Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7277

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
AWB 11-17421
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen proces-belang gelet op ongewenstverklaring

De stelling van eiser ter zitting dat hij, gelet op bovengenoemde jurisprudentie van de Afdeling, gedwongen wordt zijn vrees voor vervolging dan wel het risico op schending van artikel 3 EVRM in de procedure over de opheffing van zijn ongewenstverklaring te bepleiten, hetgeen in die procedure niet naar behoren kan, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 mei 2007 met nr. 200701433/1) kan een vreemdeling in een procedure tegen de ongewenstverklaring of in een procedure tegen de eventuele weigering om die ongewenstverklaring op te heffen al zijn stellingen ter onderbouwing van zijn gestelde vrees voor vervolging dan wel gesteld risico op schending van artikel 3 EVRM naar voren brengen. Tegen beslissingen in deze procedures staan rechtsmiddelen open die de mogelijkheid tot rechtsherstel bieden. Eiser wordt dan ook niet een effectief rechtsmiddel onthouden en van schending van artikel 13 EVRM is dan ook geen sprake. Eiser heeft zich slechts in het algemeen beroepen op de Procedurerichtlijn en geen bepalingen genoemd dan wel argumenten aangedragen, op grond waarvan het vorenstaande niet langer zou gelden.

Het beroep van eiser, tenslotte, op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn kan de rechtbank niet volgen. In dat artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Dit beginsel is in acht genomen in de Europese regelgeving inzake asiel en subsidiaire bescherming, zoals hierboven besproken en behoeft derhalve geen afzonderlijke beoordeling meer. Vorenstaande geldt eveneens voor het door eiser genoemde artikel 7 IBPR, dat dezelfde strekking heeft als artikel 3 EVRM.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de vaste lijn van de jurisprudentie van de Afdeling. Nu de ongewenstverklaring van eiser in rechte vast staat en thans nog niet is beslist op het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring, heeft eiser geen belang bij het onderhavige beroep. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 11/17421

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 24 oktober 2011

in de zaak van:

[naam eiser]

geboren op [geboortedatum], van Soedanese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 11 mei 2011 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 18 mei 2011 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 23 mei 2011 beroep ingesteld.

1.2 Bij uitspraak van 7 juni 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (AWB 11/17422) het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen en bepaald dat de uitzetting van verzoeker achterwege blijft totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2011. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.E. Hoftijzer, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is niet ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 10 januari 2009 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 13 februari 2009 is de aanvraag afgewezen. Het door eiser ingediende beroep is op 2 juni 2009 door de rechtbank ’s-Gravenhage (AWB 09/5140, AWB 09/5139) ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep op 27 juli 2009 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bevestigd (nr. 200904739/1/V2). Hiermee is het besluit van 13 februari 2009 in rechte komen vast te staan.

Op 12 april 2010 is eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 5 januari 2011 is het door eiser ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Op 1 juni 2010 heeft eiser een tweede aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke bij besluit van 7 juni 2010 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden is afgewezen. Het door eiser ingediende beroep is bij uitspraak van 8 juli 2010 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle (AWB 10/20212, AWB 10/20209) niet-ontvankelijk verklaard.

Op 14 mei 2011 is verzocht om opheffing van het besluit tot ongewenstverklaring. Daarop is, voorzover bekend, thans nog niet beslist.

2.2 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn (derde) asielaanvraag het volgende aangevoerd. Eiser acht de situatie in Soedan gevaarlijk omdat zijn familie problemen heeft ondervonden. Eiser wordt zelf nog steeds gezocht in Soedan. De algemene situatie in Soedan is verslechterd ten opzichte van het eerste afwijzende besluit. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser verschillende stukken overgelegd.

2.3 Verweerder heeft de aanvraag van eiser primair afgewezen onder verwijzing naar artikel 67, derde lid, Vw. Volgens verweerder heeft eiser geen procesbelang, omdat hij door het besluit tot ongewenstverklaring geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8 Vw kan krijgen. Verweerder heeft de aanvraag subsidiair afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Er is volgens verweerder sprake van een ongeloofwaardig relaas. De door eiser gestelde verslechterde situatie in Soedan blijkt niet uit het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Soedan. Eisers subjectieve vrees is niet onderbouwd.

2.4 Eiser voert, samengevat, de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aan. Onder verwijzing naar diverse uitspraken van de Afdeling stelt eiser dat een beroep op het verbod op refoulement, niet naar behoren aan de orde kan worden gesteld in een procedure inzake de ongewenstverklaring. Eiser stelt in dit verband dat artikel 67, derde lid, Vw in de weg staat aan een beroep op het door het Unierecht toegekende recht op bescherming tegen vrees voor vervolging op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. Eiser verwijst in dit kader naar richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) en artikel 18 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (2000/C 364/01, 18 december 2000, hierna: Handvest). Daarnaast is ter zitting bij de behandeling van de voorlopige voorziening een beroep gedaan op richtlijn 2005/85/EG (Procedurerichtlijn), artikel 5 van richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn), artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 7 van het Internationale verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Die bescherming wordt niet gegeven door de beoordeling van een gestelde schending van artikel 3 EVRM in de procedure tegen de ongewenstverklaring (of in een procedure tegen de eventuele weigering om die ongewenstverklaring op te heffen), omdat, indien die schending wordt aangenomen, de vreemdeling weliswaar niet kan worden uitgezet, maar de ongewenstverklaring van kracht blijft met alle onderzekerheden van dien. Indien een refoulementverbod zich tegen uitzetting van een vreemdeling verzet, behoort internationale bescherming te worden geboden en asiel te worden verleend en dient de ongewenstverklaring dus te worden opgeheven. Daarnaast blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1964 (C-6/64, Costa/ENEL) dat het Unierecht voorrang heeft boven het nationale recht. Om die reden moet artikel 67, derde lid, Vw buiten toepassing blijven.

2.5 Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een vreemdeling ongewenst worden verklaard indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met 3, dan wel l, Vw.

2.6 Ingevolge artikel 67, derde lid, van de Vw kan de ongewenst verklaarde vreemdeling in afwijking van artikel 8 van die wet geen rechtmatig verblijf hebben.

2.7 Het geding spitst zich toe op de vraag of eiser belang heeft bij de het onderhavige beroep, dat is gericht tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, terwijl eiser ongewenst is verklaard.

2.8 In voornoemde uitspraak van 7 juni 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats overwogen dat zij de voorlopige voorzieningsprocedure niet de aangewezen procedure achtte om de hiervoor opgeworpen vraag te beantwoorden, waarna de voorzieningenrechter, gelet op de betrokken belangen, het verzoek zonder inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde gronden, heeft toegewezen.

2.9 De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 6 juli 2006, LJN AY3849) een vreemdeling geen belang heeft bij een beroep tegen een besluit op een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, dan wel een intrekking daarvan, zolang hij ongewenst is verklaard, omdat dit beroep, gelet op het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw, nimmer tot rechtmatig verblijf kan leiden. Een vreemdeling heeft in dat geval pas (weer) belang bij toetsing in rechte van een afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning, of de intrekking van een verblijfsvergunning, als het besluit tot ongewenstverklaring wordt vernietigd of ingetrokken, of als de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Om deze toetsing op dat moment mogelijk te maken, ook indien een besluit omtrent de aanvraag of intrekking inmiddels in rechte vaststaat, kan een vreemdeling de minister verzoeken de intrekking van de verblijfsvergunning te heroverwegen, of kan de vreemdeling een nieuwe aanvraag om verlening of verlenging van een zodanige vergunning indienen. Aan de toetsing van het op die aanvraag te nemen besluit staat niet in de weg het algemene rechtsbeginsel dat eenzelfde geschil niet ten tweede male aan de rechter worden voorgelegd, aldus de Afdeling.

2.10 Het standpunt van eiser komt er, gelet op de toelichting ter zitting, mede op neer dat aan vorengenoemde jurisprudentie van de Afdeling niet langer betekenis kan toekomen, aangezien die jurisprudentie tot stand is gekomen in een periode dat het Europese asielsysteem nog niet geheel was uitgewerkt. Inmiddels is er het Handvest en zijn er meer richtlijnen. Uit het Europees asielsysteem volgt volgens eiser dat beoordeeld moet worden of er een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM bestaat en zo ja, dan moet een status worden verleend. Dat kan niet naar behoren in een procedure over het opleggen dan wel opheffen van de ongewenstverklaring.

2.11 Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna: het VEU), voor zover thans van belang, erkent de Unie de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgesteld in het Handvest, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft.

Artikel 6 van het VEU, zoals gewijzigd door het Verdrag van Lissabon, is op 1 december 2009 in werking getreden. Eerst met die inwerkingtreding is het EU Handvest bindend geworden. Ten tijde van het bestreden besluit was het

Handvest derhalve bindend.

2.12 Artikel 18 van het Handvest luidt als volgt:

“Het recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG).”

2.13 Volgens de Toelichtingen bij het Handvest (gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie van 14 december 2007, C 303/02), die ingevolge artikel 6, eerste lid, derde alinea, van het VEU en overeenkomstig artikel 52, zevende lid, van het Handvest voor de uitlegging daarvan in acht moeten worden genomen, is het in artikel 18 bedoelde recht op asiel gebaseerd op artikel 63 VEG, thans artikel 78 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Artikel 78 VWEU stelt als doel voor het gemeenschappelijk beleid inzake asiel en subsidiaire bescherming een “passende status” te verlenen aan iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft.

2.14 De rechtbank stelt vast dat het Europese beleid om aan iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming behoeft een passende status te verlenen met name is geregeld in de artikelen 13 en 18 Definitierichtlijn. Deze artikelen kennen het recht op de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingstatus toe aan personen die als vluchteling worden erkend respectievelijk personen die subsidiaire bescherming genieten. Dit zijn evenwel geen absolute rechten, zoals onder meer blijkt uit artikel 14, vierde en vijfde lid, artikel 17 en artikel 19, derde lid, Definitierichtlijn, waarin de voorwaarden voor intrekking, beëindiging of weigering tot verlening en verlenging van de vluchtelingenstatus respectievelijk subsidiaire beschermingsstatus wegens openbare orde-aspecten zijn neergelegd.

Voornoemde bepalingen zijn geïmplementeerd in artikel 3.105b en 3.105e van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). In Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2011/2 heeft verweerder thans als volgt uitvoering aan deze bepalingen gegeven:

Paragraaf A5/4.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) komt te luiden:

Als uitgangspunt geldt dat slechts in de volgende drie situaties gesproken kan worden van bijzondere feiten en omstandigheden, die mogelijk een opheffing van de ongewenstverklaring rechtvaardigen:

a. (...)

b. (…)

c. toepasselijkheid van artikel 3.105b of artikel 3.105e Vb.

(…)

Ad c. Toepasselijkheid van artikel 3.105b of artikel 3.105e Vb

Indien een ongewenstverklaarde vreemdeling een asielaanvraag indient en aannemelijk maakt dat hij verdragsvluchteling is, dan wel dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, moet de ongewenstverklaring worden opgeheven en aan hem op grond van artikel 3.105b Vb, respectievelijk artikel 3.105e Vb, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend. Dit is slechts dan niet van toepassing als de vreemdeling zich heeft schuldig gemaakt aan openbareordeverstoringen als omschreven in voornoemde bepalingen of als artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

Instandhouding van de ongewenstverklaring, terwijl de vreemdeling op grond van deze bepalingen in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, zou een schending opleveren van Richtlijn 2004/83/EG.

(…)

2.15 De rechtbank is van oordeel dat met de implementatie van de hierboven genoemde artikelen van de Definitierichtlijn in de artikelen 3.105b en 3.105e Vb, uitgewerkt in paragraaf A5/4.4 Vc, het uit het Unierecht voortvloeiende recht op de vluchtelingenstatus respectievelijk de subsidiaire beschermingsstatus in het nationale recht voor ongewenst verklaarde vreemdelingen, zoals eiser, gewaarborgd is. Derhalve kan eiser, ook al is hij ongewenst verklaard, aanspraak maken op de door het Unierecht geboden bescherming. Aan die bescherming wordt geen afbreuk gedaan door het bepaalde in artikel 67, derde lid, Vw. Immers, indien eiser zijn vrees voor vervolging dan wel het gestelde risico op schending van artikel 3 EVRM aannemelijk maakt, zal verweerder de ongewenstverklaring opheffen en hem een verblijfsvergunning asiel verlenen. Het standpunt van eiser dat zijn gestelde schending van artikel 3 EVRM in de procedure over het opheffen van de ongewenstverklaring slechts kan leiden tot het oordeel dat hij niet kan worden uitgezet en de ongewenstverklaring in stand blijft, is dan ook onjuist.

2.16 De stelling van eiser ter zitting dat hij, gelet op bovengenoemde jurisprudentie van de Afdeling, gedwongen wordt zijn vrees voor vervolging dan wel het risico op schending van artikel 3 EVRM in de procedure over de opheffing van zijn ongewenstverklaring te bepleiten, hetgeen in die procedure niet naar behoren kan, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 9 mei 2007 met nr. 200701433/1) kan een vreemdeling in een procedure tegen de ongewenstverklaring of in een procedure tegen de eventuele weigering om die ongewenstverklaring op te heffen al zijn stellingen ter onderbouwing van zijn gestelde vrees voor vervolging dan wel gesteld risico op schending van artikel 3 EVRM naar voren brengen. Tegen beslissingen in deze procedures staan rechtsmiddelen open die de mogelijkheid tot rechtsherstel bieden. Eiser wordt dan ook niet een effectief rechtsmiddel onthouden en van schending van artikel 13 EVRM is dan ook geen sprake. Eiser heeft zich slechts in het algemeen beroepen op de Procedurerichtlijn en geen bepalingen genoemd dan wel argumenten aangedragen, op grond waarvan het vorenstaande niet langer zou gelden.

2.17 Het beroep van eiser, tenslotte, op artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn kan de rechtbank niet volgen. In dat artikel is, voor zover hier van belang, bepaald dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Dit beginsel is in acht genomen in de Europese regelgeving inzake asiel en subsidiaire bescherming, zoals hierboven besproken en behoeft derhalve geen afzonderlijke beoordeling meer.

2.18 Vorenstaande geldt eveneens voor het door eiser genoemde artikel 7 IBPR, dat dezelfde strekking heeft als artikel 3 EVRM.

2.19 Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding af te wijken van de vaste lijn van de jurisprudentie van de Afdeling. Nu de ongewenstverklaring van eiser in rechte vast staat en thans nog niet is beslist op het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring, heeft eiser geen belang bij het onderhavige beroep. De rechtbank zal het beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

2.20 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.J. van Beek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2011.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.