Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7251

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
09-607708-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX4727, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot afpersing in vereniging. Verdachte heeft op zondag 17 april 2011 in de vroege ochtend samen met anderen getracht een echtpaar in zijn woning te overvallen. Door verdachte en zijn mededaders is de woning in de vroege ochtend langere tijd geobserveerd en vervolgens zijn zij uiteindelijk de woning binnengegaan. Daar hebben zij getracht onder bedreiging met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de slachtoffers te dwingen tot de afgifte van geld. Het is enkel aan de assertieve reactie van één van de slachtoffers te danken dat het delict niet is voltooid en dat verdachte en zijn mededaders de woning zonder buit hebben moeten verlaten. Gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek. Zie ook LJN BU7265 (medeverdachte Y).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/607708-11

Datum uitspraak: 5 december 2011

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte (X)],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Haaglanden - Zoetermeer" te

Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 28 juli 2011, 21 oktober 2011 en 21 november 2011.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Wesseldijk en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 april 2011 te Leiden, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A] en/of [B] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goederen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A] en/of [B], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen:

- de woning waarin die [A] en [B] zich bevonden, is binnengegaan en/of/waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [A] en/of die [B] heeft/is gericht, althans op een voor die [A] en/of [B] duidelijk zichtbare wijze voorhanden heeft gehad/was

- en/of daarbij heeft/is geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en/of "Geld, geld!", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op 17 april 2011 zijn [B] in hun woning overvallen door een aantal personen die onder bedreiging met een vuurwapen hebben getracht hen te dwingen tot de afgifte van geld. Doordat [A] de overvallers uit de woning heeft weten te werken, is het bij een poging tot een woningoverval gebleven. De overvallers zijn, nadat zij de woning hadden verlaten, allen weggerend. Vervolgens zijn rond het tijdstip van de overval in de buurt van de woning verdachte en medeverdachte [Y] aangehouden. De verdenking bestaat dat zij (twee van) de personen zijn die hebben getracht de woningoverval te plegen.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing in vereniging.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Primair heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte onrechtmatig is aangehouden en dat derhalve alle bewijsmiddelen die zijn voortgevloeid uit die aanhouding niet voor het bewijs mogen worden gebezigd. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte één van de personen is die het feit hebben gepleegd.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Op 17 april 2011 omstreeks 6:30 uur zitten [A] en zijn echtgenote [B] in de woonkamer van hun woning aan de [adres] te Leiden. Plotseling zien zij drie danwel vier personen de gang van de woning inlopen. Zij hebben een panty over hun hoofd en/of een capuchon op. De voorste persoon richt vervolgens een vuurwapen in de richting van [A] en schreeuwt daarbij: "Geld, geld!" en/of "Dit is een overval, dit is een overval!". [A] springt van de bank af en duwt direct de gangdeur dicht, waarna hij de overvallers zijn woning uitwerkt. Twee van hen rennen weg richting de Atjehstraat en aldaar aangekomen via de Atjehstraat richting de Kooilaan.2

Vast staat dat de daders zich schuldig hebben gemaakt aan een poging tot afpersing in vereniging. Het is aan het kordate optreden van één van de slachtoffers te danken dat het strafbare feit niet is voltooid. De vraag die vervolgens beantwoord moet worden is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte één van de daders is.

De rechtbank is, gelijk het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Omstreeks 6:27 uur rijdt een verbalisant in burger in zijn vrije tijd op zijn motor over de Kooilaan te Leiden en ziet een man uit de Atjehstraat richting de Bielsenstraat rennen. Vervolgens ziet hij nog een man uit de Atjehstraat aan komen rennen, een tiental meters achter de eerste man aan. Hij ziet dat de tweede man een groene klos waslijn verliest op de Kooilaan waar deze overgaat in de Bielsenstraat. De man kijkt naar de verloren waslijn, maar laat deze liggen en rent door. De verbalisant wenkt een toevallig passerende motoragent in uniform, die de (tweede) man vervolgens staande houdt. Desgevraagd kan de man geen legitimatiebewijs tonen. Op dat moment horen de verbalisanten via de mobilofoon dat er zojuist een gewapende overval met meerdere daders heeft plaatsgevonden op de [adres] te Leiden. De [adres] is de eerste zijstraat van de Atjehstraat, gezien vanaf de Kooilaan. Hierop wordt de man, die [verdachte] blijkt te zijn genaamd, aangehouden.3 Bij verdachte worden bij zijn fouillering in zijn jas een groene latex handschoen, een panty en een zwarte muts aangetroffen. In de capuchon van de jas van verdachte wordt nog een panty aangetroffen. Van beide panty's zijn de beenstukken aan elkaar geknoopt. 4

De raadsman heeft, met verwijzing naar jurisprudentie, aangevoerd dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig was, omdat het enkele rennen uit de richting van een straat met daarin gelegen een woning waar zojuist is getracht een overval te plegen, onvoldoende is voor een redelijk vermoeden van schuld. Dit verweer gaat echter niet op. De rechtbank is, gelijk het standpunt van de officier van justitie, van oordeel dat de staandehouding en daarop volgend de aanhouding van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden. Zij overweegt hiertoe als volgt. De desbetreffende verbalisant ziet op een zondag in de vroege ochtend, te weten rond 6:30 uur, twee mannen door een woonwijk rennen, waarvan één van deze twee mannen tijdens het rennen een klos waslijn verliest, er naar kijkt en vervolgens doorrent. Deze situatie alleen al vormt naar het oordeel van de rechtbank voldoende grond om verdachte staande te houden en naar zijn legitimatiebewijs te vragen. Op het moment dat de verbalisanten met de staande gehouden verdachte in gesprek zijn, en nog voordat zij hem eventueel hebben aangehouden voor het niet voldoen aan de legitimatieplicht, krijgen zij via de mobilofoon de melding van een poging gewapende overval met meerdere daders, op een woning in de nabij gelegen [adres]. Nu deze woning op een steenworp afstand ligt van de plaats waar de verbalisanten verdachte en een andere man zagen rennen en verdachte bovendien uit de richting van genoemde straat kwam rennen, kon hij op het moment van aanhouding wegens genoemd feit in redelijkheid worden aangemerkt als verdachte in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het voorgaande heeft de aanhouding van verdachte dan ook rechtmatig plaatsgevonden en kan al het bewijs dat uit die aanhouding is voortgekomen, voor het bewijs worden gebezigd.

Nadat de overvallers de woning aan de [adres] hadden verlaten, heeft [A] de politie gebeld. De verbalisanten die op de melding afgaan, horen dat op de Kooilaan inmiddels één verdachte is aangehouden en dat een andere verdachte, gekleed in een grijze joggingbroek en een zwarte jas, is weggerend. Omstreeks 6:30 uur zien zij op de Bufferkade een lichtgetinte jongen in een grijze joggingbroek en zwarte jas lopen en roepen hem aan. Als deze jongen de politie ziet, rent hij weg. Na een achtervolging, waarbij de jongen zich korte tijd verstopt in de bosjes, wordt hij uiteindelijk om 6:50 uur op de Herensingel te Leiden aangehouden. De jongen blijkt te zijn genaamd [Y].5 De verbalisanten die kort daarvoor verdachte hadden aangehouden, herkennen medeverdachte [Y] als de persoon die zij als eerste uit de Atjehstraat zagen rennen.6

Op en rond het moment van de poging overval zijn door bewakingscamera's, die zijn bevestigd aan de voor- en achterzijde van de woning aan de [adres] te Leiden, camerabeelden geregistreerd. De rechtbank heeft deze beelden in aanwezigheid van verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie ter terechtzitting bekeken en heeft daarop het volgende waargenomen:7

Om 5:15:17 uur maakt een persoon (persoon 1) die een lichtkleurige broek, een donkerkleurige glimmende jas en een donkerkleurige capuchon van een andere stof draagt, het tuinhekje open. Om 5:15:50 uur loopt deze persoon de tuin in richting de woning. Om 5:16:19 uur loopt de persoon de tuin weer uit.8

Om 6:25:11 uur lopen vanuit de richting van de Atjehstraat drie mannen voorbij de woning. Om 6:25:27 uur verschijnen dezelfde mannen weer in beeld. De voorste man (persoon 2) draagt aan zijn rechterhand een groene handschoen en houdt in die hand een klein op een vuistvuurwapen gelijkend voorwerp vast. Naast hem is persoon 1 te zien. Om 6:25:30 rennen de mannen weg richting de Atjehstraat.9

De rechtbank heeft het uiterlijk van persoon 2 vergeleken met uit het uiterlijk van de verdachte ter terechtzitting en stelt vast dat zijn uiterlijk op kenmerkende punten - zoals de neus, mond en kin - overeenkomsten vertoont. Bovendien stelt de rechtbank vast dat de kleding die persoon 2 op de beelden draagt, overeenkomt met de kleding die verdachte droeg tijdens zijn aanhouding.10

Daarbij komt dat na de aanhouding van verdachte in zijn linkerjaszak en in de capuchon van zijn jas in totaal twee panty's zijn aangetroffen waarvan de beenstukken aan elkaar geknoopt zijn.11 Een van deze panty's heeft twee gaten in het bovenstuk.12 Aangever [A] heeft verklaard dat de overvallers panty's over hun hoofd droegen. In de linkerjaszak van verdachte is voorts een groene latex handschoen aangetroffen. Even later is vlakbij de plek waar verdachte is aangehouden in de bosjes nog een groene latex handschoen aangetroffen.13 Uit sporenonderzoek is gebleken dat deze handschoenen qua kleur, grootte en materiaalsoort soortgelijk zijn.14

Verdachte ontkent dat hij te zien is op de camerabeelden en heeft zich verder beroepen op zijn zwijgrecht.

Gelet op het bovenstaande - in onderling verband en samenhang bezien - en de omstandigheid dat verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse en de omstandigheden waaronder hij is aangehouden, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte één van de personen is die de overval hebben gepleegd en dat hij zich derhalve schuldig heeft gemaakt aan poging tot afpersing in vereniging.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 17 april 2011 te Leiden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [A] en [B] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [A] en/of [B], met zijn mededaders:

- de woning waarin die [A] en [B] zich bevonden, is binnengegaan waarbij een vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [A] gericht, althans op een voor die [A] en [B] duidelijk zichtbare wijze voorhanden heeft gehad

- en daarbij heeft geroepen, althans gezegd: "Dit is een overval, dit is een overval!" en "Geld, geld!", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - gelet op zijn bepleite vrijspraak - geen strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft op zondag 17 april 2011 in de vroege ochtend samen met anderen getracht [A] en [B] in hun woning te overvallen. Door verdachte en zijn mededaders is de woning in de vroege ochtend langere tijd geobserveerd en vervolgens zijn zij uiteindelijk de woning binnengegaan. Daar hebben zij getracht onder bedreiging met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, de slachtoffers te dwingen tot de afgifte van geld. Het is enkel aan de assertieve reactie van één van de slachtoffers te danken dat het delict niet is voltooid en dat verdachte en zijn mededaders de woning zonder buit hebben moeten verlaten.

De overval vond plaats op een vroege zondagochtend in de beschermde omgeving van de woning van de slachtoffers, een plaats waar zij zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote emotionele impact hebben op de slachtoffers, hetgeen ook uit de verklaring van een van de slachtoffers, die zich tevens als benadeelde partij in deze strafzaak heeft gevoegd, is gebleken. Verdachte heeft zich kennelijk laten leiden door zijn eigen financiële gewin, zonder daarbij stil te staan bij de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Daar komt nog bij dat een dergelijk feit de rechtsorde schokt en bijdraagt aan algemene gevoelens van onveiligheid. Deze handelingen worden verdachte dan ook zwaar aangerekend. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien zeer aan dat hij geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat hij samen met zijn mededaders heeft aangericht.

De rechtbank heeft bij de strafbepaling verder rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie van 21 november 2011 betreffende verdachte. Daaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Bovendien liep verdachte in een proeftijd van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf op het moment dat hij het onderhavige strafbare feit pleegde.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte op 18 november 2011 is veroordeeld voor diefstal met geweld in vereniging tot 24 maanden gevangenisstraf en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan een misdrijf dat door verdachte voor de hierboven genoemde datum is gepleegd.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de retourzending van het rapportageverzoek van Reclassering Nederland van 22 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet heeft willen meewerken aan de totstandkoming van een reclasseringsadvies.

Op grond van oriëntatiepunten welke deze rechtbank hanteert, is het uitgangspunt bij de straftoemeting inzake een voltooide overval op een woning waarbij sprake is van licht geweld danwel bedreiging met geweld, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Als strafverzwarende elementen neemt de rechtbank in aanmerking dat de daders vermomd waren en dat bij de overval gebruik is gemaakt van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Ook het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten weegt strafverzwarend.

De rechtbank houdt verder rekening met het feit dat verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, tijdens de overval een leidende rol heeft vervuld, doordat hij als eerste de woning is binnengegaan en vervolgens de slachtoffers heeft bedreigd met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 36 maanden passend en geboden is.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[A] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 29.960,-.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren danwel af te wijzen, aangezien de vordering niet van eenvoudige aard is en onvoldoende is onderbouwd.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op materiële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat het bestaan van deze gestelde schade niet is onderbouwd en omdat onvoldoende is komen vast te staan dat deze schade rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op immateriële schade, tot een bedrag van € 1500,- naar billijkheid toewijsbaar, nu door of namens de verdachte de omvang daarvan niet is betwist en nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 1500,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

8. De inbeslaggenomen goederen

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage aan dit vonnis is gehecht) onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan verdachte toebehoren en met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid.

Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

9. De vordering tenuitvoerlegging

9.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 2 juni 2009 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden.

9.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - gelet op zijn bepleite vrijspraak - verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

9.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 1 september 2011 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 2 juni 2009, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom schuldig heeft gemaakt aan een soortgelijk strafbaar feit.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 14g, 33, 33a, 36f, 45, 63, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [A], wonende [adres], een bedrag van € 1500,- , met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 1500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [A];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader [mededader] aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader [mededader] opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1 tot en met 4 genummerde voorwerpen, te weten:

1. 1.00 STK Draad, Kl:Groen, Waslijn;

2. 1.00 STK Panty Kl:Bruin, met knoop erin;

3. 1.00 STK Panty Kl:Bruin, met knoop erin;

4. 1.00 STK Mes, betreft scheermes met zwart handvat;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de Meervoudige Strafkamer van de rechtbank Rotterdam d.d. 2 juni 2009, gewezen onder parketnummer 10/631029-09, te weten gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Timmermans, voorzitter,

mrs Bruining en Van der Meer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Schrover, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2011.

Mr. Van der Meer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1640/2011 056878, van de regiopolitie Hollands Midden, met bijlagen.

2 Proces-verbaal aangifte, [A], 17 april 2011, p. 47; Proces-verbaal verhoor getuige [B], 17 april 2011, p. 51-52

3 Proces-verbaal aanhouding [verdachte], 17 april 2011, p. 20-22.

4 Proces-verbaal van bevindingen, 17 april 2011, p. 9.

5 Proces-verbaal aanhouding [Y], 17 april 2011, p. 32; Proces-verbaal van bevindingen, 17 april 2011, p. 34-36.

6 Proces-verbaal van bevindingen, 17 april 2011, p. 38.

7 De tijdsaanduiding van de beelden verschilt ongeveer 1 uur ten opzichte van de werkelijke tijd, gezien het tijdstip van de melding van 06:30 uur, zie Proces-verbaal van bevindingen, p. 103.

8 Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 21 november 2011.

9 Waarneming van de rechtbank ter terechtzitting d.d. 21 november 2011.

10 Proces-verbaal, 14 juni 2011, p. 80 met bijlagen p. 87-91 en 96; Bijlagen 10 en 11 bij het proces-verbaal van bevindingen PL1640 2011056878-46, 5 september 2011.

11 Proces-verbaal van bevindingen, 17 april 2011, p. 9.

12 Foto panty, p. 94.

13 Proces-verbaal van bevindingen, 17 april 2011, p. 12.

14 Proces-verbaal sporenonderzoek, 29 april 2011, p. 98-101.