Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7402

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
11/26706
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet meewerkt aan het onderzoek door verweerder naar de identiteit en nationaliteit ter fine van verwijdering. Niet in geschil is dat artikel 15, zesde lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn op eiseres van toepassing is. Hieruit volgt dat verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn de bewaringsduur mag verlengen. De rechtbank ziet hierbij geen aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat de term ‘in beperkte mate’ in voornoemd artikel zou inhouden dat van een verlenging eerst sprake zou kunnen zijn wanneer sprake is van een contra-idicatie. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11 / 26706

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 november 2011

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van onbekende nationaliteit, verblijvende in

het detentiecentrum Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr.drs. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. W. Vrooman, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 20 september 2011 beroep ingesteld tegen het besluit tot verlenging van de bewaringstermijn van 21 juli 2011.

1.2 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiseres en aan de rechtbank toegezonden.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 7 november 2011. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Op 21 januari 2011 is eiseres in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 24 oktober 2011 (Awb 11/32586) heeft de rechtbank laatstelijk een eerder tegen het voortduren van de bewaring gericht beroep ongegrond verklaard. Thans staat ter beoordeling het beroep van eiser gericht tegen het verlengingsbesluit van 21 juli 2011. Verweerder heeft de bewaring verlengd op grond van artikel 15, zesde lid, onder a en b, van Richtlijn 2008/115/EG (verder: de Terugkeerrichtlijn).

2.2 Verweerder heeft zich ter zitting op standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gelet op voornoemde uitspraak van 24 oktober 2011 waarin is geoordeeld dat de voortduring van de maatregel van bewaring rechtmatig is.

2.3 De rechtbank deelt voormeld standpunt van verweerder niet. Meergenoemde uitspraak van 24 oktober 2011 zag op het beroepschrift van 10 oktober 2011 gericht tegen het voortduren van de bewaring. Het onderhavige beroep is gericht tegen het verlengingsbesluit van 21 juli 2011.

2.4 Eiseres heeft aangevoerd dat weliswaar niet wordt meegewerkt aan het onderzoek naar de identiteit en nationaliteit ter fine van verwijdering, maar dat zij daarin niet verschilt van andere vreemdelingen. Gelet op het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn kan verlenging van de bewaringstermijn slechts in beperkte mate worden toegepast. Eiseres ziet niet in waarom verweerder in haar geval heeft besloten tot een dergelijke verlenging.

2.5 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres niet meewerkt aan het onderzoek door verweerder naar de identiteit en nationaliteit ter fine van verwijdering. Niet in geschil is dat artikel 15, zesde lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn op eiseres van toepassing is. Hieruit volgt dat verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn de bewaringsduur mag verlengen. De rechtbank ziet hierbij geen aanknopingspunten voor de stelling van eiseres dat de term ‘in beperkte mate’ in voornoemd artikel zou inhouden dat van een verlenging eerst sprake zou kunnen zijn wanneer sprake is van een contra-idicatie.

2.6 Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

2.7 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.D. de Jong, rechter, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.