Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2011:BU6959

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-12-2011
Datum publicatie
06-12-2011
Zaaknummer
AWB 11/37705
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat eiser niet in vreemdelingenbewaring had te hoeven worden gesteld, althans die bewaring korter had kunnen duren, indien verweerder ten tijde van de strafrechtelijke detentie uitzettingshandelingen zou hebben verricht. Eiser is immers in het bezit van een geldig Albanees paspoort waarmee hij aansluitend op dan wel kort na zijn strafrechtelijke detentie uitgezet had kunnen worden naar Albanië. Weliswaar staat vast dat eiser is veroordeeld voor het gebruik maken van een vals of vervalst paspoort, en zich dus heeft bediend van een alias, maar dat weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de omstandigheid dat op relatief eenvoudige wijze, namelijk het aanvragen van een vlucht tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser, de vreemdelingenbewaring van eiser had kunnen worden voorkomen dan wel bekort. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijk verhouding staan tot de belangen van eiser.

Tot slot overweegt de rechtbank dat in elk geval waarin de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie is geschonden, de vreemdeling per definitie kan worden tegengeworpen dat hij strafrechtelijk is veroordeeld. In dat licht bezien had het op de weg van verweerder gelegen nader toe te lichten waarom aan de veroordeling van eiser doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, enkelvoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr : AWB 11/37705

V-nummer: [ ]

Inzake: [ ], eiser,

gemachtigde mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde mr. D. Bozanovic.

I Procesverloop

1 Eiser stelt te zijn geboren op [ ] en de Albanese nationaliteit te bezitten.

2 Op 22 november 2011 is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van

21 november 2011 waarbij eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) de maatregel van bewaring is opgelegd.

3 De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 1 december 2011. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig mw. Van den Bergh-Lleshi, tolk in de Albanese taal.

II Overwegingen

1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000 staat ter beoordeling of het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in strijd is met deze wet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

2 De rechtbank oordeelt als volgt.

2.1.1 Eiser betoogt dat verweerder zijn inspanningsverplichting heeft geschonden, nu verweerder de strafrechtelijke detentie van eiser heeft laten verstrijken en eerst tijdens de bewaring een aanvang heeft gemaakt met het onderzoek naar de verwijderingsmogelijk¬heden van eiser.

2.1.2 Volgens paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), voor zover thans van belang, is het uitgangspunt dat zoveel mogelijk voorkomen dient te worden dat vreemdelingen na hun strafrechtelijke detentie in bewaring moeten worden gesteld. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 11 februari 2002 (LJN AE2317), behelst paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000 een inspanningsverplichting en biedt dit geen garantie aan vreemdelingen dat zij na strafrechtelijke detentie niet in bewaring zullen worden gesteld.

2.1.3 Zoals de Afdeling echter evenzeer eerder heeft overwogen (onder meer in voormelde uitspraak van 11 februari 2002), maakt de enkele omstandigheid dat niet zoveel als mogelijk is gedaan om te voorkomen dat een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring is gesteld, die bewaring niet onrechtmatig, tenzij de daarmee gediende belangen niet in een redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

2.1.4 Tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser van 23 oktober 2011 tot

22 november 2011 heeft verweerder geen inspanningen verricht die de uitzetting van eiser hadden kunnen bewerkstelligen of bespoedigen. Verweerder betwist niet dat hij daarmee niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting als neergelegd in

paragraaf A6/5.3.7.1 van de Vc 2000, maar betoogt dat de belangenafweging in het nadeel van eiser dient uit te vallen, nu eiser is veroordeeld voor het plegen van een misdrijf en zich van een alias heeft bediend.

2.1.5 De rechtbank overweegt dat eiser niet in vreemdelingenbewaring had te hoeven worden gesteld, althans die bewaring korter had kunnen duren, indien verweerder ten tijde van de strafrechtelijke detentie uitzettingshandelingen zou hebben verricht. Eiser is immers in het bezit van een geldig Albanees paspoort waarmee hij aansluitend op dan wel kort na zijn strafrechtelijke detentie uitgezet had kunnen worden naar Albanië. Weliswaar staat vast dat eiser is veroordeeld voor het gebruik maken van een vals of vervalst paspoort, en zich dus heeft bediend van een alias, maar dat weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen de omstandigheid dat op relatief eenvoudige wijze, namelijk het aanvragen van een vlucht tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser, de vreemdelingenbewaring van eiser had kunnen worden voorkomen dan wel bekort. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijk verhouding staan tot de belangen van eiser. Daarbij heeft de rechtbank eveneens gewicht toegekend aan het feit dat eiser zo snel mogelijk terug wilde keren naar Albanië alsmede aan de omstandigheid dat hij het onderzoek ter fine van uitzetting niet heeft gefrustreerd. Tot slot overweegt de rechtbank dat in elk geval waarin de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie is geschonden, de vreemdeling per definitie kan worden tegengeworpen dat hij strafrechtelijk is veroordeeld. In dat licht bezien had het op de weg van verweerder gelegen nader toe te lichten waarom aan de veroordeling van eiser doorslaggevend gewicht moet worden toegekend.

2.1.6 Weliswaar is niet in geschil dat verweerder tijdens de vreemdelingenbewaring van eiser de uitzetting van eiser voldoende voortvarend ter hand genomen, maar dat is geen omstandigheid die kan worden meegewogen in de hiervoor verrichte belangenafweging. Indien verweerder namelijk niet voldoende voortvarend zou hebben gehandeld tijdens de vreemdelingenbewaring, zou dat immers een zelfstandige grond zijn geweest om de bewaring van eiser op te heffen.

2.2 De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig was.

2.3 Het beroep is derhalve gegrond en de maatregel dient te worden opgeheven met ingang van 2 december 2011.

2.4 Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om schadevergoeding toe te kennen. Nu eiser het onderzoek ter fine van uitzetting niet heeft gefrustreerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de hoogte van de schadevergoeding te matigen. De hoogte van de schadevergoeding is als volgt vastgesteld:

- voor 2 dagen onrechtmatige bewaring in een politiecel (van 22 november 2011 tot 24 november 2011): 2 x € 105,- = € 210,-;

- voor 8 dagen onrechtmatige bewaring in een huis van bewaring (van 24 november 2011 tot 2 december 2011): 8 x € 80,- = € 640,-.

Het totale bedrag aan schadevergoeding komt daarmee op € 850,-.

2.5 De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door eiser[es?] gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 2 december 2011;

3 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser schadevergoeding toe ten bedrage van € 850,-. ten laste van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties), te betalen door de griffier van de rechtbank;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-en bepaalt dat, nu aan eiser een toevoeging is verleend, deze kosten rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 56 99 90 688) worden betaald.

Aldus gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in tegenwoordigheid van mr. T. de Wit, griffier.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011.

Rechtsmiddel

Krachtens artikel 95 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder d, van de Vw 2000 staat geen afzonderlijk hoger beroep open tegen de beslissing op het verzoek om schadevergoeding. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is één week na verzending van de uitspraak. Bij het beroep¬schrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingen¬zaken, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: