Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7510

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2011
Datum publicatie
09-12-2011
Zaaknummer
09-925625-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging en aan een poging zware mishandeling. Hoewel zowel de officier van justitie als de raadsman de oplegging van een werkstraf heeft verzocht, is de rechtbank van oordeel dat zelfs de maximale werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Zie ook LJN BU7470 en BU7477.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/925625-11

Datum uitspraak: 9 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte C],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 25 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. de Jonge en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 augustus 2011 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Spui en/of de Spuistraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [X] en/of [Y], welk geweld bestond uit

- het (meermalen) met kracht schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van die [Y] en/of het (meermalen) slaan (met gebalde vuist) tegen het hoofd en/of gezicht van die [Y], en/of

- het aannemen van een gevechtshouding tegenover[X] en/of het (meermalen) slaan (met gebalde vuist) tegen het lichaam en/of hoofd van die [X] en/of het (meermalen) met kracht schoppen tegen het lichaam en/of hoofd en/of in de richting van het hoofd van die [X];

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 augustus 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (meermalen) met kracht heeft geschopt tegen het lichaam en/of in de richting van het hoofd van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zicht heeft schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen [X] en [Y] door die [Y] tegen het lichaam en/of het hoofd te schoppen en/of op het hoofd of in het gezicht te slaan alsmede door het aannemen van een gevechtshouding tegenover [X] en het slaan en schoppen tegen het lichaam en hoofd of in de richting van het hoofd van die [X].

Voorts is aan verdachte tenlastegelegd dat hij heeft opzettelijk heeft geprobeerd [X] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem meermalen tegen het lichaam en/of in de richting van het hoofd te schoppen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de tenlastegelegde handelingen tegen [Y]. De handelingen tegen [X] kunnen wel bewezen worden.

Ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [X] heeft geraakt met zijn schoppende beweging, dan wel dat hij hem zodanig hard heeft geraakt dat dit een poging tot zware mishandeling oplevert.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Aanleiding

Op 13 augustus 2011, omstreeks 01.44 uur, zagen verbalisanten op de Spuistraat te 's-Gravenhage een man op de grond liggen. Drie andere mannen stonden er omheen. Eén van de drie mannen haalde zijn been naar achteren en schopte met kracht tegen het lichaam van de man die op de grond lag. Enige minuten later zag een andere surveillance-eenheid een man met bebloede wenkbrauw opstaan van de grond. Deze man gaf aan dat hij met zijn vriend tegen de drie mannen had gevochten. Hierop werden [X], [Y], [B], [A] en [verdachte] aangehouden.2

De verklaring van [X]

[X] heeft over het gebeurde het volgende verklaard.

Hij was in de nacht van 12 op 13 augustus 2010 in het centrum van Den Haag met zijn vriend [Y]. Zij liepen van de Grote Markt naar het Plein door de lange winkelstraat. In die straat liepen drie andere mannen. Zij kregen daar woorden mee en opeens kreeg [Y] een harde klap van één van de drie mannen. Hij zag dat [Y] letterlijk in elkaar gerost werd. Hij zag dat een man bovenop [Y] zat en hem vuistslagen gaf. [X] struikelde en kreeg, denkt hij, een schop of een trap tegen zijn hoofd. [X] werd vervolgens aangevallen door de drie mannen, kreeg klappen en werd wakker in de ziekenauto. [X] heeft blauwe plekken op zijn been en op zijn hoofd opgelopen en heeft veel pijn in zijn kaak.3

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat er een schaafwond op de kaak en een zwelling van het voorhoofd is waargenomen. De geschatte genezingsduur bedraagt 2 weken.4

De verklaring van [Y]

[Y] heeft het volgende verklaard.

Hij weet nog dat hij met [X] van de Grote Markt naar het Plein is gelopen, maar hij is een heel stuk van zijn herinnering kwijt. Hij struikelde, werd tegen zijn hoofd geschopt en raakte buiten bewustzijn. Hij werd wakker toen een politieagent hem bij bewustzijn probeerde te krijgen. Hij heeft veel pijn in zijn achterhoofd, zijn ribbenkast, zijn schenen en hij heeft een snee boven zijn linkeroog.5

Uit de geneeskundige verklaring blijkt dat er een klein scheurwondje boven de rechterwenkbrauw van ongeveer 1 centimeter en zwelling is waargenomen.6

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben over het aantreffen van [Y] gerelateerd dat zij zagen dat [Y] op zijn rug en met zijn armen en benen gestrekt naast zijn lichaam op de grond lag en niet bewoog. Zij hebben enkele minuten geen contact met hem kunnen leggen omdat zij de drie verdachten onder controle trachtten te brengen. Gedurende die minuten hebben verbalisanten [Y] niet zien bewegen. Vervolgens constateerden zij dat [Y] niet reageerde op aanroepen, dat hij wel adem haalde, maar dat hij niet bij bewustzijn was.7

De camerabeelden

Van hetgeen in de Spuistraat te Den Haag heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2011 zijn camerabeelden veiliggesteld en deze camerabeelden zijn ter terechtzitting van 25 november 2011 vertoond.

Met betrekking tot de beelden van het eerste contact tussen verdachte, de andere verdachten en de aangevers heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij in het midden staat van de drie personen die rechts in beeld te zien zijn. Links van hem staat [B] (de rechtbank begrijpt: verdachte [B], hierna te noemen [B]) en rechts van hem [A] (de rechtbank begrijpt: verdachte [A], hierna te noemen [A]).8 Verdachten [B] en [A] hebben gelijkluidend verklaard over wie wie is op de foto van de camerabeelden.9 10

De rechtbank heeft op de beelden van camera C051, chronologisch de eerste reeks beelden -als eigen waarneming van de rechtbank- waargenomen dat:

- er twee mannen links in beeld ([Y] en [X]) lopen en drie jongens rechts ([B], [verdachte] en [A]), iets achter de twee mannen;

- [X] en [Y] op een bepaald moment omkijken en zich omdraaien in de richting van [B], [A] en [verdachte], waarna [B], [A] en [verdachte] op [X] en [Y] afrennen (01:48:47);

- [A] met gebalde vuist in het gezicht van [Y] stompt, terwijl verdachten [B] en [verdachte] ernaast staan (01:48:48);

- [A] en [Y] samen naar de grond gaan en daar verder worstelen (01:48:50);

- [B] zijn been naar achteren slingert en [Y] met geschoeide voet een harde trap geeft tegen het bovenlichaam;

- [X] richting [Y] en [A] loopt die samen op de grond in worsteling zijn. [verdachte] staat voor [X] met tot vuist gebalde handen en blokkeert aan [X] de weg naar [Y] (01:48:52);

- [B] [Y], die op de grond ligt met [A] bovenop zich, met kracht tegen zijn benen schopt (01:48:53);

- [B] met geschoeide rechter voet en met kracht tegen het hoofd [Y] schopt, die op de grond ligt met [A] bovenop zich (01:48:54);

- [verdachte] en [X] tegenover elkaar staan met hun handen tot vuisten gebald. [verdachte] trapt vervolgens in de richting van het bovenlichaam van [X] (01:48:55);

- [B] zijn been naar achteren slingert en met geschoeide voet en kracht tegen het achterhoofd van [Y] schopt die op de grond ligt met [A] bovenop zich (01:48:57);

- [B] nogmaals met geschoeide voet en met kracht tegen het achterhoofd van [Y] trapt (01:48:58);

- [B] naar [X] loopt en hem een trap geeft (01:49:00);

- [B] en [verdachte] met gebalde vuisten tegenover [X] staan en [A] boven [Y] hangt, die op de grond ligt en [Y] met zijn vuist een klap geeft (01:49:01);

- [verdachte] tegen de rechterzijde van het lichaam van [X] trapt (01:49:02);

- [A] [Y] met zijn vuist en met kracht meerdere klappen tegen het hoofd geeft (01:49:02, 01:49:03 en 01:49:05);

- [X] wegrent van [verdachte] en [B] in de richting van [Y] en [A], [verdachte] en [B] rennen achter hem aan (01:49:17);

- [B] in de richting van [Y] en [A] aan komt rennen, bij die aanloop zijn rechterbeen kromt en vervolgens een struikelende beweging maakt als hij met zijn been in de nabijheid van het hoofd van [Y] is geweest (01:49:20);

- [A] [Y] met gebalde vuist drie klappen in zijn gelaat geeft (01:49:23);

- [B] [A] beetpakt, [A] opstaat en zij beiden naar [X] en [verdachte] rennen (01:49:24).11

Op de beelden van camera C050, chronologisch de tweede reeks beelden, heeft de rechtbank -als eigen waarneming van de rechtbank- waargenomen dat:

- [X] wordt achterna gezeten door [B] en [verdachte] (01:49:04);

- [X] [verdachte] een klap geeft naar het hoofd, waarna [X] op de grond valt (01:49:05);

- [B] [X], die op de grond ligt, een krachtige trap geeft (01:49:07);

- [X] opstaat en door [verdachte] met kracht tegen zijn been geschopt wordt (01:49:09);

- [B] [X] tegen het bovenlichaam schopt (01:49:12);

- [X] in de richting van [Y] en [A] rent en [verdachte] en [B] achter hem aan gaan (01:49:15);

- [verdachte] met zijn handen 'kom maar'-bewegingen maakt naar [X] die tegenover hem staat (01:49:24);

- [B], [A] en [verdachte] samen op [X] aflopen en [verdachte] tegen het onderbeen van [X] trapt (01:49:32);

- [X] op de grond valt en [B], [A] en [verdachte] naar hem toe rennen. [B] trapt [X] die op de grond ligt met kracht (01:49:33);

- [verdachte] [X] drie keer hard trapt. Niet te zien is waar [X] geraakt wordt omdat het lichaam van [X] na diens val deels buiten beeld is (01:49:34). Wel is te zien dat het been van [X], dat naar de grond ging toen [X] op de grond viel, daar, ook tijdens de trappende bewegingen van verdachte, bewegingloos blijft liggen totdat de verbalisanten uit de auto komen.12

De verklaring van verdachte [verdachte]13

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij een gevechtshouding heeft aangenomen tegenover [X] om zich te verdedigen en dat hij wel in de richting van het lichaam van [X] heeft geschopt, maar dat hij niet met volle kracht heeft geschopt. Verdachte wilde [X] geen zwaar lichamelijk letsel toebrengen. Verdachte heeft meer dan 1 keer geschopt. Hoewel verdachte zich wilde verdedigen, had hij ook weg kunnen rennen, maar dat heeft hij niet gedaan.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1

De rechtbank stelt voorop dat om tot bewezenverklaring van het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen te komen, voldoende is dat wordt bewezen dat betrokkene opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van openlijk geweld en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Het bestanddeel 'in vereniging' ziet er daarbij tevens op dat de dader ook strafrechtelijk aansprakelijk is voor niet door hemzelf, maar wel in de tenlastelegging vermelde, door zijn mededaders gepleegde geweldshandelingen.

Zoals reeds overwogen heeft de rechtbank op de ter terechtzitting afgespeelde camerabeelden waargenomen dat verdachte [X] een gevechtshouding heeft aangenomen tegenover [X] en ook dat hij [X] meermalen tegen het lichaam en in de richting van het hoofd heeft geschopt.

Uit bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. [Y] en [X] liepen samen in de Spuistraat en verdachten [A], [B] en [verdachte] liepen daar wat achter. Om onduidelijke redenen renden de drie verdachten op [Y] en [X] af en begon [A] met [Y] te vechten. [A] deelde daarbij de eerste klap uit. [A] en [Y] kwamen vervolgens op de grond terecht en [A] sloeg [Y] verschillende malen met gebalde vuist op het hoofd terwijl [B] [Y] zowel tegen het bovenlichaam als tegen het hoofd schopte. Verdachte heeft op geen enkel moment getracht [A] of [B] van [Y] af te houden maar is ook zelf de confrontatie aangegaan. Nadat [A] de eerste klap aan [Y] uitdeelde, heeft verdachte geprobeerd [X], die op [Y] en [A] afliep, tegen te houden en is vervolgens met hem in gevecht geraakt, met welk gevecht [B] zich na enige tijd ook is gaan bemoeien. Zowel [verdachte] als [B] heeft [X] meermalen tegen zijn benen en het bovenlichaam geschopt. Ook [A] liep daarna op [X] af. [X] kwam ten val en toen het lichaam van [X] al op de grond lag, werd er door [verdachte] nog drie keer in de richting van [X] geschopt terwijl [A] en [B] naast hem stonden, waarna [X] bewusteloos is blijven liggen. Gelet op het hoofdletsel dat [X] heeft opgelopen, het feit dat op de camerabeelden te zien is dat [X] bij laatstgenoemde schoppen van [verdachte] bewegingloos blijft liggen en het feit dat hij vervolgens bewusteloos is aangetroffen, concludeert de rechtbank dat [X] op dat laatste moment meerdere schoppen tegen zijn hoofd heeft gehad.

Uit het bovenstaande blijkt dat verdachte een actieve rol, en dus een significante bijdrage heeft gehad bij het geweld tegen zowel [Y] als [X]. [A] was degene die de eerste klap gaf aan [Y] en daarmee de hele vechtpartij in gang zette. Vervolgens werd hij daarbij te hulp geschoten door [B], die [Y] een aantal trappen tegen het lichaam en hoofd gaf. Verdachte is het gevecht aangegaan met [X] die trachtte op [Y] toe te lopen, ten gevolge waarvan [A] en [B] ongehinderd hun gang op [Y] konden gaan. Bij zijn gevecht met [X] werd verdachte later bijgestaan door [B] en aldus hebben verdachte en [B] beiden geweldshandelingen gepleegd tegen [X]. Vervolgens werd [A] door [B] van [Y] af getrokken en is hij met [B] en [verdachte] op [X] afgerend die vervolgens nog wat klappen en trappen te verwerken kreeg. Uit het voorgaande volgt dat verdachten gezamenlijk en in een nauwe en bewuste samenwerking geweld hebben gebruikt tegen [Y] en [X]. Nu de rechtbank bewezen acht dat het geweld in vereniging is gepleegd is verdachte ook strafrechtelijk aansprakelijk voor de geweldshandelingen die door [B] en [A] tegen [Y] en/of [X] zijn gepleegd.

Het verweer van verdachte dat hij zich aan het verdedigen was is niet aannemelijk geworden. Verdachte, [A] en [B] zijn de vechtpartij begonnen, verdachte en [B] zijn op het moment dat [X] van hen wegrende, achter hem aangerend en vervolgens heeft verdachte 'kom maar'-bewegingen gemaakt toen [X] tegenover hem stond. Hiervan heeft verdachte ter terechtzitting14 nog verklaard dat hij, toen hij die bewegingen maakte, aan [X] vroeg of hij hem, verdachte, wilde slaan. Reeds hieruit volgt dat geen sprake is geweest van een situatie waarin verdachte zich moest verdedigen, maar dat hij zelf juist de confrontatie opzocht. Los daarvan heeft verdachte verklaard dat hij ook weg had kunnen rennen, maar dat niet heeft gedaan. Ook daarom kan er geen sprake zijn van een verdedigingssituatie.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot het verweer van de raadsman dat niet vaststaat dat verdachte [X] ook daadwerkelijk heeft geraakt met zijn schoppende bewegingen overweegt de rechtbank dat zij op de camerabeelden heeft waargenomen dat verdachte [X] in ieder geval meermalen op het lichaam heeft geraakt.

Met betrekking tot de schoppen in de richting van het hoofd overweegt de rechtbank dat [X] op enig moment, terwijl hij nog bij bewustzijn is, op de grond valt, deels buiten het zicht van de camera.15 Het been van [X] is vervolgens liggend op de grond te zien. Daarna is op de beelden te zien dat [B] [X] één keer schopt en vervolgens schopt verdachte [X] nog drie keer. Hoewel op de beelden niet te zien is waar de schoppen precies terechtkomen, acht de rechtbank bewezen dat deze laatste schoppen uit het geheel van gewelddadigheden de bewusteloosheid van [X] met zich hebben gebracht. Uit de verklaring van [X] volgt dat hij nog weet dat hij, nadat hij gestruikeld was, een schop tegen het hoofd kreeg en buiten bewustzijn raakte. Er zijn voldoende bewijsmiddelen voor een eventuele bewezenverklaring van schoppen op/tegen het hoofd. Nu schoppen tegen het hoofd echter niet ten laste is gelegd, zal de rechtbank het schoppen in de richting van het hoofd bewezen verklaren.

Het met kracht tegen het lichaam en in de richting van het hoofd schoppen kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als gericht op -minimaal- zwaar lichamelijk letsel van het slachtoffer. Het is een algemene ervaringsregel dat zich in het bovenlichaam vitale organen bevinden en dat het hoofd en de nek dusdanig kwetsbaar zijn dat, indien tegen het hoofd wordt geschopt, de aanmerkelijke kans bestaat dat dit zwaar lichamelijk letsel of de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Nu het een algemene ervaringsregel betreft, moet verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Door niettemin te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Aldus was er sprake van opzet op dit letsel bij [X] en acht de rechtbank het onder feit 2 tenlastegelegde eveneens bewezen.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type-, taal- en redactiefouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad, dat:

1.

hij op 13 augustus 2011 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Spuistraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [X] en [Y], welk geweld bestond uit:

- het meermalen met kracht schoppen tegen het hoofd en lichaam van die [Y] en het meermalen slaan met gebalde vuist tegen het hoofd en gezicht en lichaam van die [Y], en

- het aannemen van een gevechtshouding tegenover die [X] en het meermalen slaan met gebalde vuist tegen het lichaam en hoofd van die [X] en het meermalen met kracht schoppen tegen het lichaam en hoofd en in de richting van het hoofd van die [X];

2.

hij op 13 augustus 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht heeft geschopt tegen het lichaam en in de richting van het hoofd van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar zal worden opgelegd.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte ter zake feit 1 een al dan niet voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 100 uren en op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

6.3. De slachtofferverklaring van [Y]

Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van [Y] blijkt dat hij erg is geschrokken van het feit dat er - na een woordenwisseling - ineens werd geslagen en hij nog steeds werd geschopt terwijl hij al op de grond lag. Aan de wond in zijn wenkbrauw heeft het slachtoffer een dik en rood litteken overgehouden waardoor hij bang is dat mensen een negatief beeld van hem krijgen. Sinds de gebeurtenissen is het slachtoffer op straat meer op zijn hoede en gaat hij minder vaak naar de stad omdat hij zich daar niet meer echt veilig voelt.

6.4. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft gehad en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [Y] en [X] en aan een poging zware mishandeling van [X].

Nadat een korte discussie is ontstaan tussen verdachte [A] en [Y], deelde [A] een klap uit aan [Y] en ontstond er een vechtpartij in de Spuistraat in Den Haag tussen slachtoffers [Y] en [X] enerzijds en verdachten [B], [A] en [verdachte] anderzijds. Verdachte heeft zich daarbij op zijn zachtst gezegd niet onbetuigd gelaten. Verdachte [B] heeft [Y] meerdere malen, met geschoeide voet en met kracht tegen het hoofd geschopt en verdachte [A] heeft [Y] vele malen in het gezicht geslagen. Voorts heeft [B] ook slachtoffer [X] meerdere malen tegen het bovenlichaam en de benen geschopt en ook verdachte heeft [X] meermalen geschopt, niet alleen met kracht tegen het lichaam, maar ook tegen het hoofd, hetgeen, hoewel niet als zodanig ten laste gelegd, bij de afweging van de ernst van het feit gelijk kan worden gesteld aan een poging tot doodslag op [X]. De camerabeelden die van deze vechtpartij beschikbaar waren heeft de rechtbank als zeer schokkend ervaren. Verdachte heeft door zijn handelen het leven van deze [X] ernstig in gevaar gebracht. [X], maar ook verdachte, mag van geluk spreken dat het schoppen tegen het hoofd geen fatale afloop heeft gehad. Dit alles komt in een nog kwader daglicht te staan nu hier tevens sprake is van een vorm van ernstig geweld op de openbare weg, verdachte, [A] en [B] flink wat alcohol hadden gedronken en er geen aanwijsbare aanleiding bestond voor het thans bewezenverklaarde geweld. Het handelen van verdachte kan daarmee naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden betiteld dan als zinloos geweld. De gevoelens van onveiligheid, met name in het uitgaansleven, worden hiermee vergroot en alleen al uit het oogpunt van normhandhaving dient er een forse strafrechtelijke sanctie te volgen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat hier sprake is van dermate ernstige feiten dat die alleen met een aanzienlijke onvoorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden bestraft.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 28 oktober 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens geweldsdelicten.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de ernst van de feiten, de weging van voormelde omstandigheden dient te leiden tot oplegging van een aanzienlijk hogere straf dan door de officier van justitie is geëist. Er is sprake van een poging tot zware mishandeling die, zoals reeds overwogen, evengoed als een poging tot doodslag had kunnen gelden en daarnaast een openlijke geweldpleging. Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank bij de strafoplegging in aanmerking dat verdachte geen geweld heeft gebruikt tegen slachtoffer [Y] en dat er thans geen poging tot doodslag maar een poging tot zware mishandeling bewezen is verklaard. Verdachte lijkt zijn leven op orde te hebben, hij werkt als ZZP-er, als stucadoor, heeft geen schulden, woont bij zijn moeder en is alleen zelf afhankelijk van zijn inkomen.

Hoewel zowel de officier van justitie als de raadsman de oplegging van een werkstraf heeft verzocht, is de rechtbank van oordeel dat zelfs de maximale werkstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf geen recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde. Dat verdachte zich niet in voorlopige hechtenis bevindt is evenmin voldoende grond om uitsluitend nog een werkstraf op te leggen. Bovendien zou het onderscheid tussen de straf van verdachte en verdachte [B] - tegen wie onder andere soortgelijke geweldshandelingen bewezen worden verklaard - onaanvaardbaar groot worden indien verdachte om deze reden iets anders dan een vrijheidsbenemende straf opgelegd zou krijgen.

De rechtbank is van oordeel dat, al het bovenstaande overwegende, niet anders kan worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf waarvan een gedeelte voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren zal worden opgelegd als stok achter de deur om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[Y], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 587,26, vermeerderd met de wettelijke rente, bestaande uit een bedrag van € 87,26 in verband met loonderving onregelmatigheidstoeslag en een bedrag van € 500,00 in verband met immateriële schade.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel en hoofdelijk zal worden toegewezen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij bepleit omdat zij de partiele vrijspraak van de tenlastegelegde handelingen tegen [Y] heeft bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De inhoud van de vordering is door of namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 587,26.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 13 augustus 2011 is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 587,26, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2011 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 45, 57, 141 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

Openlijk en in vereniging geweld plegen tegen personen;

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [Y], een bedrag van € 587,26, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 augustus 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening;

met bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededaders [A] en/of [B] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededaders opgelegde, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 587,26 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [Y];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 11 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.H. Rochat, voorzitter,

mrs G.H.M. Smelt en M.T. Renckens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V. van Rhijn, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 december 2011.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1512 2011169927, van de regiopolitie Haaglanden, gedateerd 14 augustus 2011, met bijlagen (p. 1 t/m 138).

2 Proces-verbaal relaas, p. 6-13

3 Proces-verbaal verhoor verdachte ([X]), p. 66-68

4 Geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van [chirurg], chirurg MCH, p. 134

5 Proces-verbaal verhoor verdachte ([Y]), p. 80

6 Geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van T. Thé, forensisch geneeskundige RMD, p. 136

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 137

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2011

9 Proces-verbaal verhoor verdachte ([B]), p. 76, met als bijlage een geschrift, te weten een foto van de camerabeelden, p. 78

10 Proces-verbaal verhoor verdachte ([A]), p. 86, met als bijlage een geschrift, te weten een foto van de camerabeelden, p. 88

11 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 25 november 2011

12 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 25 november 2011

13 Verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 25 november 2011

14 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2011

15 Eigen waarneming rechtbank, camerabeelden van camera C050 om 01:49:24 uur