts betoogd dat [A] haar schade onvoldoende heeft onderbouwd.

4.4. De rechtbank stelt vast dat fase 1 een uitloop heeft gekend van 51 weken en dat door de Staat een bouwtijdverlenging van 34 weken is toegekend. Daarmee is de Staat, gelet op het bepaalde in artikel 8 UAV (TI) kennelijk van oordeel geweest dat de ontstane vertraging voor dat deel te wijten is aan omstandigheden die hem zijn toe te rekenen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat de schade die [A] door deze vertraging van 34 weken heeft geleden, inmiddels is vergoed.

4.5.Nu [A] aan haar vordering ten grondslag legt dat zich omstandigheden als bedoeld in artikel 4 van de Coördinatie-overeenkomst hebben voorgedaan die tot de conclusie moeten leiden dat de volledige vertraging in fase 1 voor rekening van de Staat moet komen, ligt het volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op haar weg feiten te stellen en zonodig te bewijzen die deze conclusie kunnen dragen. De rechtbank is van oordeel dat [A] ten aanzien van fase 1 niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

4.6.Aan dat oordeel ligt ten grondslag dat [A] in de dagvaarding vrijwel niet uitwerkt wat de oorzaken van de vertraging in fase 1 zijn geweest, terwijl zij deze oorzaken in haar aantekeningen ten behoeve van de comparitie slechts in algemene zin heeft benoemd. Op geen enkele wijze heeft zij inzichtelijk gemaakt waarom de vertraging in verdergaande mate dan door de Staat reeds voor zijn rekening genomen, aan de Staat moet worden toegerekend. Dat had op haar weg gelegen, juist nu de Staat de stellingen van [A] gemotiveerd heeft weersproken en, eveneens gemotiveerd, uiteen heeft gezet hoe hij is gekomen tot de conclusie dat van de 51 weken vertraging, er 34 voor rekening van de Staat moesten komen. Tegenover die uiteenzetting kon [A] niet volstaan met de enkele opsomming van meer algemene vertragende factoren, zonder aan te geven in welke mate steeds de vertraging door de voor rekening van de Staat komende factoren is veroorzaakt.

4.7.De rechtbank deelt niet het oordeel van [A] dat de Staat heeft te bewijzen dat de oorzaken die méér vertraging dan de 34 weken die als bouwtijdverlenging zijn toegekend, niet voor rekening van de Staat komen. Voor een dergelijke afwijking van de hoofdregel van artikel 150 Rv is slechts onder bijzondere omstandigheden ruimte. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld.

4.8.Het bovenstaande brengt mee dat claim I niet kan worden gebaseerd op artikel 4 van de Coördinatie-overeenkomst. Voor nadere bewijslevering is, nu tegenover het gemotiveerde verweer van de Staat onvoldoende feiten zijn gesteld, geen ruimte.

4.9.Ten aanzien van claim II geldt feitelijk hetzelfde nu ook met betrekking tot de periode waarop claim II betrekking heeft door de Staat gemotiveerd is betwist dat een vertraging van meer dan de 19 weken die als bouwtijdverlenging zijn toegekend, voor zijn rekening kan komen. Ook tegenover die betwisting heeft [A] onvoldoende concreet gesteld welke oorzaken voor vertraging haar conclusie kunnen dragen dat meer dan de reeds als bouwtijdverlenging toegekende vertraging voor rekening van de Staat dient te komen.

4.10.[A] zoekt de subsidiaire grondslag voor claim I en II in artikel 7:753 lid 1 BW. Op die grond kan de vordering slechts slagen indien sprake is van het ontstaan of aan het licht komen van kostenverhogende omstandigheden "zonder dat zulks aan de aannemer kan worden toegerekend". De in het kader van de toepassing van deze regeling te beantwoorden vraag ligt daarmee in lijn met de in het kader van artikel 4 van de Coördinatie-overeenkomst beantwoorde vraag. [A] heeft deze grondslag van de vordering niet nader uitgewerkt, terwijl de Staat heeft weersproken dat sprake is van omstandigheden die niet aan de aannemer kunnen worden toegerekend. Mede gelet op hetgeen hierboven reeds is overwogen, moet de conclusie ook met betrekking tot deze grondslag van de vordering zijn dat [A] onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie kunnen dragen dat de vertraging in verdere mate dan reeds door de Staat onderkend, niet aan [A] kan worden toegerekend.

4.11.Ook ten aanzien van de meer subsidiaire en meest subsidiaire grondslag heeft de Staat weersproken dat de situatie waarop [A] zich beroept, zich heeft voorgedaan. [A] heeft deze grondslagen niet (verder) uitgewerkt. Met betrekking tot de meer subsidiaire grondslag moet zodoende opnieuw worden geoordeeld dat [A] onvoldoende feiten heeft gesteld die de conclusie kunnen dragen dat de Staat gehouden is in verdere mate dan hij reeds heeft gedaan, de vertragingsschade van [A] te vergoeden. Voor de conclusie dat de Staat ongerechtvaardigd is verrijkt zijn tegenover de betwisting daarvan door de Staat, geen feiten aangevoerd.

4.12.Het bovenstaande brengt reeds mee dat de vordering met betrekking tot claims I en II moet worden afgewezen.

Claim III

4.13.Met betrekking tot claim III heeft de Staat zich beroepen op artikel 01.02.13 van het bestek waarin is opgenomen dat de opdrachtgever uiterlijk 8 weken voor aanvang van de fasen 2, 3 en 4 de aannemer de definitieve aanvangsdatum zal meedelen en dat de aannemer bij wijziging van de aanvangsdatum geen recht op verrekening kan doen gelden. Claim III stuit daarop naar het oordeel van de Staat af. [A] daarentegen heeft betoogd dat partijen zijn overeengekomen dat in afwijking van het bepaalde in artikel 01.02.13 ook een vergoeding voor vertraging in de start van een nieuwe fase zal worden betaald. Zij beroept zich in dat verband op het schriftelijke stuk "aspecten die betrokken moeten worden bij de afhandeling van de totale vertragingsschade van fase 1 t/m 4", in het bijzonder op het gestelde onder punt 1 van dat stuk.

4.14.Tussen partijen staat vast dat de "aspecten die betrokken moeten worden bij de afhandeling van de totale vertragingsschade van fase 1 t/m 4" zijn opgesteld in het kader van minnelijk overleg tussen partijen. Ter comparitie is namens [A] in dit verband de begeleidende brief van de advocaat van de Staat voorgelezen, waarin kennelijk is opgenomen dat de "aspecten" zijn opgesteld "onder voorbehoud van rechten". Tussen partijen staat eveneens vast dat het niet is gekomen tot een regeling ten behoeve waarvan de "aspecten" zijn opgesteld. Nu die "aspecten" zijn opgesteld in het kader van een minnelijke regeling, en partijen een dergelijke regeling niet hebben bereikt, betoogt de Staat terecht dat [A] zich niet op de "aspecten" kan beroepen. Het feit dat het aanbod nadien is herhaald, zoals ter comparitie namens [A] naar voren gebracht, brengt als zodanig niet mee dat er tussen partijen overeenstemming is ontstaan. Claim III kan dus niet op de "aspecten" worden gebaseerd. Het feit dat tussen partijen in het kader van een minnelijke regeling wel de vertraging in een eerdere "bouwluwe periode" is afgewikkeld, brengt evenmin mee dat de Staat zijn recht heeft verwerkt zich ten aanzien van een niet in die minnelijke regeling betrokken periode te beroepen op het bepaalde in artikel 01.02.13 van het bestek.

4.15.[A] heeft voorts betoogd dat artikel 01.02.13 van het bestek niet zo ver strekt dat de Staat steeds opnieuw de aanvang van een fase kan uitstellen. Beoordeling van dit betoog vereist uitleg van de overeenkomst. Bij die uitleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Het komt ook aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij mede van belang kan zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.16.De rechtbank stelt vast dat artikel 01.02.13 van het bestek voorop stelt dat de in artikel 01.02.08/06 genoemde aanvangstijdstippen indicatief zijn. Vervolgens wordt bepaald dat de opdrachtgever uiterlijk 8 weken voor aanvang van een fase de definitieve aanvangsdatum zal meedelen. Nu eerst daarna is opgenomen dat de aannemer bij wijziging van de aanvangsdatum geen recht op verrekening kan doen gelden, brengt een redelijke uitleg van deze bepaling mee dat de laatste zin betrekking heeft op de doorgegeven "definitieve" aanvangsdatum en niet op de in artikel 01.02.08/06 genoemde indicatieve aanvangsdatum. Ook bij wijziging van de definitieve aanvangsdatum bestaat dus geen recht op verrekening, waartoe de rechtbank met partijen ook schadevergoeding zal rekenen, voor de aannemer. De rechtbank voegt hieraan toe dat partijen tijdens hun minnelijk overleg kennelijk ook van deze uitleg zijn uitgegaan, nu er anders geen reden voor zou zijn geweest in de "aspecten" op te nemen dat de vertraging in de bouwluwe fase vergoed zou kunnen worden.

4.17.[A] heeft betoogd dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid zich tegen de hierboven aangenomen uitleg van het bepaalde in artikel 01.02.13 verzet. Bij beoordeling van dat betoog neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het hier gaat om een overeenkomst tussen twee professionele partijen die geacht moeten worden de gevolgen te overzien van hetgeen zij met elkaar overeenkomen. Voor een beperking van datgene wat is overeengekomen op grond van de redelijkheid en billijkheid zijn dan bijzondere omstandigheden nodig. Mede gelet op het feit dat, naar de Staat onweersproken heeft gesteld, de wijziging van de aanvangstermijn steeds ruim tevoren aan [A] is doorgegeven, en de "definitieve aanvangsdatum" van 17 augustus 2010 als bedoeld in artikel 01.02.13 van het bestek kennelijk één keer en niet herhaaldelijk is gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende feiten naar voren zijn gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich hebben voorgedaan.

4.18.Nu [A] voor het overige de conclusies die de Staat aan het bepaalde in artikel 01.02.13 heeft verbonden niet heeft weersproken, betekent dit dat ook claim III niet kan slagen.

4.19.De vordering onder 1 strandt in alle onderdelen op het bovenstaande. Voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten, die blijkens de dagvaarding betrekking hebben gehad op de incasso van de door [A] gestelde schade, is dan geen ruimte, zodat ook de vordering onder 2 moet worden afgewezen.

4.20.De vordering onder 4 houdt eveneens verband met de door [A] geleden schade als gevolg van de vertraging die de uitvoering van het werk heeft opgelopen. Gelet op het bovenstaande kan niet worden geconcludeerd dat de Staat (wel) aansprakelijk is voor de schade van [A] bestaande in kosten die zij heeft moeten maken voor het schadeloos stellen van onderaannemers.

Bouwtijdverlenging fase 1

4.21.Uit artikel 8 lid 4 UAV (TI) volgt dat aanspraak op bouwtijdverlenging bestaat onder meer indien door voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden van de aannemer niet kan worden gevergd dat het werk binnen de overeen gekomen termijn kan worden opgeleverd. Het ligt op de weg van de aannemer om te stellen en zonodig te bewijzen dat sprake is van dergelijke voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden. De rechtbank heeft hierboven, bij bespreking van claim I, reeds overwogen dat [A] tegenover het gemotiveerde verweer van de Staat in onvoldoende mate feiten heeft gesteld waaruit de conclusie kan volgen dat sprake is van voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden die hebben geleid tot vertraging van het werk. Het betoog ten aanzien van de vraag of er sprake is van voor rekening van de opdrachtgever komende omstandigheden die meebrengen dat van de aannemer niet meer kan worden gevergd het werk binnen de overeengekomen termijn op te leveren, moet die conclusie delen nu [A] in dit verband geen andere omstandigheden heeft aangevoerd dan met betrekking tot haar betoog over de vertraging.

4.22.De vordering onder 3 stuit reeds daarop af.

Korting

4.23.De vordering onder 5 heeft betrekking op de vraag of de Staat gerechtigd is tot een korting als bedoeld in paragraaf 42 UAV jo. Artikel 01.02.42 van het bestek. Recht op een dergelijke korting bestaat bij te late oplevering van het werk. Van een dergelijke te late oplevering is geen sprake indien bouwtijdverlenging is toegestaan. [A] heeft dit deel van de vordering uitsluitend gebaseerd op haar betoog met betrekking tot de bouwtijdverlenging. Nu dat betoog is verworpen, kan de door haar gevraagde verklaring voor recht dat de Staat niet gerechtigd is tot een korting evenmin op die grond worden gegeven.

Resumerend

4.24.De vordering moet in alle onderdelen worden afgewezen. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

5.De beslissing

De rechtbank

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [A] in de kosten van het geding aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 3.537,- aan verschotten en € 5.160,- aan salaris van de advocaat, met bepaling dat over deze proceskosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.