Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7215

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2011
Datum publicatie
07-12-2011
Zaaknummer
11/25397
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenzaak. De weigering van de Minister voor Immigratie en Asiel (verweerder) om de vreemdeling (eiser) een document te verstrekken waaruit het rechtmatig verblijf als familielid van een burger van de Europese Unie blijkt, is rechtmatig. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen besluiten een onderzoek in te stellen naar de vraag of het huwelijk van eiser met zijn Poolse echtgenote is gesloten met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. Het gescheiden horen van eiser en zijn echtgenote is een passend middel om te beoordelen of de gerezen twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk gegrond is. De door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser en zijn echtgenote rechtvaardigen verweerders conclusie dat het huwelijk is gesloten met als enig doel een verblijfsrecht in Nederland te verkrijgen. De weigering van het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, is een noodzakelijke maatregel in de zin van Richtlijn 2004/38/EG. Dat verweerder vooraf geen bedenkingen heeft geuit tegen het voorgenomen huwelijk, staat niet in de weg aan het weigeren van het gevraagde document.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/25397, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.M. van der Klis, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 25 oktober 2010 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser van 13 augustus 2010 tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 22 november 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 20 juli 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 4 augustus 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 31 oktober 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, vergezeld door zijn echtgenote [naam X] en bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen A.M. de Jonge, tolk.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Volgens punt 28 van de considerans van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: Richtlijn 2004/38/EG) dienen de lidstaten de noodzakelijke maatregelen te kunnen treffen om misbruik en fraude tegen te gaan, met name schijnhuwelijken of elke andere vorm van verwantschap aangegaan met als enig doel het recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten.

Volgens artikel 10, eerste lid, eerste volzin, van Richtlijn 2004/38/EG wordt het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, binnen zes maanden na de datum van indiening van een aanvraag terzake vastgesteld door de afgifte van een document, "verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie" genoemd.

Volgens artikel 35 van Richtlijn 2004/38/EG kunnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om een in deze richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk, te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Deze maatregelen zijn evenredig en zijn onderworpen aan de procedurele waarborgen van artikelen 30 en 31.

2.1.2. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop rustende bepalingen verstaan onder gemeenschapsonderdanen:

1°. onderdanen van de lidstaten van de Europese Unie die op grond van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gerechtigd zijn een andere lidstaat binnen te komen en er te verblijven;

2º. familieleden van de onder 1° genoemden die de nationaliteit van een derde staat bezitten en die uit hoofde van een ter toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap genomen besluit gerechtigd zijn een lidstaat binnen te komen en er te verblijven.

Ingevolge artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, verschaft Onze Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder e, en gemeenschapsonderdaan is als bedoeld in artikel 1, onder e, sub 2°, een document of schriftelijke verklaring, waaruit het rechtmatig verblijf blijkt.

2.1.3. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000), voor zover van belang, is deze paragraaf (hoofdstuk 8, paragraaf 2, van het Vb 2000, getiteld 'EG/EER'; toevoeging rechtbank) van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Ingevolge artikel 8.7, tweede lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 is deze paragraaf eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft de echtgenoot.

Ingevolge artikel 8.12, eerste lid, aanhef en onder d, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b.

Ingevolge artikel 8.25 van het Vb 2000 kan Onze Minister het rechtmatig verblijf beëindigen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens zouden hebben geleid tot weigering van toegang of verblijf.

2.2. het bestreden besluit

Verweerder heeft bij het bestreden besluit de beslissing gehandhaafd om eiser een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 te weigeren. Daartoe heeft verweerder, samengevat, overwogen dat op grond van hetgeen tijdens de hoorzitting van 11 mei 2011 door eiser en zijn echtgenote is verklaard het vermoeden bestaat dat sprake is van een gearrangeerd huwelijk met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, waarop anders geen aanspraak zou kunnen worden gemaakt. Eiser en zijn echtgenote spreken geen gemeenschappelijke taal en zij hebben verschillende en wisselende verklaringen afgelegd over het ontstaan en verloop van hun relatie, hun leven samen en hun huishouding. Verweerder ziet hierin aanleiding eiser rechtmatig verblijf te ontzeggen.

2.3. de gronden van beroep

Eiser kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiser is al eerder in het bezit geweest van een verblijfsaantekening in zijn paspoort wegens rechtmatig verblijf als (familielid van een) burger van de Unie met de aantekening 'arbeid vrij toegestaan'. Eiser is gehuwd met mevrouw Wenecka, die de Poolse nationaliteit heeft, economisch actief is in Nederland en in het bezit is van de verblijfsaantekening voor burgers van de Unie. Gelet hierop heeft eiser een declaratoir verblijfsrecht, dat zonder tussenkomst van de lidstaat ontstaat en vervalt. Verweerder was onder deze omstandigheden niet bevoegd eiser en zijn echtgenote te horen. Eiser betwist dat hij een aanvraag heeft ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning. Hij heeft slechts verzocht om afgifte van een document op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 ter vaststelling van zijn (afgeleid) verblijfsrecht op grond van het Unierecht. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte behandeld als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Eiser heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft. Eiser en zijn echtgenote staan op hetzelfde adres ingeschreven (hetgeen overigens in het geval van een rechtsgeldig huwelijk geen vereiste is), hun huwelijk is aangetoond door middel van de huwelijksakte en is voltrokken door een ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. Bovendien heeft verweerder ingestemd met het huwelijk, nu zijdens verweerder tegen het voorgenomen huwelijk geen bedenkingen zijn geuit. Het stond verweerder ook om die reden niet vrij nadien alsnog nader onderzoek te doen en eiser en zijn echtgenote in dat kader te horen. Er was geen redelijke grond voor twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk en het instellen van een onderzoek ter zake. Dat eiser en zijn echtgenote niet op alle vragen een eenduidig antwoord hebben gegeven, betekent niet dat sprake is van een schijnhuwelijk. Verweerder heeft niet aangetoond dat van een schijnhuwelijk sprake is. Verweerder had het gevraagde document moeten afgeven en pas daarna was hij bevoegd het verblijfsrecht eventueel te beëindigen en verdere actie te ondernemen door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) te vragen nietigverklaring van het huwelijk te vorderen.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser en mevrouw [naam X] (hierna: referente) zijn op [datum] met elkaar gehuwd ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand te 's-Gravenhage. Referente heeft de Poolse nationaliteit, werkt in Nederland en ontleent een verblijfsrecht aan Richtlijn 2004/38/EG.

2.4.2. Eiser wijst er terecht op dat het verblijfsrecht op grond van Richtlijn 2004/38/EG van rechtswege ontstaat en vervalt en dat het door hem aangevraagde document declaratoir van aard is. Dit laat onverlet dat verweerder bevoegd (en verplicht) was te onderzoeken of aan de voorwaarden voor afgifte van het aangevraagde document wordt voldaan en dat de beslissing op eisers verzoek tot afgifte van dit document een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

2.4.3. De rechtbank beoordeelt vervolgens de beroepsgrond dat er geen redelijke grond was voor twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk en nader onderzoek ter zake.

Eiser betwist niet de juistheid van het standpunt van verweerder dat de ervaring leert dat veel huwelijken tussen een derdelander en een vrouw uit het oosten van Europa niet oprecht zijn. Wel voert eiser aan dat dit ervaringsgegeven op zichzelf onvoldoende grond vormt om te twijfelen aan de oprechtheid van zijn huwelijk. Wat hiervan zij, verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat in het geval van eiser ook sprake is van andere en meer specifieke redenen voor twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk, te weten dat eiser en zijn echtgenote geen gemeenschappelijke taal spreken en dat eiser langdurig illegaal in Nederland verblijft. De terechte opmerking van eiser dat ook mensen die elkaars taal niet spreken met elkaar kunnen communiceren, laat onverlet dat het ontbreken van een gemeenschappelijke taal de communicatie bemoeilijkt en dat deze omstandigheid mede redengevend kan zijn voor twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk. Dat eiser langdurig illegaal in Nederland verblijft, kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens bijdragen tot deze conclusie. Onder deze omstandigheden, in samenhang bezien, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen besluiten een onderzoek in te stellen naar de vraag of het huwelijk is gesloten met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten.

2.4.4. Het gescheiden horen van eiser en referente tijdens de hoorzitting van 11 mei 2011 was naar het oordeel van de rechtbank een passend middel om te beoordelen of de bij verweerder gerezen twijfel aan de oprechtheid van het huwelijk gegrond was. Aan deze methode van onderzoek is inherent dat vragen worden gesteld die de persoonlijke levenssfeer betreffen en dat op onderdelen wordt doorgevraagd. Dat de grenzen van het toelaatbare hierbij zijn overschreden, kan niet worden afgeleid uit de enkele omstandigheid dat de hoorzitting lang heeft geduurd en is door eiser ook overigens niet aannemelijk gemaakt.

2.4.5. Op grond van de verklaringen die eiser en referente tijdens de hoorzitting van 11 mei 2011 hebben afgelegd heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van een schijnhuwelijk, dat wil zeggen een huwelijk dat door eiser is gesloten met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten. Eiser en referente hebben tijdens de hoorzitting op meerdere relevante punten, zoals de dagelijkse gang van zaken in hun relatie en hun persoonlijke omstandigheden, uiteenlopende verklaringen afgelegd. Zo heeft eiser verklaard dat referente drie kinderen heeft, terwijl referente heeft verklaard dat zij vier dochters heeft. Bovendien weet eiser niet hoe de kinderen van referente heten en hoe oud zij zijn. Ook over de gang van zaken rond het huwelijksaanzoek hebben eiser en referente tegenstrijdig verklaard. Voorts heeft referente verklaard dat zij tot september 2010 om de twee maanden voor de duur van een week in Polen heeft verbleven. Laatstelijk is zij in maart 2011 in Polen geweest voor medische behandeling. Eiser heeft daarentegen verklaard dat referente in de zomer van 2010 ongeveer een week voor vakantie en bezoek aan haar moeder naar Polen is geweest en daarna niet meer. Ook over de viering van de verjaardag van referente (vier weken vóór de hoorzitting) heeft eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Eiser heeft uiteindelijk verklaard dat referente op zaterdag jarig was en niet hoefde te werken, dat zij de vrijdag voor haar verjaardag op haar werk heeft getrakteerd (eiser had voor € 40 taart gekocht) en dat zij op haar verjaardag naar de kapper is geweest. Onderweg naar de kapper heeft eiser haar een zilveren ketting cadeau gedaan. Referente heeft echter verklaard dat zij op een vrijdag jarig was en op haar verjaardag moest werken. Zij heeft op haar werk getrakteerd op Turkse koekjes. De dag voor haar verjaardag heeft zij samen met eisers broer de koekjes gekocht. Van eiser heeft referente niet echt een cadeau gekregen, hij betaalde de kapper op zaterdag. Even later herinnert referente zich dat zij een zilveren ketting van eiser cadeau heeft gekregen. Zij heeft deze op vrijdag, dus op haar verjaardag gekregen toen zij thuiskwam van haar werk. Nu eiser en referente met elkaar getrouwd zijn en zich erop beroepen dat zij samenwonen en veel dingen samen doen, mocht verweerder op deze punten meer eenduidige verklaringen verlangen. Eiser heeft voor de genoemde tegenstrijdigheden geen afdoende verklaring gegeven. Deze door verweerder tegengeworpen tegenstrijdigheden kunnen zijn conclusie dat sprake is van een schijnhuwelijk zelfstandig dragen, zodat de andere door verweerder tegengeworpen tegenstrijdheden en de reactie daarop van eiser geen bespreking behoeven.

De ter zitting getoonde foto's van de voltrekking van het huwelijk leiden niet tot een ander oordeel, nu niet in geschil is dat eiser en referente met elkaar zijn gehuwd.

2.4.6. Het weigeren van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, is in een situatie als hier aan de orde, waarin verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van een huwelijk dat is aangegaan met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten, naar het oordeel van de rechtbank een noodzakelijke maatregel in de zin van overweging 28 van de considerans en artikel 35 van deze richtlijn. Het standpunt van eiser dat verweerder gehouden was het gevraagde document af te geven en uitsluitend daarna maatregelen had kunnen treffen ter bestrijding van vermeend rechtsmisbruik wordt door de rechtbank niet gevolgd. De in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 gegeven bevoegdheid tot afgifte van een document waaruit het rechtmatig verblijf als (familielid van een) burger van de Europese Unie blijkt, omvat de bevoegdheid afgifte van dit document te weigeren als de vreemdeling geen rechtmatig verblijf ontleent aan het Unierecht.

2.4.7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder, nu hij geen bedenkingen heeft geuit tegen het voorgenomen huwelijk, niet achteraf kan zeggen dat sprake is van een schijnhuwelijk, althans dat verweerder tegen een eenmaal voltrokken huwelijk uitsluitend kan optreden door het OM te verzoeken nietigverklaring van het huwelijk te vorderen. Dat verweerder niet door middel van het formulier model M46 bedenkingen tegen het voorgenomen huwelijk heeft geuit, betekent niet dat hij niet meer mag twijfelen aan de oprechtheid van het huwelijk als dat eenmaal is voltrokken. Dat verweerder de mogelijkheid heeft het OM te verzoeken nietigverklaring van het huwelijk te vorderen, betekent niet dat hij gehouden is het door eiser aangevraagde document te verstrekken zolang hij zich niet tot het OM wendt. Geen rechtsregel staat in de weg aan het weigeren van het door eiser aangevraagde document in de hier aan de orde zijnde situatie.

2.4.8. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser met referente in het huwelijk is getreden met als enig doel het in Richtlijn 2004/38/EG neergelegde recht van vrij verkeer en verblijf te kunnen genieten en dat verweerder op deze grond heeft kunnen weigeren het gevraagde document te verstrekken.

2.4.9. Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

2.4.10. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en M.G. den Ambtman, griffier, ondertekend.