Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7526

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/422
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

militaire ambtenarenzaak

artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht

Eiser heeft verzocht hem met terugwerkende kracht te bevorderen.

Bij het thans bestreden besluit van 6 december 2010 heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van 29 januari 2004, overwogen dat eisers verzoek is verjaard. Voorts zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd na het oorspronkelijke primaire besluit van 26 juli 2000.

Eiser heeft in beroep verwezen naar de uitspraak van de rechtbank d.d. 5 maart 2007. Dit is een uitspraak inzake het ABP-pensioen, waarbij de rechtbank eisers beroep ongegrond heeft verklaard, maar wel heeft overwogen dat zij het aannemelijk acht dat eiser heeft geleden onder de bejegening die hij als homoseksueel heeft ervaren.

De rechtbank overweegt dat het verzoek van eiser dient te worden opgevat als een herhaald verzoek, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om schadevergoeding in verband met vermeende discriminatie. Op dit verzoek is reeds beslist bij besluit van 26 juli 2000 en de daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedure heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van 29 januari 2004.

Anders dan eiser heeft aangevoerd kan een uitspraak van de rechtbank niet worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/422

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2011 in de zaak tussen

[A], te [plaats], eiser

en

de Minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van de Ruit)

Procesverloop

Bij brief van 1 november 2007 heeft eiser verzocht om met terugwerkende kracht tot 1 mei 1991 te worden bevorderd naar de rang van [rang].

Bij brief van 14 december 2007 heeft verweerder geantwoord geen aanleiding te zien om op eisers verzoek te reageren.

Tegen deze brief heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 december 2010 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het beroep is behandeld op 12 oktober 2011.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser was van 1963 tot en met 1 augustus 1999, de datum van zijn functioneel leeftijdsontslag, werkzaam bij verweerder, laatstelijk in de functie van [functie].

2 Bij brief van 23 september 1999 heeft eiser verzocht om toekenning van een schadevergoeding omdat hij als homoseksueel door de dienst is gediscrimineerd in de periode van 1970 tot 1994.

3 Bij besluit van 26 juli 2000 is dit verzoek afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2004 door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. De Raad heeft overwogen dat ten tijde van de aanvraag meer dan vijf jaar is verstreken sinds het schadeveroorzakende handelen en dat financiële aanspraken jegens de overheid na vijf jaar zijn verjaard.

4 Bij brief van 1 november 2007 heeft eiser verzocht hem met terugwerkende kracht tot 1 mei 1991 te bevorderen naar de rang van [rang].

Bij brief van 14 december 2007 heeft verweerder geantwoord dat hij dit verzoek niet in behandeling zal nemen.

Bij uitspraak van 19 januari 2009 heeft de rechtbank eisers beroep ongegrond verklaard, omdat geen sprake zou zijn van een besluit.

Deze uitspraak is door de Centrale Raad vernietigd. In zijn uitspraak van 2 september 2010 heeft de Raad geoordeeld dat iedere aanvraag in behandeling dient te worden genomen en dat eisers verzoek van 1 november 2007 dient te worden aangemerkt als een aanvraag. De Raad heeft geoordeeld dat verweerder een besluit op deze aanvraag zal moeten nemen en heeft de beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar moet nemen.

5 Bij het thans bestreden besluit van 6 december 2010 heeft verweerder onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van 29 januari 2004, overwogen dat eisers verzoek is verjaard. Voorts zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd na het oorspronkelijke primaire besluit van 26 juli 2000.

6 Eiser heeft in beroep -kort en zakelijk weergegeven- aangevoerd dat hij nimmer de mogelijkheid heeft gehad om een functie te vervullen met de rang van [rang] omdat zijn beoordelingen nooit goed genoeg waren, als gevolg van het feit dat hij gediscrimineerd werd. Hij heeft verder aangevoerd dat er een nieuw feit of omstandigheid is, te weten de uitspraak van de rechtbank d.d. 5 maart 2007. Dit is een uitspraak inzake het ABP-pensioen, waarbij de rechtbank eisers beroep ongegrond heeft verklaard, maar wel heeft overwogen dat zij het aannemelijk acht dat eiser heeft geleden onder de bejegening die hij als homoseksueel heeft ervaren.

7 Verweerder heeft gepersisteerd bij afwijzing van de aanvraag en ongegrondverklaring van het beroep.

8 De rechtbank overweegt dat het verzoek van eiser dient te worden opgevat als een herhaald verzoek, als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), om schadevergoeding in verband met vermeende discriminatie. Op dit verzoek is reeds beslist bij besluit van 26 juli 2000 en de daaropvolgende bezwaar- en beroepsprocedure heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van 29 januari 2004.

Anders dan eiser heeft aangevoerd kan een uitspraak van de rechtbank niet worden aangemerkt als nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb. Nu sedert het vermeende schadeveroorzakende handelen en eisers verzoek meer dan vijf jaar zijn verstreken en geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden , heeft verweerder eisers bezwaar terecht ongegrond verklaard.

9 Het beroep is ongegrond.

10 Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, mr. D.G.D.J. Dop, rechter en B. Dedden, generaal-majoor b.d., militair lid, in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.

griffier rechter