Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7372

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
11/31936 11/18865
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat het argument van verweerder met betrekking tot de werkwijze van het BMA in het besluit in primo noch in het besluit op bezwaar is genoemd ter onderbouwing van verweerders standpunt dat er geen BMA-advies kon worden ingewonnen. In beide besluiten heeft verweerder immers enkel overwogen dat de toestemmingsverklaring ten behoeve van het OLVG-ziekenhuis niet volledig was ingevuld en dat het BMA als gevolg daarvan niet om advies kon worden gevraagd. De bij de aanvraag overgelegde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater wordt in geen van beide besluiten genoemd. Met de enkele overweging dat het BMA geen advies heeft kunnen uitbrengen omdat de toestemmingsverklaring ten aanzien van het OLVG-ziekenhuis onvolledig is, is, gelet op het feit dat er wel een volledig ingevulde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater is overgelegd, het in het bestreden besluit opgenomen standpunt dat het BMA geen advies heeft kunnen uitbrengen met betrekking tot eiseres, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 11 / 31936 (beroep)

AWB 11 / 18865 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 december 2011

in de zaak van:

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Ghanese nationaliteit,

eiseres/verzoekster,

hierna te noemen eiseres,

gemachtigde: mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Erik, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiseres heeft op 3 februari 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘uitoefenen van gezinsleven conform artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ’ (EVRM). Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 1 juni 2011 afgewezen. Eiseres heeft op 3 juni 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Op 13 juni 2011 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 juni 2011.

1.2 Verweerder heeft het bezwaarschrift bij besluit van 7 september 2011 ongegrond verklaard. Op 3 oktober 2011 heeft eiseres hiertegen beroep ingesteld. De rechtbank zal het petitum van het door eiseres reeds ingediende verzoekschrift thans in die zin opvatten dat verzocht is om verweerder te verbieden eiseres uit te zetten zolang nog niet op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.R. Sitaldin, waarnemer van mr. dr. G.P. Dayala. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres geen beroep kan doen op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van haar gezondheidstoestand. Eiseres heeft immers verzuimd om haar medische behandelaar bij het OLVG-ziekenhuis bij naam te noemen, waardoor de toestemmingsverklaring niet volledig is ingevuld en het Bureau Medische Advisering (BMA) het bestaan van medische klachten niet heeft kunnen onderzoeken en geen advies heeft kunnen uitbrengen. Aldus kan een medische noodsituatie niet worden vastgesteld en kan niet worden beoordeeld of het gelet op de gezondheidstoestand van eiseres verantwoord is om te reizen. Evenmin komt eiseres in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste op de grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Voorts bestaat er geen grond om aan te nemen dat toepassing van artikel 3.71, eerste lid van de Vb in dit geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zodat een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, Vb faalt.

2.2 Eiseres heeft daartegen aangevoerd dat zij bij haar aanvraag reeds een toestemmingsverklaring heeft overgelegd met betrekking tot haar psychiater dr. Lionarons. Verweerder heeft verzuimd bij hem informatie in te winnen, hetgeen het besluit onvolledig en onzorgvuldig maakt. De gezondheidsklachten van eiseres die naar voren komen in de door haar overgelegde medische verklaringen van de psychiater hadden voor verweerder reden moeten zijn om advies in te winnen bij het BMA alvorens op de aanvraag te beslissen. Tot slot is het besluit onzorgvuldig vanwege het feit dat verweerder geen acht heeft geslagen op de aanvullende toestemmingsverklaring die eiseres bij het loket van de IND heeft verstrekt voor haar behandelaar in het OLVG-ziekenhuis.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.3 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de vergunning is aangevraagd.

2.4 In artikel 17 Vw zijn categorieën vreemdelingen opgesomd aan wie het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen. Zo wordt op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

2.5 Niet in geschil is dat eiseres niet in het bezit is van een mvv. De vraag die partijen onder meer verdeeld houdt is of verweerder zonder een BMA-advies over de gezondheidstoestand van eiseres heeft kunnen overwegen dat zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van het bepaalde in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

2.6 Vaststaat dat eiseres bij haar aanvraag een toestemmingsverklaring heeft overgelegd ten behoeve van haar psychiater, dr. Lionarons, gedateerd op 3 december 2010. Daarnaast heeft eiseres in bezwaar een medische verklaring van haar psychiater overgelegd, gedateerd op 17 december 2010 waarin onder meer staat dat eiseres lijdt aan een depressieve stoornis die gepaard gaat met gegeneraliseerde angst en gesomatiseerde spanning, dat de behandeling langdurig zal zijn en zonder onderbreking dient te worden voortgezet om decompensatie te voorkomen. Voorts heeft eiseres bij haar aanvraag een toestemmingsverklaring overgelegd ten aanzien van het OLVG-ziekenhuis, waarop de naam van de behandelend arts niet is ingevuld.

2.7 Ten aanzien van de stelling van eiseres dat geen sprake is van een onvolledig ingevulde toestemmingsverklaring ten aanzien van het OLVG-ziekenhuis, nu zij de naam van haar behandelend arts in het OLVG-ziekenhuis mondeling heeft gemeld bij het indienen van haar aanvraag bij het IND-loket, overweegt de rechtbank dat eiseres hierin niet gevolgd wordt, aangezien zij deze stelling niet heeft onderbouwd.

2.8 Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder betoogd dat het BMA alleen een advies kan uitbrengen indien zij beschikt over alle medische gegevens van eiseres en dat zij geen deeladvies kan uitbrengen over de medische situatie van eiseres enkel op grond van haar medische gegevens van de psychiater. Nu op de toestemmingsverklaring met betrekking tot de behandeling van eiseres in het OLVG-ziekenhuis de naam van de behandelaar ontbreekt, heeft het BMA geen advies kunnen uitbrengen. Volgens verweerder is deze werkwijze van het BMA vaste praktijk.

2.9 De rechtbank stelt vast dat het argument van verweerder met betrekking tot de werkwijze van het BMA in het besluit in primo noch in het besluit op bezwaar is genoemd ter onderbouwing van verweerders standpunt dat er geen BMA-advies kon worden ingewonnen. In beide besluiten heeft verweerder immers enkel overwogen dat de toestemmingsverklaring ten behoeve van het OLVG-ziekenhuis niet volledig was ingevuld en dat het BMA als gevolg daarvan niet om advies kon worden gevraagd. Niet overwogen is dat de overgelegde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater op zich zelf onvoldoende is voor het BMA, gelet op voornoemde werkwijze. De bij de aanvraag overgelegde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater wordt in geen van beide besluiten genoemd. Met de enkele overweging dat het BMA geen advies heeft kunnen uitbrengen omdat de toestemmingsverklaring ten aanzien van het OLVG-ziekenhuis onvolledig is, is, gelet op het feit dat er wel een volledig ingevulde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater is overgelegd, aangevuld met nadere medische informatie, het in het bestreden besluit opgenomen standpunt dat het BMA geen advies heeft kunnen uitbrengen met betrekking tot eiseres, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Verweerder heeft daarmee voorts onzorgvuldig gehandeld door zonder BMA-advies te concluderen dat eiseres niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. In zoverre is het besluit dan ook genomen in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal, gelet op het voorgaande, het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 Awb.

2.10 Volgt de vraag of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.11 Verweerder baseert zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat het BMA geen advies kon inwinnen met betrekking tot eiseres op de door hem genoemde werkwijze van het BMA, waarbij het BMA geen deeladvies uitbrengt indien zij niet beschikt over alle medische gegevens. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat deze werkwijze vaste praktijk is, doch niet kenbaar is vastgelegd in beleid.

2.12 Nu verweerders stelling met betrekking tot de werkwijze van het BMA niet blijkt uit het door verweerder te hanteren beleid, neergelegd in B/8.3 Vreemdelingencirculaire (Vc), en ook overigens niet is onderbouwd en de rechtbnak ook ambtshalve niet bekend is, volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat geen medisch advies kan worden ingewonnen indien met de overgelegde (volledige ingevulde) toestemmingsverklaringen niet de hele medische problematiek van een vreemdeling in beeld gebracht kan worden.

2.13 Uit het voorgaande volgt dat verweerder ook zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de door eiseres overgelegde toestemmingsverklaring ten behoeve van de psychiater niet tot een BMA-advies kan leiden, onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd. Hieruit volgt dat verweerder met zijn ter zitting ingenomen standpunt evenmin het in rechtsoverweging 2.8 geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek heeft kunnen wegnemen.

2.14 Zoals overwogen, zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De overige gronden van beroep behoeven gelet daarop geen bespreking meer.

2.15 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

2.16 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

2.17 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.18 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.19 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

2.20 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiseres;

3.5 draagt verweerder op € 152,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan eiseres;

3.8 draagt verweerder op € 152,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, rechter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. I. Boland, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2011.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.