Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-08-2011
Datum publicatie
08-12-2011
Zaaknummer
399145/KG ZA 11-873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, aanbestedingsrecht; aanbesteding van kantoorartikelen.

Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de winnende inschrijvingen ongeldig verklaard had moeten worden. Anders dan eiseres kennelijk meent, gaat de motiveringsplicht van de aanbestedende dienst niet zover dat zij op basis van speculaties gehouden is op verlangen van de ene inschrijver de (beoordeling van de) inschrijvingen van de andere, hoger geëindigde inschrijvers in detail met de afgewezen inschrijver te bespreken. De door gedaagde beschreven gang van zaken met betrekking tot de proefopstelling komt de voorzieningenrechter niet onaannemelijk of onrechtmatig voor. Voorts bestaat er geen verplichting voor een aanbestedende dienst om de inschrijvingen te onderzoeken op mogelijke collusie, indien daarvoor geen aanwijzingen zijn. Inschrijvers kunnen zich daarom niet tegen een voorgenomen gunning verzetten op grond van het enkele feit dat de aanbestedende dienst een dergelijk onderzoek heeft nagelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 399145 / KG ZA 11-873

Vonnis in kort geding van 4 augustus 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Ahrend Inrichten B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Fanoy te Rotterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

Gemeente Nieuwegein,

zetelende te Nieuwegein,

gedaagde,

advocaat mr. R.A. Wuijster te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Ahrend' en 'de Gemeente'.

1. Het procesverloop

Ahrend heeft de Gemeente op 22 juli 2011 doen dagvaarden om op 3 augustus 2011 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Bij akte, in concept ter griffie binnengekomen op 27 juli 2011, heeft Ahrend haar eis vermeerderd. De zaak is op de aangezegde datum behandeld en er is op 4 augustus 2011 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 4 augustus 2011 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Op 21 februari 2011 heeft de Gemeente een aankondiging verzonden voor een niet-openbare Europese onderhandse aanbestedingsprocedure voor de levering van interieur voor het 'Stadshuis' van Nieuwegein. Deze opdracht is verdeeld in twee percelen. Perceel 1 'Werken' ziet op de losse inrichtingselementen voor de kantooromgeving, waaronder bureaus, kasten, vergadertafels, verlichting en monitorarmen. Perceel 'Ontmoeten' ziet op losse inrichtingselementen voor onder andere vergaderruimten, het restaurant en de trouwzaal. Op de aanbestedingsprocedure zijn het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (BAO) en het Aanbestedingsreglement Werken (ARW 2005) van toepassing. Als gunningscriterium geldt 'de economisch voordeligste inschrijving'.

2.2. De aanbestedingsprocedure, die bestaat uit een selectiefase en een gunningsfase, is nader omschreven in de Selectieleidraad d.d. 21 februari 2011, de Gunningsleidraad d.d. 20 april 2011 en het Programma van Eisen (hierna: PvE). Daarnaast zijn vijf Nota's van Inlichtingen verstrekt waarin antwoord wordt gegeven op vragen van de inschrijvers.

2.3. In de Selectieleidraad zijn voorschriften opgenomen waaraan gegadigden dienen te voldoen. Paragraaf 4.4.2 bepaalt, voor zover relevant, het volgende:

"Rechtspersonen

* Een Gegadigde mag zich als rechtspersoon slechts eenmaal aanmelden, ofwel zelfstandig, ofwel in Combinatie.

* Voor rechtspersonen die binnen dezelfde holding vallen geldt dat slechts één onderneming van de holding waartoe zij behoort zich kan aanmelden als Gegadigde, tenzij, op verzoek van de Aanbestedende dienst, de betreffende ondernemingen kunnen aantonen dat voor iedere aanmelding/inschrijving geldt dat, deze onafhankelijk van de andere Gegadigden/inschrijvers (waaronder zij die deel uitmaken van de holding) is opgesteld, in vrije concurrentie tot stand is gekomen, en er vertrouwelijkheid in acht is genomen. Indien dit niet kan worden aangetoond, leidt dit tot uitsluiting van alle Gegadigden/inschrijvers uit die holding."

2.4. Na de selectiefase zijn Ahrend, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vepa B.V. (hierna: Vepa) en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FacilityLinQ B.V. (hierna: FacilityLinQ) uitgenodigd voor de gunningsfase, waarna zij alle drie tijdig hebben ingeschreven.

2.5. Paragraaf 4.1 van de Gunningsleidraad schrijft voor dat inschrijvers naast het inschrijfbiljet, onder meer een Model K-verklaring, een Conformiteitenverklaring, een Open begroting met gespecificeerde offerte en een 'Beschrijving Kwaliteit' met daarin principetekeningen (bovenaanzicht en vooraanzicht van een aantal werkplekken) moeten indienen.

De Gunningsleidraad bepaalt met betrekking tot deze principetekeningen voor zover relevant het volgende:

"Van de volgende onderdelen dient de inschrijver principetekeningen (bovenaanzicht en vooraanzicht; schaal 1:20) te leveren conform hetgeen is beschreven in het PvE voor perceel 1:

­ een enkele werkplek (PvE nummer 1);

­ een tweepersoonswerkplek (PvE nummer 1);

­ een vierpersoonswerkplek (PvE nummer 1);

­ een dubbele L-vorm (twee Cad-opstellingen, PvE nummer 6).

Deze tekeningen dienen inzicht te geven in:

­ materiaalgebruik en kleur;

­ afmeting en vorm blad;

­ onderstel/ondersteuning blad;

­ bekabeling van vloergoot tot kabelgoot."

2.6. Onderdeel van de gunningsfase was een proefopstelling, die uiterlijk op 26 mei 2011 bij de Gemeente geplaatst diende te worden. Met betrekking tot deze proefopstelling bepaalt de Gunningsleidraad, voor zover relevant, het volgende:

"De inschrijvers dienen een proefopstelling te plaatsen die de volgende elementen bevat, waarbij de nummering verwijst naar het PvE:

Perceel 1:

* Dubbele werkplek (nummer 1).

* Staal van bladmateriaal bureau afmeting 600 x 600 mm (nummer 4)

* Bureaustoel (nummer 7).

* Lage schuifkast met één hangmappenframe en één legbord (nummer 8.1).

* Staal van bladmateriaal archiefkast afmeting 600 x 600 mm (nummer 8.3)

* Monitorarm (nummer 9).

* Werkplekverlichting (nummer 10.1).

* Vergadertafel voor vier personen (nummer 14).

* Vergaderstoel (nummer 15).

* Vergaderstoel (nummer 17).

Voor alle onderdelen geldt kleuren, blad en stoffering volgens eis PvE."

2.7. Het PvE vermeldt met betrekking tot de werkplekken, voor zover relevant, het volgende:

"Afmetingen

(...)

• Bureaus per 2 gekoppeld aan 1 onderstel (n.b. geen middenpoot in zijaanzicht).

Specifieke voorzieningen

(...)

• Standaard op bureau aanwezig: Thin client, verlichting, zwenkarm met 1 of 2 beeldscherm(en), telefoon.

(...)

• Bureaus bij voorkeur per 2 geschakeld (dus 4 poten voor 2 bureaus), het blad is wel per werkplek apart hoogte verstelbaar.

(...)

Materiaalgebruik

(...)

Onderstel

• Wit gespoten stalen poten op de hoeken, geen wangenbureau"

2.8. De Gunningsleidraad schrijft voor dat de beoordeling van de inschrijvingen geschiedt aan de hand van de subgunningscriteria 'Prijs' en 'Kwaliteit', waarbij 'Prijs' meetelt voor 60% en 'Kwaliteit' voor 40%. Onderdeel van subgunningscriterium 'Kwaliteit' is de beoordeling van de proefopstelling. De Gunningsleidraad vermeldt met betrekking tot de beoordeling, voor zover relevant, het volgende:

"4.3 Beoordeling

De wijze waarop de gunningcriteria worden beoordeeld, wordt onderstaand toegelicht. De Inschrijvers die voldoen aan de vereisten worden na beoordeling gerangschikt op volgorde van totaalscore.

Onderstaand is een overzicht weergegeven van welk aantal punten per beoordelingscriterium en in totaal te behalen is.

Tabel 4.3.1: Overzicht beoordeling

Tabel 4.3.1: Overzicht beoordeling

(...)

4.3.3 Kwaliteit - Proefopstelling

Voor de proefopstelling wordt door ieder lid van de Beoordelingscommissie en medewerker afzonderlijk een cijfer 0-10 toegekend aan elk beoordelingsaspect zoals genoemd in paragraaf 4.2.3. Puntentoekenning vindt uiteindelijk plaats op basis van onderlinge vergelijking tussen de proefopstellingen van de Inschrijvers.

Op basis van een inhoudelijke beoordeling van de beschrijving worden aan elk aspect 0, 2, 4, 6, 8 of 10 punten toegekend. De waardering wordt als volgt bepaald:

10 = uitmuntend: voldoet exact aan de vraag en overtreft ruimschoots de verwachtingen van de Aanbestedende dienst.

8 = goed: voldoet aan de vraag en overtreft de verwachting van de Aanbestedende dienst.

6 = voldoende: voldoet aan de vraag.

4 = matig: voldoet niet geheel aan de vraag; is op enkele significante onderdelen onvoldoende.

2 = onvoldoende: voldoet niet aan de vraag; is op significante onderdelen onvoldoende.

0 = ontbrekend onderdeel.

Per beoordelingsaspect worden de cijfers van de beoordelaars bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal beoordelaars. Zo is er een gemiddeld cijfer per beoordelingsaspect. Om per perceel tot een totaalscore voor de proefopstelling te komen, worden de scores van alle beoordelingsaspecten bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal beoordelingsaspecten (8). Dit aantal wordt vermenigvuldigd met een factor 4 om tot een totaalscore te komen. Dit is in onderstaande formule weergegeven:

som van punten beoordelingsaspecten

8

(...)"

Ten aanzien van tabel 4.3.1 geldt dat het maximaal aantal te behalen punten voor de beide onderdelen 'kwaliteit' 40 bedraagt en niet 20.

2.9. Op 26 mei 2011 heeft Ahrend haar proefopstelling geplaatst op de door de Gemeente voorgeschreven locatie. Op dat moment stonden de proefopstellingen van Vepa en FacilityLinQ daar reeds opgesteld. De proefopstelling van FacilityLinQ was afkomstig van haar dealer Jos Kok B.V. De proefopstelling van Ahrend toonde een dubbele werkplek met bureaus met poten op de hoeken; de proefopstellingen van Vepa en FacilityLinQ toonden een dubbele werkplek met bureaus met een zogenoemd 'teruggeplaatst frame'. Voorafgaand aan het plaatsen van haar proefopstelling heeft Ahrend bij brief van 25 mei 2011 aan de Gemeente meegedeeld dat de door haar in haar proefopstelling opgenomen monitorarmen, bureauverlichting en lage kast door uiteenlopende omstandigheden afweken van de uitgangspunten zoals verwoord in het PvE.

2.10. Op 20 juni 2011 heeft Vepa op verzoek van de Gemeente bevestigd dat zij bij de uitvoering van de opdracht een dubbele werkplek zou leveren met poten op de hoeken.

2.11. Bij brieven van 4 juli 2011 heeft de Gemeente aan Ahrend kenbaar gemaakt dat zij voor geen van beide percelen de economisch meest voordelige inschrijving heeft gedaan. De Gemeente heeft hierbij ter onderbouwing meegedeeld dat Ahrend ten opzichte van de economisch meest voordelige inschrijving met name minder heeft gescoord op het subgunningscriterium 'prijs' en dat zij daarnaast minder heeft gescoord op het aspect 'Kwaliteit-beschrijving'. Voor de proefopstelling zou Ahrend voor de beide percelen een nagenoeg gelijke (perceel 1) of hogere (perceel 2) score behaald hebben.

Uit de bijgevoegde ranglijsten volgt dat Ahrend voor perceel 1 met een score van 145,24 als derde is geëindigd achter Vepa en FacilityLinQ, die respectievelijk een score van 171,97 en 155,86 hebben behaald. Voor Perceel 2 is Ahrend met een score van 115,02 als tweede geëindigd achter FacilityLinQ, die een score van 162,96 heeft behaald.

2.12. Bij brief van 13 juli 2011 heeft de advocaat van Ahrend bezwaar gemaakt tegen de voorlopige gunningsbeslissing en verzocht om een nadere motivering van het gunningsvoornemen, onder meer voor wat betreft de uitvoering van de dubbele werkplek van perceel 1.

2.13. Bij brief van 14 juli 2011 heeft de Gemeente haar gunningsvoornemen nader gemotiveerd en te kennen gegeven dat zij geen aanleiding ziet terug te komen op haar gunningsvoornemen. In deze brief heeft de Gemeente aan Ahrend geschreven dat de proefopstelling van Vepa weliswaar niet voldeed aan het PvE, maar dat dit niet afdoet aan de geldigheid van haar inschrijving en dat Vepa heeft bevestigd dat de dubbele werkplek, conform haar inschrijving, wordt uitgevoerd met poten op de hoeken. Hierbij heeft de Gemeente vermeld dat Vepa voor de door haar getoonde dubbele werkplek puntenaftrek heeft gekregen, net zoals Ahrend puntenaftrek heeft gekregen voor het ontbreken van de vergadertafel in haar proefopstelling.

2.14. Bij brief van 15 juli 2011 heeft de advocaat van Ahrend aan de Gemeente nadere vragen gesteld over het gunningsvoornemen. Deze vragen hebben onder meer betrekking op de besteksconformiteit van de inschrijving van Vepa, de toegepaste puntaftrek voor de proefopstellingen, de rol van Jos Kok en de verhouding tussen Vepa en FacilityLinQ.

3. Het geschil

3.1. Ahrend vordert, na vermindering van eis, zakelijk weergegeven:

primair: de Gemeente te verbieden de aanbestedingsprocedure voort te zetten en tot gunning over te gaan van de opdracht voor perceel 1 aan Vepa en perceel 2 aan FacilityLinQ, alsmede de Gemeente te verbieden, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, deze percelen aan een ander dan Ahrend te gunnen;

subsidiair: de Gemeente te gebieden over te gaan tot een objectieve en transparante herbeoordeling van de inschrijvingen voor perceel 1 en/of perceel 2 met inachtneming van het in dezen te wijzen vonnis, waarbij in ieder geval aan Ahrend geen punten in mindering mogen worden gebracht vanwege het feit dat haar proefopstelling niet aan de gestelde eisen voldoet, terwijl aan Vepa, voor zover zij al geldig heeft ingeschreven, geen punten voor het criterium 'Kwaliteit proefopstelling' mogen worden toegekend;

meer subsidiair: de Gemeente te verbieden de aanbestedingsprocedure voort te zetten en haar te gebieden, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, een heraanbesteding voor perceel 1 en/of 2 te organiseren;

dit alles op straffe van een dwangsom; en

uiterst subsidiair, indien al het voorgaande wordt afgewezen, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren;

een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

3.2. Daartoe voert Ahrend het volgende aan.

De inschrijvingen van Vepa en FacilityLinQ hadden ongeldig moeten worden verklaard, aangezien zij in strijd met het PvE in hun proefopstellingen een dubbele werkplek met bureaus zonder poten op de hoeken hebben getoond. Uit niets blijkt dat het papieren deel van hun inschrijvingen, waaronder de gespecificeerde offerte en de principetekeningen, op dit punt wel besteksconform was. Uit het feit dat de Gemeente na de inschrijving bij Vepa navraag heeft gedaan, volgt veeleer het tegendeel. Volgens Ahrend kan het dan ook niet anders dan dat Vepa pas na die navraag haar inschrijving heeft aangepast, hetgeen evident in strijd is met het aanbestedingsrecht.

Voort is de inschrijving van Ahrend op onjuiste wijze beoordeeld, aangezien de Gemeente ten onrechte puntenaftrek heeft toegepast voor het ontbreken van de vergadertafel in de proefopstelling. Deze tafel was immers niet voorhanden bij de voorgeschreven leverancier, hetgeen buiten de risicosfeer van Ahrend ligt. Om soortgelijke reden had ook geen puntenaftrek voor de verlichting, de monitorarm en de lage schuifkast mogen worden toegepast.

Daarnaast bestaat reden te twijfelen aan de juistheid van de door FacilityLinQ ingediende K-verklaring. De Gemeente heeft immers niet kunnen of willen zeggen door wie haar K-verklaring is ondertekend.

Ten slotte had de Gemeente onderzoek moeten verrichten naar mogelijke collusie tussen Vepa en FacilityLinQ. Dit volgt onder meer uit het feit dat FacilityLinQ een dealer is van de onderneming Drentea B.V., die weer tot hetzelfde concern behoort als Vepa.

Ahrend heeft er dan ook recht op en een spoedeisend belang bij dat de opdracht voor de beide percelen alsnog aan haar wordt gegund, dan wel dat de Gemeente overgaat tot herbeoordeling van de inschrijvingen of tot heraanbesteding.

3.3. De Gemeente voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. beoordeling van het geschil

4.1. Ahrend heeft aan haar vorderingen stellingen en vermoedens ten grondslag gelegd. Voor zover deze vorderingen gebaseerd zijn op enkel vermoedens - zoals ten aanzien van de onjuiste ondertekening van de K-verklaring, de volledigheid van de inschrijvingen van Vepa en FacilityLinQ en mogelijke collusie tussen die inschrijvers - geldt dat Ahrend niet voldaan heeft aan haar stelplicht. Aan dit deel van het betoog van Ahrend gaat de voorzieningenrechter om die reden voorbij. Anders dan Ahrend kennelijk meent, gaat de motiveringsplicht van de aanbestedende dienst niet zover dat zij op basis van speculaties gehouden is op verlangen van de ene inschrijver de (beoordeling van de) inschrijvingen van de andere, hoger geëindigde inschrijvers in detail met de afgewezen inschrijver te bespreken.

4.2. De overige bezwaren van Ahrend tegen de voorgenomen gunning zien op de beoordeling van de proefopstelling - met name voor wat betreft de dubbele werkplek - , de rol van Jos Kok B.V. en de stelling dat de Gemeente mogelijke collusie tussen Vepa en FacilityLinQ (beter) had moeten onderzoeken.

Volgens Ahrend hadden de inschrijvingen van Vepa en FacilityLinQ ongeldig moeten worden verklaard, dan wel dient herbeoordeling of zelf heraanbesteding plaats te vinden.

Op deze punten wordt als volgt overwogen.

Proefopstelling

4.3. Het meest zwaarwegende bezwaar van Ahrend tegen de beoordeling van de proefopstelling heeft betrekking op de dubbele werkplek van perceel 1. Vaststaat dat Vepa in haar proefopstelling een werkplek heeft getoond die niet voldeed aan de eisen van het PvE, aangezien zij in haar opstelling een afwijkend bureau - namelijk een bureau zonder poten op de hoeken - had opgenomen.

4.4. Het betoog van Ahrend dat de inschrijvingen van Vepa en FacilityLinQ vanwege de afwijkende proefopstelling ongeldig hadden moeten verklaard, kan niet worden gevolgd. Uit niets blijkt dat het in de proefopstelling getoonde meubilair op straffe van ongeldigheid diende overeen te stemmen met hetgeen de inschrijver heeft aangeboden. De omstandigheid dat in de onder 2.8 vermelde passage van de Gunningsleidraad voor de beoordeling van de proefopstelling is voorzien dat de opstelling mogelijk niet voldoet aan de vraag, of zelfs ontbreekt, wijst op het tegendeel.

4.5. De juistheid van de stelling van Ahrend dat Vepa en FacilityLinQ hebben ingeschreven met een afwijkend bureau en dat de Gemeente in strijd met het aanbestedingsrecht de inschrijving van Vepa heeft gesauveerd, kan niet worden afgeleid uit het feit dat Vepa en FacilityLinQ een afwijkend bureau hebben getoond in hun respectieve proefopstellingen en de omstandigheid dat de Gemeente naar aanleiding van haar inschrijving bij Vepa navraag heeft gedaan. Zoals hiervoor is overwogen, behoefde de proefopstelling niet (exact) overeen te stemmen met hetgeen werd aangeboden. Ter zitting heeft de Gemeente voorts verklaard dat Vepa heeft ingeschreven met een bureau met een 'robuust vierpootsonderstel, wit'. Volgens de Gemeente had Vepa de beoogde complexe constructie niet voorhanden en heeft zij desondanks ervoor gekozen om in de proefopstelling met een afwijkend bureau een beeld te geven van de door haar aangeboden dubbele werkplek. Na de beoordeling heeft de Gemeente volgens haar verklaring de inschrijving van Vepa geverifieerd, omdat op de in de Gunningsleidraad gevraagde principetekeningen - zoals vermeld onder 2.5 een bovenaanzicht en een vooraanzicht - niet kon worden waargenomen of het al dan niet een werkplek met poten op de hoeken betrof. Deze gang van zaken komt de voorzieningenrechter voorshands niet onaannemelijk of onrechtmatig voor. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft Ahrend geen nadere feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten volgen dat de inschrijving van Vepa desalniettemin als ongeldig had moeten worden aangemerkt.

4.6. Ter onderbouwing van haar subsidiaire vordering heeft Ahrend zich op het standpunt gesteld dat zij voor de proefopstelling een hogere score en dat Vepa en FacilityLinQ daarvoor een lagere score hadden moeten krijgen, hetgeen door de Gemeente gemotiveerd is betwist.

Tot haar verweer heeft de Gemeente allereerst aangevoerd dat ook in het geval dat Ahrend in haar betoog zou kunnen worden gevolgd dit haar niet kan baten, omdat Vepa ook dan een hogere eindscore heeft dan Ahrend en de opdracht aan Vepa moet worden gegund. Ahrend heeft dit standpunt van de Gemeente niet bestreden. Nu voorts - zoals blijkt uit de onder 2.8 vermelde beoordeling - relatief weinig gewicht toekomt aan de beoordeling van de proefopstelling (namelijk 40/200) en het verschil in punten tussen Vepa en Ahrend aanzienlijk is, moet Ahrend geacht worden geen belang te hebben bij een nadere beoordeling op dit punt.

Jos Kok en onderzoek naar mogelijke collusie

4.7. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt - valt niet in te zien welke onrechtmatigheid besloten ligt in de rol van Jos Kok. B.V. Deze stelling zal dan ook worden gepasseerd.

4.8. Met betrekking tot hetgeen Ahrend heeft gesteld met betrekking tot een door de Gemeente te verrichten onderzoek naar mogelijke collusie tussen Vepa en FacilityLinQ, wordt als volgt overwogen.

Allereerst staat vast dat Vepa en FacilityLinQ niet tot hetzelfde concern behoren, zodat zij ingevolge de onder 2.3 vermelde passage van de Selectieleidraad niet behoefden aan te tonen dat hun inschrijvingen - kort gezegd - in vrije concurrentie en vertrouwelijkheid tot stand zijn gekomen. Op grond van de Selectieleidraad behoefde de Gemeente hier dan ook geen onderzoek naar te doen. In het algemeen bestaat er evenmin een verplichting voor een aanbestedende dienst om de inschrijvingen te onderzoeken op mogelijke collusie, indien daarvoor geen aanwijzingen zijn. Andere inschrijvers, zoals in dit geval Ahrend, kunnen zich daarom niet tegen een voorgenomen gunning verzetten op grond van het enkele feit dat de aanbestedende dienst een dergelijk onderzoek heeft nagelaten. Daar komt bij dat er geen enkele concrete aanwijzing is dat Vepa en FacilityLinQ hebben samengespannen. Dat zij beide banden hebben met Drentea B.V. en dat Vepa en Drentea B.V. tot voor kort dezelfde statutair directeur hadden, is op zichzelf niet relevant.

Slotsom en proceskosten

4.9. De uiterst subsidiaire vordering van Ahrend zal eveneens worden afgewezen, nu met een toewijzing het door haar kennelijk beoogde doel, namelijk dat de Gemeente niet zou kunnen gunnen zolang niet is beslist op een door Ahrend in te stellen hoger beroep, niet zou worden bereikt. Slotsom van het voorgaande is dat al de vorderingen van Ahrend moeten worden afgewezen. Ahrend zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.

Deze proceskostenveroordeling zal, zoals de Gemeente heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt Ahrend in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Gemeente begroot op € 1.376,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 560,- aan griffierecht;

- veroordeelt Ahrend tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,- aan salaris advocaat;

- bepaalt dat, indien en voor zover Ahrend niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en het vonnis om die reden door de Gemeente aan Ahrend is betekend, de nakosten worden vermeerderd met een bedrag van

€ 68,- aan salaris advocaat en met de explootkosten van de betekening van dit vonnis;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2011.

WJ